Michel de Montaigne :: Essays

Met de renaissance diende zich een breuk aan met de middeleeuwen. Niet langer werd voortgeborduurd op het denken van de oudheid maar werden de klassieken zelf opnieuw van onder het stof gehaald en ontdaan van alle ‘verbasteringen’. Door de opkomst van het humanisme werd het katholieke geloof kritisch herbekeken en durfden satirici en critici al dan niet anoniem hun kritiek te uiten op de maatschappij. Geholpen door de boekdrukkunst vonden hun geschriften een steeds groter publiek en wisten hun teksten blijvend een stempel te drukken.

Kritische stemmen als Thomas More en zijn vriend Desiderius Erasmus gaven in respectievelijk Utopia en Lof der Zotheid hun mening over onder meer vorst en staat, zonder een van beide als instituut af te vallen, terwijl François Rabelais’ Gargantua en Pantagruel een spottende afrekening was met onder meer het universitaire leven en het tanend scholastisch denken dat er heerste. Miguel de Cervantes’ Don Quichot van La Mancha geldt misschien wel als de eerste moderne roman terwijl William Shakespeare (en Philip Marlowe) het theater voorgoed veranderden. Met Niccolò Machiavelli trad het moderne denken over macht naar voor, diens Il Principi (De Vorst of De Heerser) getuigde van een ongehoord ‘parler-vrai’, terwijl Michel Eyquem de Montaigne (1533-1592) met zijn Essais (Essays) een openhartigheid en twijfel toonde die ongekend leek.

Montaigne wordt wel eens als de bedenker van de column en het essay beschouwd en dat hoeft niet eens als een overdrijving gezien te worden. Geboren in een adellijke familie werd hij tijdens zijn eerste levensjaren opgevoed door een min (wat gebruikelijk was) die in een arm dorp woonde en dit volgens Montaigne zelf omdat zijn vader van mening was dat zijn zoon ook ‘de nederigste der mensen’ diende te leren kennen om zich ‘aan hen te binden en te verplichten’. Nadat hij op driejarige leeftijd terugkeerde naar het ouderlijke huis, werd hij opgevoed door een (Fransonkundige) Duitse huisleraar die hem (net als de andere huisgenoten) louter in het Latijn aansprak en hem zo de taal aanleerde. Als zesjarige trok hij naar het college van Guyenne waar hij verder opgeleid werd (en een afkeer van dogmatisch en rigide denken kreeg) alvorens hij rechten ging studeren in Bourdeaux.

Op 21-jarige leeftijd startte hij zijn politieke carrière als rechter en nam hij deel aan de eerste processen tegen de Hugenoten. In deze periode (1558) raakt hij ook bevriend met Étienne de La Boétie, de boezemvriend die het onderwerp vormt van “Over de vriendschap” en die na zijn vroege dood in 1563 een duizendtal klassieke werken aan Montaigne zou overlaten, werken die mee de basis zouden vormen van de Essays. Vooraleer het zover is, leert Montaigne in 1562 zijn vrouw kennen aan het hof van de Franse koning (over zijn huwelijk spreekt hij nauwelijks) en bouwt hij verder aan zijn politieke en rechterlijke carrière. Bij de dood van zijn vader in 1568 wordt hij de nieuwe kasteelheer en verwerft hij financiële vrijheid. Het geeft hem de mogelijkheid zijn politieke en rechterlijke ambten neer te leggen op een moment dat de heksenprocessen toenemen, processen waartegen hij zelf om velerlei redenen gekant is maar niet kan verhinderen.

Niet langer gebonden aan verplichtingen vindt hij in 1571 de tijd om de `klassieken` die hij van de la Boétie erfde, te lezen zonder meteen het plan op te vatten zelf zijn gedachten neer te schrijven. Dat zal een jaar later gebeuren waarna de Essays of beter de eerste twee boeken ervan in 1580 verschijnen. Bij het schrijven liet Montaigne zich leiden door een eenvoudige vraag “Que scay-je?” (Wat weet ik?), een bedenking die in het tweede boek naar voor komt in het enige echt lange essay (ruim tweehonderd pagina’s) “Pleidooi voor Raymond Sebond”, dat geheel conform Montaignes stijl verschillende richtingen uitgaat en zichzelf wel eens durft te contrasteren. Het is dan ook een van de meest opvallende kenmerken van Montaignes essays: tegenspraak, niet alleen tussen de verschillende teksten maar soms ook in de teksten zelf. De reden hiervoor ligt enerzijds in het feit dat hij geen enkele visie als vaststaand aanneemt en anderzijds in het feit dat hij zijn hele werk als een dialoog opvat.

