Two-Lane Blacktop

‘RIP Monte Hellman. They don’t make studio movies like Two-Lane Blacktop anymore…’, schreef de Britse regisseur Edgar Wright onlangs op zijn Twitterpagina. Bijzonder veel lof voor een speelfilm die dit jaar zijn vijftigste verjaardag viert. Hoe komt het toch dat deze bijzonder eigenzinnige cultfilm na al die tijd de harten blijft beroeren? Een mogelijks antwoord ligt wellicht in het feit dat het nihilisme enerzijds en het overdreven hedonisme van de jeugd van vandaag anderzijds, onder invloed van de coronacrisis, bijzonder dicht aanleunt bij de thematiek van de rolprent.

In het begin van de jaren zeventig leken de Verenigde Staten op een vleesgeworden Jake LaMotta uit de film Raging Bull van Martin Scorsese. Een logge gigant die veel kwetsbaarder was dan hij liet uitschijnen. De Summer of Love is op dat moment een verre herinnering, Martin Luther King en Robert Kennedy zijn vermoord en culturele iconen als Janis Joplin en Jimi Hendrix stierven aan een overdosis. Veel dood en verderf op een bijzonder, korte tijd. De ‘peace and love’ van de hippie generatie blijken in de realiteit niet haalbaar of zelfs niet wensbaar te zijn. In juli 1971 komt Two-Lane Blacktop in de zalen, een film die geen soelaas biedt voor de existentiële crisis van de Amerikaanse jongeren, maar die wel het failliet van hun generatie op treffende wijze visualiseert.

We maken kennis met twee ronddolende mannen, Mechanic (Dennis Wilson) en Driver (James Taylor), die rondrijden in een opgevoerde Chevrolet uit ’55 op het asfalt van ruraal Amerika. Ze verdienen hun geld met illegale straatraces en spenderen dat vervolgens aan auto-onderdelen, benzine en voedsel. We kennen hun namen enkel uit de creditslijst, want in de film hebben ze geen voornaam, achternaam of zelfs bijnaam. Daardoor zijn het eerder abstracte archetypes dan echte personages van vlees en bloed. Op een dag zit The Girl (Laurie Bird) plotseling in hun auto en zonder omkijken vervolgen beide mannen hun weg. Tenslotte ontmoeten ze GTO, een aan lager wal geraakte vijftiger die niettemin in een blitse Pontiac GTO rondscheurt. Samen besluiten ze om de ultieme lange afstandsrace te houden. Net zoals Michelangelo Antonioni het tijdsgewricht perfect aanvoelde door twee echte hippies te casten in zijn Zabriskie Point (1970), zo slaagde ook Hellman erin om twee acteurs aan te trekken die het failliet van diezelfde hippiecultuur symboliseerden. De een was Dennis Wilson, medestichter van the Beach Boys, die in woelig vaarwater was terecht gekomen wegens zijn associatie met Charles Manson. De ander was Laurie Bird, een losgeslagen jonge vrouw die een geschiedenis van kinderverwaarlozing met zich meesleepte en die nog minderjarig was tijdens de opnames.

