Charlotte Van den Broeck :: Waagstukken

De Herman de Coninck Debuutprijs en de Paul Snoekprijs: jury’s noch publiek bleken immuun voor de innemende toon en de verbeeldingskracht van de eerste twee dichtbundels van Charlotte Van den Broeck. Ook Waagstukken, het eerste proza van de Kempische twintiger, kan ondertussen op de nodige belangstelling rekenen. Zo was het boek nog geen twee maanden verschenen, of de zesde druk bij De Arbeiderspers was al een feit. Het resultaat van een slimme marketingcampagne, of het bewijs van een unieke stem binnen de Vlaamse letteren? Geen twijfel mogelijk: Van den Broeck bereikt met de dertien essays die dit boek rijk is een onberispelijke kwaliteit en een ontroerende eigenzinnigheid. De term ‘uitzonderlijk’ is kortom wel degelijk op zijn plaats.

Voor Waagstukken reist Van den Broeck dertien onfortuinlijke architecten achterna. Het verhaal gaat dat ze zich allemaal van het leven beroofden omwille van een mislukt bouwsel. Cynici denken onmiddellijk: een excentriek uitgangspunt, allicht te sensationeel om serieuze literatuur op te leveren. Niets blijkt echter minder waar. Van den Broeck neemt het immers niet te nauw met de thematiek waarvoor ze onder meer Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Malta, Schotland en de Verenigde Staten aandeed. Sommige bouwmeesters blijken immers helemaal niet gestorven te zijn voor of door een of ander fataal project. Sommigen blijken ingehaald door mythische anekdotiek, door vertelsels die hebben bijgedragen aan het enigma van wat ze hebben gecreëerd. In Waagstukken ontrafelt Van den Broeck dergelijke verzinsels in een objectieve, documentaire stijl, die door de bloemrijke blik van de schrijfster nog steeds aanstekelijk leest. Het is non-fictie op zijn best: bondig en feitelijk, maar met een grote taalgevoeligheid op papier gezet.

Aan die literaire sensitiviteit verbindt Van den Broeck een volledige emotionele wereld, met name die van haar eigen denken, haar persoonlijke verhouding tot de ogenschijnlijk bizarre queeste. Nochtans is de motor voor haar onderzoek duidelijk: als een geflopt architect zijn falen met de dood moet betalen, geldt dat dan niet ook voor andere kunstenaars? Of meer concreet: kan en mag Van den Broeck als zelfverklaard artiest mislukken? En zou de abortus van het ‘ik’ als schrijfster betekenen dat er helemaal niets meer overblijft om voor te leven? Parallel met de verhalen van de architecten ontspint zich doorheen het boek dus het narratief van Van den Broeck zelf: een getalenteerd, kwetsbaar, melancholiek en mijmerend individu dat langzaam maar zeker auteur wordt, door aan al het andere te verzaken. Want de monomane fixatie op het woord is geen keuze noch een romantisch stijlfiguur, maar een innerlijke noodzaak: het woord moet zijn, het is een vorm van zelfverwerkelijking waarbij haar hele figuur staat of valt – niet langer een veilig beroep, geen vervang- of inwisselbaar persona.

Niet toevallig spookt de dood doorheen de dertien essays. Nee, niet enkel die van de architecten, wel als iets alomtegenwoordig, een existentiële angst die Van den Broeck alleen met taal kan bezweren. Wat dat betreft is de laatste passus, waarin de auteur een bijna doodervaring fingeert, van grote betekenis: het verzinsel zelf is tegelijk levensgevaarlijk en bevrijdend. Naast dit zeg maar ‘dichterlijke’ element bevatten de essays trouwens ook meer abstracte intermezzi, waarin Van den Broeck het heeft over het statuut en de betekenis van het kijken, over de relatie tussen maker en werk, over de verhouding tussen ideaal en realiteit, enzovoort. Hiervoor put ze uit eigen ervaringen, hoewel de meer beschouwelijke meditaties – los van het verleden en de leefwereld van de auteur – de meest indringende zijn.

Als Waagstukken al een tekort heeft, dan bestaat dat uit Van den Broecks neiging om in haar eigen verleden te graven, waarvoor de auteur slechts kan terugvallen op ocharme twee decennia herinneringen. Hoewel de schrijfster met stilistisch ornament en een smakelijk vocabularium dialogen met kameraden of ervaringen van vroeger opdiept, zijn dit de minst prikkelende onderdelen van de essays. Ze zijn echter noodzakelijk om naast de portretten van de architecten een beeld van de schrijfster te kunnen plaatsen, en net die confrontatie van gefaalde architecten met een literair bouwsel in volle opbouw – alle onzekerheden, twijfel en offers die dat met zich meebrengt incluis – maakt van Waagstukken een bijzondere leeservaring.

Enig in zijn soort, dichterlijk van kaliber, hartroerend qua teneur: Van den Broeck heeft nog groeipotentieel, maar is nu al een prima inter pares.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + negen =