Dikeman / Parker / Drake :: 17 september 2017, Parazzar

De Brugse Parazzar had er al een goed jaar op zitten, met prachtconcerten van o.m. het James Brandon Lewis Trio (dé verrassing van het voorjaar) en het trio Ab Baars, Ig Henneman en Oscar-jan Hoogland. Met de komst van dit drietal hadden we gerust naar de bookmaker kunnen trekken en zeggen dat het weer van dat ging zijn, want zo geschiedde.

Op 5 mei 2014 werd er een punt gezet achter het driejarige bestaan van de Gentse keet La Resistenza door dit trio, terwijl ze goed twee jaar geleden, op 8 september 2015, in het SMAK stonden om de release van het concertalbum te vieren. Intussen zijn ze bezig aan een nieuwe Europese tour, die vermoedelijk opnieuw zal uitdraaien op een kleine triomftocht. Parker en Drake vormen immers al jarenlang het gedroomde tweespan voor elke rietblazer die de ballen heeft om de twee aan zijn zijde te dulden. De bassist en de drummers zijn virtuozen die staan te spelen met zo’n verbazende souplesse, instrumentbeheersing en diepgang dat ze individueel al zouden imponeren. Laat ze vervolgens samen spelen, en het resultaat is iets dat je enkel kan omschrijven als puur meesterschap.

Een paar jaar geleden was het misschien nog wat verrassend dat de nog jonge tenorsaxofonist die kanonnen zo ver kreeg dat ze samen met hem het podium op kropen, maar intussen is wel duidelijk waarom de twee destijds te porren waren voor dit avontuur. Dikeman is een van de meest gretige en bevlogen saxofonisten van zijn generatie. Een echter vuurspuwer, soms ook een geweldenaar, maar dan wel eentje van de soort die er steeds beter in slaagt om energie en bevlogenheid een soulvolle, verhalende kracht mee te geven. En net als de andere zwaargewichten waar zijn kompanen mee speelden – denk aan Charles Gayle, Peter Brötzmann, David S. Ware, Oliver Lake, etc – is ook Dikeman een saxofonist die naar nog grotere hoogtes gestuwd wordt door die ritmesectie, al is het maar omdat ze ’t hem niet altijd makkelijk maken.

In de eerste set was van een comfortabel zeteltje voorzien geen sprake. Parker was door basproblemen noodgedwongen overgeschakeld op een gimbri, een luit-achtig instrument dat vooral in de Noord-Afrikaanse muziek opduikt. Dat gebruikte hij om veelal eenvoudige motieven op te spelen, die helaas onvoldoende versterkt waren om goed te horen. Groot was soms het contrast met het spel van Drake, want die bleek de ongedurigheid zelf, door voortdurend in beweging te blijven, zelden langer dan een paar tellen te blijven hangen in een vast ritme of herkenbare maatsoort. Tegelijkertijd is het een drummer die zelfs in z’n meest abstracte zijstappen die dansende, pulserende schwung in de muziek houdt. Drake is bij uitstek een muzikant die anderen kan doen schitteren. Het was eerder dit jaar nog zo met Fred Van Hove en nu ook voldoende om Dikeman te inspireren tot onvermoeibaar soleren, soms met melodieën, of flarden, die zo weggeplukt leken van de Ethiopiques-reeks, maar natuurlijk ook met het vuur dat rechtstreeks overgewaaid kwam van bij zijn predikend voorbeeld, Charles Gayle.

De eerste set was een lange beweging waarvoor het de oren spitsen was. Van toegevingen of makkelijk in het gehoor liggende passages was immers geen sprake. Dikeman gierde, scheurde en toeterde erop los, boog heftig voor- en achterover als een hysterisch knipmes, liet de noten soms aan een verschroeiende tempo ontsnappen aan de saxbeker en hengelde nergens naar goedkope scoormomenten of al te makkelijke climaxen. Het was een bevlogen set, écht vrije en vaak tumultueuze jazz die je meenam op een reisje richting einder. Op zich al behoorlijk indrukwekkend, maar het zou allemaal misschien nog straffer worden in de tweede set. Hier speelden de drie – nu met Parker toch op bas – maar liefst zeventig minuten, weliswaar in een drietal bewegingen. Het ging aanvankelijk iets ingetogener van start, met Dikeman die voor het eerst een aantal extended techniques ging verkennen en hier en daar uitpakte met serene, langere lijnen die heel even herinnerden aan Drake’s vroegere mentor, wijlen Fred Anderson. Ook nu werd het weer vakkundig aan de kook gebracht. De Afrikaans getinte ritmes doken opnieuw op, net als reggae-toetsen in het spel van Drake, en deze keer werd langer stilgestaan bij repetitieve, onweerstaanbare ritmes, waarop de saxofonist lekker loos kon gaan met bluesy honks & screams.

Dit was nog altijd vrij, maar met een meer directe (en dus toegankelijke) stuwing, structuur en pompende ritmes, waarbij het samenspel van de ritmesectie verblufte. Parker schudde de meest soulvolle, funky lijnen uit die bas, terwijl Drake er speels omheen wentelde, genereus fills, stops, versnellingen rondstrooiend zonder de groove uit het oog te verliezen. Hier kreeg Dikeman wel een en ander aangeboden op een presenteerblaadje, waardoor hij de extase van de ongebreidelde stream-of-consciousness achterwege liet voor een meer ingetogen, rechtlijnige en diep in de jazz gewortelde aanpak. En dan greep Drake naar de frame drum en de goede verstaander weet dan dat er potentieel magie aankomt, want een zingende Drake, die legt elk publiek het zwijgen op. De spiritualiteitsmeter knalde in het rood, zeker in combinatie met het fluitspel van Parker. Toen Dikeman inviel zou je ‘m eerst het zwijgen willen opleggen, zo mooi was die duo-passage immers, maar de jongeling werd gesprekspartner zonder bruuskeren en zorgde voor een al even fraaie combinatie van lyriek en soul.

Het concert werd zo ongeveer wat je ervan verwacht. Of toch het niveau. In het geval van de gemiddelde improvisator zijn ingeloste verwachtingen doorgaans niet zo’n goed teken, maar de lat werd door deze kleppers intussen zo hoog gelegd, dat het pure verwennerij begint te worden. Goede muzikanten spelen muziek, de meesters spelen met muziek. Dit hoorde nog maar eens thuis in die laatste categorie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 1 =