Winnaar van de Prix Transfuge du meilleur roman de langue française, de Prix Hennessy du livre en sinds 1976 de jongste auteur die de Prix Goncourt in de wacht sleepte: het vierde boek van de in Senegal geboren Mohamed Mbougar Sarr ging alleen al in Frankrijk meer dan een half miljoen keer over de toonbank. Is La plus secrète mémoire des hommes zoveel aandacht van pers en publiek waard? In zekere zin wel, want Sarr pende een roman bij elkaar die qua structuur zijn gelijke niet kent. Een uitgepuurd meesterwerk is dit evenwel niet.
Prettig kabbelende romans heeft Sarr nooit geschreven, en het ziet er niet naar uit dat er zo een zit aan te komen. Zijn debuut Terre ceinte, over een gemeenschap die ineens onder jihadistisch bewind komt te staan, hield de vinger aan de maatschappelijke pols, net als Silence du chœur, over Afrikaanse migranten op Sicilië. De purs hommes, Sarrs derde boek, thematiseerde gender en seksualiteit in een relaas over een leraar die met homofobie te maken krijgt. La plus secrète mémoire des hommes is op zijn beurt opgehangen aan recente debatten omtrent (post)kolonialisme, en de vraag hoe een Afrikaanse schrijver zich tot de witte, Westerse traditie moet of kan verhouden. De protagonist stelt zich ruim 450 bladzijden latent de vraag hoe zijn volgende roman er zou kunnen uitzien. Onderweg filosofeert hij met collega’s die net als hij Afrikaanse roots hebben, maar ingeweken zijn en zich het Westerse literaire erfgoed eigen gemaakt hebben. Is die ambigue positie, tussen twee culturen in, een kans, of genereert ze een patstelling van waaruit alleen verraad mogelijk is aan het oorspronkelijke erfgoed, de moedertaal en de authentieke leefwereld als Afrikaan?
Sarr verstaat de kunst om dergelijke onderliggende thema’s niet al te expliciet aan te snijden, althans niet onder de vorm van een theoretisch traktaat. Hij voegt weliswaar bespiegelingen en mijmeringen in, perfect geïntegreerd in het corpus van de roman, waarvan het narratief de ruggengraat vormt. Meer nog dan de bizarre kroniek, die een ongewone evenwichtsoefening is tussen verschillende stijlen en genres, zijn het de reflectieve passages die Sarr als auteur ver boven de middelmaat uittillen, omdat zij het escapistische en epische eigen aan de literatuur verbinden met een grotere en universele diepzinnigheid. Regelmatig haakt Sarr zich immers vast in onderwerpen die zich al schrijvend aandienen, dikwijls gelinkt aan wat taal vermag, hoe het geschreven woord zich verhoudt tot de existentie, wat het kunstenaarschap behelst en dergelijke meer.
In die zin is De diepst verborgen herinnering van de mens een intrigerend onderzoek naar de plek die literatuur in een leven kan innemen, zowel bij diegene die creëert als diegene die savoureert. Sarrs talent uit zich misschien nog het meest in zijn vermogen om de fictieve wereld van zijn roman te verbinden aan het metafysische, aan tijdloze kwesties die de mens in zijn algemeenheid voor het voetlicht plaatsen. Dat lijkt hij ook te weten, met als gevolg dat de filosofisch getinte passages wel eens te barok en te wollig uitvallen, alsof Sarr geen maat weet te houden. De kunst van de schrappen is in regel een vaardigheid die auteurs eerder laat dan vroeg ontwikkelen – noem het kortom een jeugdzonde, dat de nauwelijks 30 jaar jonge Sarr zich af en toe verliest in de bombarie van een gekweld gevoelsleven, of te uitvoerig reflecteert in episodes die bondiger hadden kunnen zijn.
Voor zover bovenstaande al problematisch is, dient zich nog een euvel aan, met name Sarrs onvermogen om menselijke relaties helder uit te spitten. De liefdeshistorie tussen de protagonist en zijn Aïda bevat hartroerende momenten, zo reëel dat ze bijna aan te raken zijn. Dit gegeven mondt echter uit in gezwollen retoriek die absoluut geen aansluiting vindt bij het leven zoals het is. Ook hoe de verteller zich verhoudt tot een oudere schrijfster die hij toevallig ontmoet, doet wezensvreemd aan. Al dan niet bewust ontvouwt zich in de passages rondom deze vrouw een magisch-realisme, zeker wanneer dit personage woorden van wijlen haar minnares in de mond neemt. Heeft Sarr hier een vertroebeling van het vertelperspectief nagestreefd, of is dit een manco dat geredigeerd had kunnen worden?
Wat de leeservaring betreft, neemt Sarr zijn publiek alleszins op sleeptouw, in wat een hoogst ongewone en eigenlijk best wel sprankelende mix van genres is. Gebaseerd op het wedervaren van Yambo Ouologuem, wiens Le devoir de violence (1968) eerst goed werd ontvangen doch achteraf uit de handel verdween omwille van vermeend plagiaat, zet Sarrs verteller een onderzoek op touw naar een zekere T.C. Elimane, die na een weergaloos debuut van de aardbodem verdwenen lijkt. Vanuit een enigszins abstracte roman over de positie van Afrikaanse auteurs in het Westen, wordt De diepst verborgen herinnering van de mens langzamerhand een detective, een thriller, een politieke roman en een psychologisch portret van een kunstenaar die zijn plek zoekt in het leven.
Sarr heeft in deze 21ste eeuw perfect begrepen dat de romankunst zich niet hoeft op te sluiten in een vooraf gedefinieerde categorie. Voor de lezer brengt dat een koortsachtige leeservaring met zich mee, waarbij de auteur aan het slot de losse eindjes vakkundig weet te verknopen. Dit boek heeft kortom alles in zich om Sarr tot een uitzonderlijke schrijver uit te roepen, maar misschien kwam de Prix Goncourt iets te vroeg. Om waarlijk onvergetelijk te zijn, mist dit boek immers een gematigder gevoelsleven, balans tussen het cerebrale (idee) en het viscerale (verhaal) en het vermogen compact voor de dag te komen.



