PUKKELPOP 2017 :: Festivallen in een tijd van Slaapwandelen

Als Pukkelpop een radio is, dan één waar de FM-band zo compact is dat je bij de minste draai van de knop een station verder zit, ruis al dan niet incluis. Uw dienaren — altijd in voor een klein experiment — namen het heft in handen, en zochten en zochten. Tot ze even konden stilstaan bij iets dat de moeite waard leek. Verslag van een bende zapverslaafde concertgangers? Hierzo!

Dag Eén :: Liefdesverklaring in multicolor

Eden, was dat niet dat ninetiesgroepje met Roos Van Acker? Nee, deze Eden — 19 en Iers — heeft meer gemeen met de oudste Hazard: jonger, actiever, populairder en euh, mannelijker. Zijn r&b-infused drum ‘n bass die graag neigt naar meer mainstream pop heeft duidelijk aantrek bij het veelal vrouwelijke tienervolkje. We snappen het ergens wel, met wat goede wil: covers als “Billy Jean” (gevoeliger) en “Hey Ya” (gewoon trager) doen ons wel de oren spitsen. Verder zijn er vooralsnog geen brokken gemaakt op Pukkelpop 2017.

Dankzij onze bedenkelijke aandacht voor Eden zijn we wel te laat voor Donnie in de Dance Hall. Ja, nu gaan we nooit weten of hij al dan niet out of his element was met zijn Amsterdamse hiphop, en of hij die turtleneck and chains rockte zoals op zijn promofoto. Helaas! Ook helaas voor wie zich onderwijl vergiste van podium door gelijkklinkende en op hetzelfde moment geprogrammeerde acts Mickey en Mykki Blanco door elkaar te haspelen. Kan gebeuren! Volgende keer meer geluk?

Met Girls In Hawaii wist Pukkelpop alvast de misschien wel belangrijkste Franstaligen van onze vaderlandse indierockscene te programmeren. Beginnen ze ietwat ingetogen, trekken ze toch ten aanval eenmaal de kop eraf is. Hoewel, het blijft wat middle of the road: geen spektakel, wel ervaring en vakkennis die -tig jongere bands schielijk missen. Eind september mogen we een nieuwe plaat verwachten, en een van die nieuwe songs, met refrein op synths, maakt wel benieuwd. Gaan we deze richting uit? Nog even in spanning wachten dus. Ouder materiaal — kleine emotionele shoutout naar de moeilijke periode na het tragisch overlijden van drummer Denis Wielemans, tevens broer van zanger Antoine — blijft duidelijk op handen gedragen. Girls In Hawaii is nog op zijn best als de mooie melodieën de kop opsteken: de nieuwe songs moeten voorlopig nog opboksen tegen de bandklassiekers.

Zo te elfder ure aan de affiche toegevoegd, dat hij op onze planning een leeg gat staat te wezen: de dermate alomtegenwoordige Tamino dat we vermoeden dat hij verdomd wat chantagewaardig materiaal over het Vlaamse festivalprogrammatorengild in bezit heeft gekregen. Het zou hem ook zonder lukken, want net als op Cactus en de Lokerse Feesten eerder deze zomer, imponeert de jonge Mortselnaar ook in de overvolle Club. Natuurlijk is bij de debutant nog niet elke song even goed, maar als het er op is, is het er op: “Reverse” is vocale acrobatie gepaard aan wereldsong, “Cigar” een klein drama in een doosje. En dan mag “Habibi” al afronden; in sneltempo game-set-match. Tamino is er nog niet helemaal, maar flink onderweg naar een toekomst die te groot is voor dit land.

“When the shit goes down, you better be ready”: begint het toch wel te motregenen aan de Main Stage? Gelukkig niets ergs: als rappers op het podium “Cypress” zeggen, dan roepen wij nog altijd luidkeels “Hill”! 29 jaar na opstart blijken B-Real en co, inmiddels ouwe rotten, nog te beschikken over de hitmachine van weleer. “How I Could Just Kill A Man” is raak, en ook “Dr Greenthumb” is van de partij. Uiteraard, want ongegeneerd gebruik van het betere geestesverruimend gewas is de überhiphopformatie nooit vreemd geweest. “High, so high” indeed. “Insane In The Brain” en “Tequila Sunrise” mogen de best-of-set vervolmaken. We geven nog bonuspunten voor de creatieve verwerking van onze nationale driekleur in het bandlogo: altijd leuk!

