Stefan Hertmans :: Wij waar geen eind aan komt

Afzonderlijke gedichten uit hun oorspronkelijke cycli halen, is dat vloeken in de kerk? Het debat is, wordt en zal worden gevoerd, kortom het is – zoals zoveel discussies – een kwestie van de sacraliteit van het kunstwerk, of eenvoudigweg van gustibus et coloribus. Zeker is echter dat dichters zelf lang niet altijd warm lopen voor het obligate knip- en plakwerk dat bij een nieuwe bloemlezing komt kijken. Een ideaal compromis is een collega de klus laten klaren. In casu: Peter Verhelst, sinds jaar en dag groot bewonderaar van Stefan Hertmans’ oeuvre.

Hertmans bewonderen is alleszins geen opgave. De man heeft schitterende essays, weergaloze romans en sprankelende dichtbundels op zijn naam staan. In elk van die aspecten blinkt de schrijver uit, en dus reeg Hertmans sinds medio jaren ’90 al talloze bekroningen aaneen. Niet “al zeventig”, maar “nog maar zeventig”: in ons taalgebied zijn er maar weinigen die op diens leeftijd kunnen bogen op een even impressionant palmares. Misschien nog meer bewonderenswaardig is bovendien dat de man zich gaandeweg niet heeft willen terugtrekken in zijn veilige schrijverscocon. Hertmans was de voorbije jaren niet alleen actief als universitair docent, hij schreef ook werk dat zich in het hart van het maatschappelijke debat nestelde. Denk maar aan Antigone in Molenbeek, over de zus van een zelfmoordterrorist. Voor Hertmans situeert kunst zich hoe dan ook niet buiten de samenleving, maar er middenin. Ook zijn recentste romans, waarin pijnlijke episodes uit de Europese geschiedenis worden verkend, getuigen van een diepe betrokkenheid bij de wereld vandaag. Hertmans schrijft kortom voor het hier en het nu – al is zijn werk ook voor de toekomst bestemd.

Wat dat laatste betreft, is Hertmans’ poëzie een enorm belangrijk aspect van zijn artisticiteit. Anekdotiek, nochtans de kapstok voor de persoonlijk getinte romans van het laatste decennium, is zijn poëzie vreemd. Hertmans behandelt quasi uitsluitend de grotere thema’s van het mens-zijn, met name verbondenheid en liefde, maar ook verwondering en existentiële geworpenheid. Daarvoor vertrekt hij echter niet vanuit een onwerelds vacuüm. Meer nog, het onmiddellijk zintuigelijke vormt niet zelden de aanleiding voor bezonken spinsels, waarin het afgietsel van de dagelijkse realiteit iets zegt over ons, over hoe wij ons tot elkaar verhouden, over relaties en de verwerkelijking dan wel vergeestelijking daarvan. Allicht is dat ook de reden waarom Peter Verhelst maar al te graag onderduikt in de poëzie van Hertmans: hartstocht wordt er haast tactiel, en ook de meeste huis-, tuin- en keukenscènes wasemen een bijwijlen ronkende sensualiteit uit, alsof het leven in zijn totaliteit baadt in een exotisch licht van betekenis. Nooit banaal, wel geschreven vanuit het geloof in de diepte van het alledaagse samenleven.

Het zintuigelijke, waar Verhelst in zijn eigen werk sinds jaar en dag bij zweert, komt misschien wel het meest tot uiting in Kaneelvingers, anno 2005 al Hertmans’ twaalfde bundel. Rondom die verzameling gedichten, waarin vingers en handen een prominente rol spelen en die niet toevallig al gedeeltelijk op muziek werd gezet, weeft Verhelst gedichten uit andere bundels, van het ongepubliceerd gebleven De kleine woordwoestijnen (1975 – 1980) tot Onder een koperen hemel (2018), vooralsnog Hertmans’ jongste. De diversiteit is kortom enorm, en toch slaagt Verhelst er wonderwel in tot een avontuurlijke en natuurlijk aanvoelende collage te komen, waarin vooral de beeldenrijkdom associatief op het gevoel inspeelt en een logische orde boetseert. Zo heeft de lezer nooit het gevoel dat er verdieping ontbreekt, dat thema’s onvoldoende worden uitgewerkt of dat de samensteller het te veel in hetzelfde vaarwater blijft zoeken. Wij waar geen eind aan komt zou als bundel op zichzelf kunnen staan – en absoluut een groot publiek verdienen, dat spreekt.

Wie Hertmans werk sinds het gebundelde Muziek voor de overtocht (Gedichten 1975 – 2005) intensief heeft gevolgd, zal uiteraard niet voor grote verrassingen komen te staan. Toch is het interessant dat zelfs de liefhebbers van het eerste uur uitgedaagd worden om gedichten opnieuw te leren lezen, begrijpen en ervaren. De betekenis van poëzie is immers nooit star, maar altijd aan organische evolutie onderhevig – althans, zo hoort het. Tot slot ontsluit deze wonderlijke bloemlezing een deel van Hertmans’ oeuvre waar nog steeds een te beperkt publiek de weg naar gevonden heeft. Missie geslaagd, kortom.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 + 4 =