Colson Whitehead :: De jongens van Nickel

Colson Whitehead? In Europa was hij even onbekend als onbemind, tot hij in 2016 met de National Book Award en een jaar nadien met de Pulitzer Prize aan de haal ging. Sinds het baanbrekende The Underground Railroad wordt de man wereldwijd gezien als een van de meest eminente vertolkers van raciale thema’s en meer specifiek Afro-Amerikaanse onderdrukking, een heikel punt dat de Verenigde Staten sinds de eeuwwisseling opnieuw meer is gaan beroeren dan voorheen.

Films als Selma, If Beale Street Could Talk en 12 Years a Slave waren decennialang onmogelijk in Hollywood, maar inmiddels zijn de tijden gelukkig veranderd. Ook voor Whitehead, wiens The Underground Railroad door niemand minder dan Barry Jenkins (bekroond voor onder andere Moonlight) naar het witte doek wordt getransponeerd, zit er dit jaar een verfilming aan te komen. Aan de ontvankelijkheid van cinemareuzen ten opzichte van antiracistische thema’s heeft hij als schrijver hoe dan ook een bijdrage geleverd. Mede onder impuls van literatuur en cinema komt een generatie die nog altijd de littekens draagt van haatcampagnes en vernederingsoperaties eindelijk tot spreken. Als het al tot spreken komt – hoeveel vrijwel onmogelijk onder woorden te brengen leed is immers aan de vergankelijkheid ten prooi?

De grootste verdienste van De jongens van Nickel, de opvolger van De ondergrondse spoorweg, is dat Whitehead historische feiten die nooit vergeten mogen rake in een literaire context oprakelt. Hoewel het verhaal gefictionaliseerd is, heeft de tuchtschool waarrond de plot is opgebouwd echt bestaan, zij het onder een andere naam dan Nickel. De martelingen en het angstregime die er dagdagelijkse kost uitmaakten voor honderden kwetsbare jongeren, berusten evenwel op niets dan de waarheid. En evident is dat een herhaling van dergelijke wanpraktijken alleen door het verleden te kennen en onder ogen te komen vermeden kan worden.

De vraag of horrorverhalen zoals Whitehead er een heeft afgeleverd noodzakelijk zijn voor het huidige tijdperk, moet alleszins volmondig bevestigend worden beantwoord. In het land waar Trump de plak zwaait, weerklinkt de schreeuw om meer ‘volbloed Amerikaans’ en dus meer segregatie wederom luider dan tevoren. De gevaren daarvan zijn niet te onderschatten, en vooral aan het slot van de roman verwijst Whitehead naar de lange traditie van raciale terreur waar de plegers blindelings op doorbomen. Geloven dat rassenkwesties als smeulende vuurtjes langzaam zullen uitdoven, is onzinnig: ze moeten met hart en ziel bestreden worden, en daarvoor zijn rationele elementen een zwaktebod. De verhalen van diegenen die de smet van de kleineringen en de continue dreiging nooit van zich hebben kunnen afwerpen, vormen gelukkig een des te krachtiger appel. Alleen al daarom verdient dit boek heel wat aandacht, nog los van de kwaliteiten waar Whitehead als romancier over beschikt.

Eerlijk is eerlijk: het opzet van De ondergrondse spoorweg was avontuurlijker dan dat van De jongens van Nickel, dat eerder als onontkoombaar straffe vertelling op de lezer in hakt. Het boek is duidelijk plotgedreven, secuur opgebouwd rondom een middendeel waarin gruwelijke scènes afgewisseld worden met het intieme portret van broze vriendschappen. De hele getuigenis ademt echter de angst om aangepakt te worden, beschimpt of zelfs gedood, waartegenover de protagonist de ideeën van Martin Luther King plaatst, die predikte dat het vermogen tot lijden uiteindelijk in een overwinning van liefde en rechtvaardigheid zou uitmonden. Wie gaandeweg gaat geloven (of minstens hopen) dat de roman die these op de een of de andere manier zal bevestigen, is er echter aan voor de moeite. Integendeel laat Whitehead indringend zien dat niemand zich ooit kan losscheuren na integraal beschadigd te zijn.

Door mensen hun menselijkheid af te pakken, worden ze weerloos, verliezen ze hun talent voor het leven, raken zo sociaal niet meer verankerd, is elk basaal vertrouwen ver heen. In het verlengde daarvan doet dit boek denken aan de huiveringwekkende getuigenissen van wat de nazi’s in Auschwitz-Birkenau hebben aan- en uitgericht: als het geloof in de eigen humaniteit en de waardigheid is vernield, wat valt er dan nog van een leven te maken? Toch is De jongens van Nickel geen depressieve roman. Whitehead formuleert de hoop op gerechtigheid, door de onmondigen via de kunst een stem te proberen geven. Dit boek is er weliswaar geen van grote vormelijke ingrepen, geniale metaforen of dieptepsychologie die de lezer van de sokken blaast, maar wel is het een onweerstaanbare rollercoaster, een doordringend relaas dat geen bladzijde aan zichzelf twijfelt, kortom nergens vrijblijvend aandoet.

Niet meer onbekend en al helemaal niet meer onbemind: Whitehead wordt tegenwoordig met recht en reden ook vanuit Europa gretig vertaald en verbeten gelezen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + 8 =