Johnny Marr :: Call The Comet

Dertig jaar heeft Johnny Marr nodig gehad, maar met zijn derde plaat staat hij eindelijk stevig op eigen benen. Call The Comet laat een man horen die niet langer bang is voor de lange slagschaduw van zijn verleden, en die ook iets te vertellen heeft.

“Nolite te bastardes carborundorum”. Dat potjeslatijn loopt als een rode draad door het straffe en ongemakkelijke The Handmaid’s Tale. “Don’t let the bastards grind you down” is ook de boodschap die Johnny Marr hoog in het vaandel draagt op Call The Comet. Niet alleen in akelige televisiedystopieën is het immers ellende troef. De voormalige Smiths-gitarist is echter niet van de defaitistische soort; we moeten terugvechten, en ons niet laten doen. Want als alleen maar klootzakken het hoge woord nog mogen voeren, blijven we enkel over met een zot geworden Mozz.

Een gedachtenexperiment dus: wat als we in een betere wereld zouden leven? Met dat idee speelt Marr op deze plaat, en als het resultaat ook maar een beetje zo leuk is als het klinkt, dan vragen we meteen ons visum aan. Marr is op Call The Comets in bloedvorm, misschien wel op zijn sterkst sinds hij in 1987 besloot dat het genoeg was geweest met dat bandje dat hij ooit met ene Stephen Patrick was begonnen.

Eindelijk mag die Rickenbacker dus weer rinkelen. Na jaren in dienst van anderen is Marr dan toch gestopt met weglopen van zijn verleden en speelt hij opnieuw schaamteloos de gitaarheld die hij altijd al was. De honger waarmee dat is gebeurd, is meteen hoorbaar. Al van bij opener “Rise” klinkt hij urgent en gepassioneerd. “Hi Hello” had ooit in de handen van voornoemde Morrissey kunnen belanden, al had zelfs hij de opzichtige knipoog richting Patti Smiths “Dancing Barefoot” misschien een beetje té gevonden. Té? Ach, je kunt La Smith niet genoeg eren. En laten we vooral ook die echo’s van “There Is A Light That Never Goes Out” niet negeren.

Call The Comets is dus een feest van herkenning. “The Tracers” heeft een baslijn van het soort waarmee Andy Rourke ook het beste van The Smiths voortstuwde en “Day In Day Out” heeft een vage zweem “Hand In Glove” in zich. “Spiral Cities” dan weer, doet gek genoeg denken aan Simple Minds’ “Someone Somewhere (In Summertime)”. Allemaal niet erg, het klinkt natuurlijker dan buitenbeentje “New Dominion” dat met zijn elektronische backing track vooral heel erg opzichtig “vernieuwend” probeert te zijn.

Goed nieuws allemaal, maar toch voelt Call The Comets met zijn uur aan als een zware brok. Songs blijven langer duren dan ze welkom zijn. Zeker “Walk Into The Sea” – nochtans weer een heerlijke, deze keer postrock-achtige, gitaar – dreint langer door dan een mens nodig heeft en ook “Bug” heeft niet gek veel meer te melden. Het helpt daarbij niet dat Marr geen begeesterende verteller is, en je al lang niet meer op de teksten aan het letten bent. Hell, de man is eloquenter als hij zijn gitaar laat spreken. Daar sta je dan met je conceptplaat-achtige verhaal.

Niet geslaagd over de hele lijn, toch een comeback die al te welkom is. Hoe meer Morrissey de nuttige idioot van rechts wordt, hoe meer het aan Marr is om de erfenis van The Smiths te bewaken. Call The Comet is een laat bewijs dat hij veel sneller zijn eigen stem had moeten laten weerklinken.

Johnny Marr speelt op 7 december in Trix in Antwerpen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + drie =