Bernard Dewulf :: Tuimelingen – Over leven, kunst en kijken

Zoals Bernard Dewulf als dagelijks ritueel de krant doorbladert, zo houdt ook ondergetekende er een wekelijkse gewoonte op na. Na het ontwaken, obligaat uitrekken en -strekken om finaal te kunnen opstaan, is het ’s zaterdags de beurt aan de weekendbijlage van De Standaard, waarin de auteur van Tuimelingen steevast zijn opwachting maakt. Kwestie van de week met poëtische bespiegelingen stilaan af te ronden – een beminnelijk orgelpunt na de hectische fuga van alweer een week arbeid.

Kijken? Dewulf heeft er zijn beroep van gemaakt. Bijlichtingen, Naderingen, Verstrooiingen en Toewijdingen: in al die boeken neemt de voormalige Antwerpse stadsdichter kunst onder de loep. Zijn blik is niet zozeer analytisch gekleurd, en al helemaal niet academisch. Dewulf begluurt immers vanuit zijn eigen wezen, kortom zijn achtergrond, zijn context, zijn taal, het gluurt allemaal mee. Dat levert erg persoonlijke mijmeringen op, observaties die door hun particuliere karakter nooit belerend aandoen, wel integendeel. Het liefst van al deelt Dewulf de ontroering die hij zelf voelt bij beelden die hem op de een of de andere manier ‘overkomen’. De individuele insteek is bij uitstek een handelsmerk van de schrijver, die overigens ook in de poëzie zijn sporen verdiend heeft. Dat kan niemand ontgaan, want wat Dewulf ook neerpent, altijd is er aandacht voor de manier waarop zinnen zich op papier ontvouwen. Meervoudige betekenissen, tegenstellingen, opsommingen: Dewulf maakt van het Nederlands zijn Nederlands, en wat graag laat hij onze taal ronken, spinnen, en zo hier en daar zelfs tuimelen.

Grote romans heeft Dewulf tot dusver niet geambieerd. Kleine dagen, zijn doorbraak bij het grote publiek, bestaat uit min noch meer dan aandoenlijke meditaties bij het dagelijkse leven. Het banale verandert via zijn woordenschat in dromerig proza, het meest gewone verwordt tot een sieraad. Is net dat niet de gave van grote kunstenaars? Juist, het zijn vaak schilders die Dewulf anders hebben doen kijken naar wat de mens dagelijks omringt, zoals kinderen, vrouwen, de manier waarop het licht invalt. Soms bezingt hij hun etherische schoonheid als een naïef lyricus, zij het onbeschroomd. In de eenvoud, het vermogen om het profane volslagen onbevangen te ervaren, schuilt immers een sleutel tot geluk, zo leert bij benadering Dewulfs volledige oeuvre. Toch houdt de schrijver niet op bij het observeren, want het zien maakt in hem allerhande associaties wakker. Uitweidingen over beeldende kunst, over liefde en lust, over het verborgene en het mystieke: geen onderwerp is veilig eenmaal Dewulf zich aan het peinzen zet.

Dat Dewulf boeken blijft publiceren over zijn eigengereide manier van kijken, bekijken en herbekijken, zegt genoeg. In menig nieuw catalogus duikt een essay van de man op, kortom de man is en blijft een vaste waarde binnen het Vlaamse kunstcircuit. Toch is hij geen goeroe, niet iemand die zich voor de kar van de eerste de beste modernistische eendagsvlieg laat spannen. Zijn adoratie is nooit blind, maar weloverwogen, oprecht, en soms niet vrij van twijfel. Denk bijvoorbeeld aan zijn essay over Agnes Martin, een soort hippie met wiens biografie Dewulf zowel heult als worstelt. Net die authenticiteit maakt de schrijver tot een denker en ziener om te koesteren: de lezer kan er van uitgaan dat een stuk over een kunstenaar niet een zoveelste ode wordt, maar ook kritisch kan zijn. Zij het dat Dewulf nooit zonder liefde en mededogen schrijft – ver weg dus van het gebruikelijke gewoel waarmee critici zich in traditionele media proberen te profileren.

Tuimelingen valt uiteen in drie delen. Doorheen het eerste luik, Leven, zijn de bijdrages filosofisch getint, met wisselend resultaat. De ideeën zijn compact, maar Dewulf durft zich wel eens overleveren aan barokke taal die helderheid of ritme in de weg staat. Deel twee, Kunst, bevat dan weer de mooiste bijdrages. Wat Dewulf over Pierre Bonnard, Hugo Claus, George Grard en nog enkele anderen opmerkt, is raak – een literaire oogopslag die reikt tot diep in de kern van hun werk. Kroniek van een kijken, het laatste deel, is tot slot spelenderwijs opgevat. De auteur koppelt beelden uit de actualiteit aan kunstwerken, waardoor de visie op het nieuws transformeert. Soms is de gedachtesprong wel erg associatief, elders onverwacht juist, heel vaak echter spitsvondig en gevoelsmatig raak. In deze contemplaties voegt Dewulf overigens een morele dimensie toe, wat de leeservaring absoluut verrijkt.

Weinig tot niets aan deze bundel zullen liefhebbers van Dewulfs werk als verrassend beleven, en toch is quasi alles wonderbaarlijk. Een zoveelste kleinood dus, van een schrijver wiens bron van verwondering nimmer lijkt op te drogen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 + tien =