Maarten De Saeger :: De blinden

De jaren tachtig lijken een nieuwe goudmijn te zijn voor de Belgische strip, niet zozeer omdat het genre dan een hoogtepunt bereikte (de laatste grote strip Kiekeboe verscheen voor het eerst in 1977), maar wel omdat in die befaamde jaren een groep illustratoren-(strip)tekenaars geboren werd die de laatste tien jaar of daaromtrent hun unieke stempel op het (Vlaamse) stripgebeuren drukten. Hoewel Maarten De Saeger misschien de minst bekende onder hen is, vallen zijn waarde en oeuvre evenmin in twijfel te trekken.

De Saeger (1980) had al enkele eigen publicaties achter de rug toen hij in 2015 debuteerde met Mijn begrafenis, en die in 2017 liet volgen met De zwerver (beiden bij Bries). Beide verhalen werden niet alleen gekenmerkt door een voornamelijk sober kleurenpalet en daar aan gekoppelde eenvoudige verhaallijn maar opvallend genoeg ook door weinig sympathieke personages. In Mijn begrafenis staat Arnon centraal, die tijdens zijn de dienst terugblikt op zijn bewogen, jonge leven en de vele oppervlakkige relaties die hij gehad heeft. De geboren en pathologische leugenaar lijkt naarmate het verhaal vordert echter vooral zichzelf voorgelogen te hebben en de gebeurtenissen door een eigen bril bekeken te hebben die steeds meer doorprikt wordt. Dat de lezer finaal toch nog enige sympathie voor hem op kan brengen, is een van De Saegers grote verdiensten.

Opvallend genoeg is het al moeilijker om sympathie te krijgen voor de hoofdpersonages in De Zwerver. Bij de start van het verhaal vinden vrijgezellen Hannes en Ines elkaar dankzij enige weinig subtiele machinaties van gemeenschappelijke vrienden maar hun aanvankelijk symbiotische relatie lijkt geen lang leven beschoren te zijn. Wederzijdse ergernissen en onhebbelijkheden leiden tot een onherroepelijke breuk tot een zwerver bij Ines intrekt. Die laatste mag aanvankelijk dan wel een baken van verlichting lijken, naarmate de tijd vordert, valt ook zijn masker af en roept Ines de hulp van Hannes in om de zwerver buiten te krijgen. Of dat laatste wel zo een goed idee was, moet nog blijken want Hannes verlangt nog steeds naar Ines. Het is indrukwekkend hoe De Saeger ook hier onverbiddelijk zijn personages in al hun kleinheid neerzet en niet voor een happy end maar een realistische uitkomst kiest.

Na deze twee eigen verhalen vormt De blinden een opmerkelijke breuk. Zo baadt het werk visueel meer in kleuren die ondanks hun kilte toch paradoxaal warm aanvoelen en heeft De Saeger ditmaal niet voor een eigen verhaal gekozen maar voor een adaptatie van het toneelstuk De blinden (Maurice Maeterlinck, 1890). Het werk van Maeterlinck resoneert ook nu nog door zijn specifieke insteek en kende enkele jaren geleden nog een bewerking door Josse De Pauw. Centraal staat een groep blinden die geleid door een priester door een bos trekken. Wanneer de priester plotseling verdwijnt/sterft, zijn ze aan hun lot overgelaten en krijgt de angst hen langzaam in hun greep. Het basisidee vormt de achtergrond waartegen vragen over existentie, leven en dood vorm krijgen en dat ook voor hedendaagse makers Gefündeness Fressen vormt.

In weerwil van zijn vorige verhalen kiest De Saeger bij zijn herwerking voor een veel opener einde en toont hij vooral via de banale dialogen de eigentijdsheid maar ook de eeuwigheidswaarde van het verhaal aan. De gids, hier Artuur geheten, is niet zozeer een priester als wel een oude, wat vreemde man die verloren idealen lijkt te vertegenwoordiger. De groep blinden is daarentegen net heel hedendaags, gefocust op het eigen leven en het hier en nu, voor wie de wandeling niet meer dan een uitstap is. Dat er ditmaal iets aan de hand is, wordt snel duidelijk gemaakt wanneer een van de deelnemers opmerkt dat Artuur in tegenstelling tot de vorige jaren/uitstappen wel heel zwijgzaam is. Wanneer hij de groep laat uitrusten op een open plek en zelf verdwijnt, komt de focus geheel bij hen te liggen. Aanvankelijk vormt dat geen probleem maar naarmate Artuur langer wegblijft, voelt iedereen zich steeds onzekerder worden.

De kracht van de bewerking ligt in de manier waarop De Saeger de groep blinden neerzet als alledaagse mensen die via banale gesprekken een soort band met elkaar proberen opbouwen, nog voor ze zich aan hun lot overgelaten weten. De verstandhouding tussen sommige is al wat beter dan met andere, en zoals in elke groep is ook hier een buitenstaander aanwezig die zich door zijn uitspraken van de groep vervreemdt. In het besef dat Artuur dood dan wel verdwenen is, ontstaat een nieuwe dynamiek ingegeven door angst en onzekerheid waarbij geen echte leidersfiguur opstaat maar de sympathieën wel verschuiven. In het besef dat nietsdoen geen optie is, waagt de groep zich finaal aan een tocht waarbij De Saeger via een bevreemdend einde in het midden laat of ze al dan niet gered zijn.

De manier waarop De Saeger het bronmateriaal naar zijn hand zet, is intrigerend, meer nog omdat hij hierbij ook afwijkt van zijn eigen stijl. Waar hij in zijn twee vorige werken sterk inzette op de taal laat hij die hier in belangrijke mate achterwege en kiest hij vaak voor uitgesproken illustraties. Daarbij wisselen een veelvoud van kleuren en summiere schetsen elkaar af zonder dat een van beide een breuk vormt met het andere. Het verleent aan De blinden een heel eigen dynamiek die de verlatenheid en angst, maar ook de nood aan de ander beter onderstreept dan een klassieke hertelling kan. Met dit derde werk eist De Saeger dan ook met recht en rede zijn plek op binnen de groep van eigenzinnige, getalenteerde Vlaamse illustratoren-verhalers.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − 7 =