“Ik vrees de Grieken, zelfs als ze geschenken brengen.” Zo sprak een wijze Trojaan ooit, terwijl hij bedenkelijk naar dat houten paard keek dat net de stadsmuren was binnengesleurd. Zo twijfelhartig trekken wij naar Petit Biscuit, wetende dat het Ozark Henry was die de jonge Fransoos als zijn tip voor het jaar meegaf. Het is erger. De zeventienjarige Mehdi Benjellou is gewoon de zoveelste die wat tropische riedels van een beat voorziet — Lost Frequencies, iemand? — en daarover roept “Pukkelpop, ouait for ze drop!”. Wij geeuwen eens, noteren iets over ‘Le Mura Masa”, en geven een ruk aan de knop. Valt elders iets beters te beluisteren? Zap!

Intergalactic Lovers is natuurlijk geen kleine band meer, maar hier en nu treedt de formatie rond immer ravissante frontvrouw Lara Chedraoui heel keurig en beleefd aan. Misschien zelfs te braaf, aanvankelijk? De liveshow is duidelijk toegespitst op de persoonlijkheid van Chedraoui. Terecht, want ze schittert in haar zwartrode gewaad. Nieuwe single “Between The Lines” mag gerust verder brokken maken op het daartoe geëigende radiostation. Ook hits van het eerste uur “Shewolf” en “Delay” doen het schitterend. De niet-aflatende energie van Chedraoui — zie ze kronkelen en draaien op de melodieën, zichtbaar genietend — blijft straf om aan te zien.

De toetsenist: een Nirvana-T-shirt. Het geluid? Ergens tussen spandex-metal en potige singersongwriterij in. Wat is dit, de jaren negentig? Volgens Ryan Adams wel, en die heeft dit jaar met Prisoner een puike prestatie neergezet, maar dat zijn we natuurlijk al gewoon van de ongekroonde troonopvolger van Bruce Springsteen. ‘s Mans set vandaag laat wel een potiger geluid horen dan Adams’ relatief recente liefdesverdriet zou durven verraden. “New York” krijgt een potige versie mee, en gedachten aan The Boss zijn ook elders nooit ver weg, maar soms is het zelfs daar voorbij, met vlagen die gewoon naar hardrock ruiken. Even kregen we zelfs visioenen van het vermaledijde The Darkness bij die eindeloze solo in “Cold Roses”, en zo lijkt Adams eerder op veilig te spelen met een geluid dat weinig angels toont en op deze weide — het is 2017, Ry — een beetje belegen meurt. Hij had met Taylor Swift-cover “Bad Blood” nochtans zieltjes kunnen winnen bij de toevallig aanwezige tienermeute.

“What is the glorious fruit of our land? Its fruit is deformed children”. Met de news alerts uit Barcelona oplichtend op de telefoon hakt de set van PJ Harvey er stevig in. Net als “Let England Shake” of dat “The Words That Maketh Murder” is het nochtans niet nieuw, maar al van die uit 2011 daterende Eerste Wereldoorlogplaat. Vandaag, in tijden van even grote Slaapwandelaars, voelt het hevig accuraat aan. De dichteres is een ziener, Hugo Claus zei het al. Het is bijna exact dezelfde set als Harvey vorig jaar op Werchter bracht, maar de tijd heeft haar bijgebeend. Vandaag hangen Trump en Charlottesville onuitgesproken in de lucht, en krijgen de songs een nieuwe kleur. En het ziet er ook allemaal geweldig uit, de band stijlvol uitgelicht tegen die betonnen backdrop, Harvey leidend als zwarte schikgodin.

Muzikaal is het even smaakvol. Er wordt niet meer gespeeld dan nodig: soms bruut en schurkend als de blazers in “The Ministry Of Defence”, soms bluesy en spaarzaam als in een smekend “To Bring You My Love”. Even mogen de honden van de ketting in een daverend en dreinend “50ft Queenie”, waarin Harvey krijst en dreigt, maar net zo goed worden de teugels keihard aangehaald. “River Anacostia” rondt af met monotone samenzang en een basdrum en sourdine. Het neigt naar perfectie, en dat flirt altijd met de saaiheid, maar Harvey blijft netjes aan de juiste kant. De ijzige look, de genuanceerde afstandelijkheid, de gestileerde bewegingen: ze houden je blik gekluisterd. PJ Harvey weet hoe ze foutloos kan doen zonder te vervelen.