Monte Hellman bedient zich van een uiterst spaarzame, minimalistische stijl in Two-Lane Blacktop. Hij gebruikt vaak point of view shots die gefilmd zijn vanop de achterbank van de Chevrolet of van de Pontiac GTO zodat we als kijker de indruk krijgen dat we medepassagier zijn op de enigmatische reis van onze archetypes. Een reis die, volgens de spelregels van Mechanic, Driver en GTO, eindigt in Washington, maar die zo vaak wordt onderbroken door mechanische defecten, geldgebrek en andere besognes dat het doel stilaan abstract wordt en haast een spirituele dimensie krijgt. Mechanic en Driver wentelen zich tijdens hun reis zonder scrupules in het plezier dat ze halen uit de straatraces. Ze houden hierbij met niets of niemand rekening. In eerste instantie is dit bijzonder aantrekkelijk voor The Girl die geheel onverwacht opduikt in het leven van de twee mannen. Ze heeft geen zin in moeilijke vragen en nog minder zin om ze te beantwoorden. Toch sijpelen de existentiële twijfels van het getroebleerde ex-hippiemeisje door in de scène waarin ze aan de beide heren, na een zoveelste discussie over wisselstukken, vraagt wie van hen haar eens wil ‘nakijken’. Ook GTO is emotioneel openhartig met de jongelingen, maar wordt daar genadeloos voor afgestraft als ze hem meedelen dat het hen niets kan schelen. Niets heeft nog waarde, behalve de auto en de weg die afgelegd moet worden. Wie denkt dat Hellman het hedonisme van zijn hoofdpersonages zomaar laat passeren, heeft het echter mis. Hij geeft duidelijke kritiek op hun ‘alles kan en alles mag’ mentaliteit door hen te confronteren met de mogelijke gevolgen van hun onbezonnen gedrag. Zo passeren ze onderweg een ernstig auto-ongeluk dat aanleiding geeft tot een gesprek met de boer die de crash heeft overleefd. De man foetert hevig over het roekeloze rijgedrag op de baan. GTO moet ook even slikken als hij het verhaal aanhoort van een oma die nu voor haar kleindochter moet zorgen omdat de ouders genadeloos van de weg zijn gemaaid door een lichtzinnige straatracer. Deze scènes illustreren treffend dat er wel degelijk zeer reële consequenties kunnen gekoppeld worden aan het schijnbaar nihilistische karakter van deze hele onderneming.

Muziek komt in de film amper voor, op een paar opmerkelijke uitzonderingen na. Tijdens de lange rit horen we Moonlight Drive van The Doors op de radio. Dit nummer uit het album Strange Days onderstreept opnieuw het hedonisme van onze hoofdpersonages, maar hint in zijn laatste strofe ook naar dood en destructie. Als kijker beseffen we helaas veel eerder dan de hoofdrolspelers dat dit verhaal enkel kan eindigen met een ongemakkelijke finale. In een van de vele cafés waar de mannen stoppen, neuriet The Girl plots ‘I Can’t Get No Satisfaction van The Rolling Stones. Het opzwepende karakter van het nummer wordt hier echter ondermijnd door het emotieloze neuriën van The Girl. Voor haar is het een persoonlijk mantra, geen nummer om op uit de bol te gaan. De Amerikaanse Droom bestaat niet meer voor Mechanic, Driver en The Girl, voor GTO is hij vloeibaar geworden. Je kan het net als water in eender welke vorm gieten.  De hoop van de kijker om in GTO een echt personage te vinden, vervliegt snel omdat hij liegt tegen de sterren op. GTO past zijn levensverhaal, zijn ‘Amerikaanse droom’ aan naargelang het verhaal van zijn medepassagiers. Zijn kamerbrede glimlach en vlotte praatjes verbergen een zwaargekwetste man die ontgoocheld is in het leven.

Two-Lane Blacktop balt in de vroege jaren zeventig de frustraties en het ongenoegen van de jeugd samen in een nihilistisch portret van jongeren op de dool. Door archetypes te gebruiken, geeft Monte Hellman de kijker de kans om zich geheel of gedeeltelijk te identificeren met deze jongeren. Vijftig jaar later gaat de wereld opnieuw door een crisis die ook zwaar ingrijpt in het leven van jongeren die nog in volle ontwikkeling zijn. Het zijn compleet andere tijden dan de vroegere jaren 70, maar de emotionele omgang met een grote crisis verandert zelden of nooit. De een verliest zich, met gevaar voor lijf en leden, in hedonistisch plezier (Driver en Mechanic), de ander sluit zich op in zijn cocon en probeert aan zingeving te doen (The Girl). Tenslotte verbergen sommigen (GTO) zich achter een goedlachs masker dat een emotionele leegte moet verbergen. In 2012 werd de film opgenomen in The United States National Film Registry voor zijn culturele, historische en esthetische waarde. In 2021 worden we met het overlijden van Monte Hellman terug met de neus op de feiten gedrukt waarom dat zo is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − 12 =