Zijn vele reizen, om gezondheidsredenen, en de vele gesprekken (ook met andersdenkenden) die hij daarbij heeft, geven zijn visie mee vorm. Het is dan ook niet zo vreemd dat hij zijn leven lang blijft schaven aan zijn boek, al is het wel opvallend dat hij oudere stellingen niet schrapt of corrigeert, maar aanvult. De reden hiervoor is zoals hij zelf stelt dat een idee of visie die iemand later in het leven ontwikkelt niet beter of correcter is dan een oudere visie. Een gesprek blijft doorgaan zolang er een gesprekspartner is. Die partners zijn voor Montaigne overigens niet alleen de klassieken die hij (veelvuldig) aanhaalt en overweegt, maar ook zijn lezers en hijzelf. Montaignes Essays lezen dan ook als zijn gedachten vooraleer ze hun definitieve vorm gekregen hebben, het zijn overwegingen die nog niet uitgeklaard zijn waardoor pro en contra samen gaan en twijfel vaak de essentie van de teksten vormt.

Wanneer in 1588 een nieuwe versie van zijn Essays verschijnt, zijn deze toevoegingen duidelijk aanwezig, maar er is ook een derde boek aan toegevoegd dat meer nog dan de eerste twee een eigen stem laat horen. Dit herwerken en herdenken, alsook het derde boek, leidde vroegere onderzoekers ertoe te besluiten dat Montaigne doorheen zijn leven verschillende filosofische denkstromingen aanhing (in het bijzonder het stoïcisme, epicurisme en pyrronisme, een sceptische stroming uit de Griekse filosofie). Tegenwoordig is men echter steeds meer van mening dat Montaigne zich altijd al ideeën uit de verschillende denkstromingen eigen maakte, wat ook verklaart waarom hij binnen Essays zichzelf geregeld lijkt tegen te spreken. Zijn werk beschouwde hij nooit als af, tot aan zijn dood in 1592 zou hij bij zijn eigen exemplaar nog verdere aantekeningen toevoegen.

De persoonlijke aanpak en het feit dat Montaigne vaak zichzelf als uitgangspunt nam, zorgde voor zowel wrevel als enthousiasme bij zijn lezers. Pascal bijvoorbeeld ergerde zich aan het centraal stellen van het ‘ik’, waar Voltaire net de manier roemde waarop Montaigne temidden van een godsdienstoorlog de rede en de dialoog bleef koesteren. Luthers stem luidde immers steeds luider, wat in 1572 leidde tot de befaamde Bartholomeusnacht waarbij 20.000 Hugenoten (Franse protestanten) vermoord werden. Voor de humanist Montaigne vormde dit een van de zwarte bladzijden uit de geschiedenis (hij sprak zich ook uit tegen folteringen en koloniale wreedheden). Voltaire lijkt overigens gelijk gekregen te hebben want de manier waarop Montaigne vanuit zichzelf vertrekt en nooit tot een definitieve theorie komt maar de twijfel laat heersen, voelt opvallend modern aan. Een gevoel dat nog versterkt wordt door de ‘spreektaal’ die hij hanteert en zo de uitnodiging tot dialoog versterkt.

Met ruim 1400 pagina`s en een honderdtal uiteenlopende thema’s (sommige slechts enkele pagina’s lang, andere enkele tientallen of meer) vormt Essays geen werk dat zich in enkele lange leessessies laat uitlezen. Het boek is ook niet als dusdanig opgevat of bedoeld. Het is veeleer aangewezen nu en dan een of meerdere lemma’s te lezen en rustig te laten bezinken alvorens het werk opnieuw ter hand te nemen. De veelvuldige citaten en verwijzingen naar gebeurtenissen en figuren uit de oudheid of Montaignes eigen tijd vormen daarbij overigens geen beletsel. Hans Van Pinxteren die voor de vertaling instond, zorgt waar nodig voor de nodige toelichtingen waardoor Montaignes werk nog steeds even helder en duidelijk is als bij zijn verschijnen vierhonderdvijftig jaar geleden en de dialoog nog niet beëindigd is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 1 =