Ook foutloos, nog meer theater: Solange Knowles, die de schaduw van haar zoveel bekendere zus gebruikte om koppig aan haar eigen ding te schaven. Met A Seat At The Table had ze dat vorig jaar dan eindelijk uit: een knappe plaat die naadloos paste in de traditie van de geëngageerde soul van Marvin Gaye’s What’s Going On. Vandaag, nadat ze haar optreden op Dour eerder deze zomer moest afzeggen, brengt ze op de planken daarvan het verlengde: een strak geregisseerde soulrevue, met iedereen in rode pakjes tegen een witte achtergrond, waarboven een rode zon onder- of opgaat. Dat treft: het is ook net valavond, en de mierzoete songs van Solange zijn daar de perfecte soundtrack bij. Indrukwekkend, is het woord dat we hier net op de vloer naast ons — slordige collega’s in deze barak, meneer — vonden. Net wat we zochten.

Wie zijn dan wel haar postpunk graag donker en strak heeft, weet waarheen: postpunkicoon (zo mogen we onderhand wel zeggen) Interpol belooft een verjaardagsfeestje ter ere van debuut Turn On The Bright Lights. De klassieker zal binnen 3 dagen 15 kaarsjes mogen uitblazen, dus trakteren de New Yorkers de Pukkelmarquee alvast op een integrale liveversie van hun eerste. Of dat is ons en alleman toch beloofd, maar — geen kwaad woord over de signature song, daar niet van — wat doet “Evil” daar dan vooraan in de set? ’t Is maar een aperitiefje, maar wel gebald gebracht. Over naar de orde van de dag dan. 2002 is dan al even geleden, maar de tand des tijds heeft niet voor sleet op Turn On The Bright Lights gezorgd. Alles werkt als vanouds dankzij een waarheidsgetrouwe renditie, die keer op keer de goedkeuring van het publiek meekrijgt. We vrezen wel dat het met een gewone set stukken moeilijker was geweest voor Interpol. Enfin, ’t was goed zoals ’t was.

Ook voor wie zijn gitaarmuziek vuil, gesmeerd, licht gestoord en/of gewoon weird as fuck prefereert, is er plaats op de wei van Kiewit: daar zorgt Ty Segall wel voor. Het vaatje waaruit ook pakweg Thee Oh Sees tapt, kent geen bodem, en maar goed ook. Een song hebben zitten met als titel “Break A Guitar” is één ding, daarmee een set voor geopend verklaren… Moet een soort van humor zijn? Nu, grote songs zal Segall misschien nooit maken, maar hij weet heel goed hoe hij zijn instrument naar de verdoemenis speelt. Donderdag op Pukkelpop is er geen gitaarwerk zo waanzinnig als dat van Segall, weet ook een crowdsurfer vooraan.

Het ene jaar Werchter, het andere Pukkelpop. Editors heeft de discipline van een Zwitserse koekoeksklok, maar net als dat vogeltje beginnen we ook deze band daardoor wat té goed te kennen. Het vuurgordijn bij “The Racing Rats”, de verkrampte gebaartjes van Tom Smith, de gierende uithaal die “An End Has A Start” de bocht injaagt,… We hebben het allemaal al een keertje te vaak gezien om nog te verrassen. Al kun je het natuurlijk ook als een keurmerk zien: bij Editors weet je wat je kunt verwachten, en het wordt vakkundig en ambachtelijk geserveerd. Of zo.

Het is dus goed. Alweer. Iets anders zouden we ook niet meer verwachten na al die jaren. “Smokers Outside The Hospital Doors” knalt als vanouds, “Munich” en “Blood” zijn de oudjes die de beginjaren moeten vertegenwoordigen, toen de groep een gitaargroep pur et dur was. Maar dat kennen we dus al twaalf jaar, en Editors is ondertussen een andere groep geworden. Het industriële kantje dat in het geluid sloop met “Eat Raw Meat = Blood Drool” wordt nog verder uitgewerkt in het nieuwe “Hallelujah”; de drums zijn loodzwaar, Smith geeft een jodeltje als opmaat naar het refrein. Het al even verse “Magazine” hakt met hetzelfde bijltje, en pakt uit met een paar nijdige gitaarbreaks voor een meezingbaar refrein over een 4/4-beat dan toch openvouwt. Als we hierop mogen voortgaan, dan wordt de volgende Editorsplaat een behoorlijk snedige affaire.

De finale is er eentje voor de boekjes. “Ocean Of Night”, met zijn trapsgewijs opbouwende pianootje, is de aanloop, het dramatisch openbarstende “Marching Orders” — Editors in volle doom-‘n-gloommodus — het katharsismoment met weer wat vuurwerk en confettikanonnen. Wanneer we één van de vele blaadjes uit de lucht plukken, zien we dat het hartvormig is. “Vuur liefde af; alle wapens neer”, bedenken we, slechts half grijnzend. Het zijn rare tijden als een festival ons zomaar Liliane St.-Pierre doet denken. Natuurlijk is “Papillon” nog de uitsmijter, maar na zo’n climax is het niet meer dan een bijgedachte die niet meer had gemoeten. Nog minder leuk: de nog steeds onverteerbare draak “No Sound But The Wind” die als ultieme uitsmijter aan de slachtoffers van de aanslag in Barcelona wordt opgedragen. Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was. Conclusie? Editors flirten nog steeds met de overkill, maar de glimps op de nieuwe plaat maakte toch maar weer benieuwd.

De Club belooft, de Club bevestigt: nergens anders op Pukkelpop kan een act als Mac DeMarco afsluiten. En als de Canadese slacker king in vorm is, staat er geen maat op de ambiance. DeMarco hanteert zijn gitaar zoals een kind dat gitaarheld wil zijn dat doet met een versleten tennisracket: baldadig en met onnodige zwier. Het kan ook aan de drank liggen, want na elke song grijpt hij gretig naar de fles. Daar komt sowieso heibel van. Echte songs komen er zo vaak niet uit, maar wat deert het: dit is zinloos geweldig. Zelfs als de band Vanessa Carltons “A Thousand Miles” (“making my way downtown”, u kent het wel, geef maar toe) en Crystal Waters’ “Gypsy Woman” (allemaal samen: “la-da-dee la-da-da”) bovenhaalt voor een paar minuten lolligheid, kunnen we alleen besluiten dat DeMarco en co gewoon een bende plezante narren zijn. Benieuwd wat dat geeft backstage!

“My sister, my queen, my Beoncé!” Oliver Sim kan zijn liefde voor Romy Madley-Croft bijna niet intomen. De gitariste van The XX is jarig, en dat zal Pukkelpop geweten hebben. We zingen samen “Happy Birthday”, ze krijgt nog een grote kaart die ze glimlachend opzij legt. Zijn dit de muurbloempjes die zich acht jaar geleden nog bijna verontschuldigden omdat ze zo’n goed debuut hadden uitgebracht?

Vandaag is het spaarzame geluid van toen flink aangedikt, dat hoor je al van bij opener “Intro” waarop Sim overactend staat te bassen. De beats knallen de Main Stage uit, de klank is luid. “Dangerous” ontpopt zich zelfs tot een regelrecht dansnummer, maar stond toch maar mooi rug aan rug met het uitgeklede, bloedmooie “I Dare you”. “Infity” mag ook ontsporen in chaotisch lawaai met hevige cimbaalmeppen van Jamie Smith, die achter zijn toetsen-en-drumopstelling de echte heerser van de groep staat te zijn.

Hij heeft het stuur stevig in handen, hij is het die de groep richting meer uptempo stuurt, en zo wordt het ook in het laatste kwart van de set, wanneer “Shelter” mag beuken, en het door Madley-Croft gezongen “Loud Places” van op zijn soloplaat In Colour hét dansmoment wordt. Voor één keer wordt het monochrome kleurenpalet multicolor, en het voelt alsof ook deze band een transformatie aan het doormaken is: weg van dat unieke, maar beperkte geluid, op zoek naar iets nieuws, openers en vrolijker.

De vele liefdesverklaringen die in de teksten traditioneel heen en weer schieten, werden voor één keer ook met ons gedeeld. Dat dit het beste festival ter wereld is, prijst Sim Pukkelpop. “We love you”, en afsluiter “Angels” echode als een antwoord daarop “Being as in love with you as I am”. The XX was dansbaar, mooi en bij momenten emotioneel. Meer kun je niet verwachten. Prachtafsluiter van deze eerste dag.


Dag Twee :: Groetjes van op scoutskamp

Parels vis je ‘s ochtends en dus wordt verse kracht (jp) al vroeg van vrouw en kinderen gescheiden om de E314 af te schuimen richting Kempische Steenweg. Regen? Da’s tijd in de badkamer gespaard! Terwijl Pukkelpop ontwaakt, worden schema’s vanbuiten geleerd, looplijnen ingeoefend en toetsenborden in stelling gebracht. Goeiemorgen, Kiewit!

Wie denkt dat het broodje al gebakken is voor de winnaars van De Nieuwe Lichting, vergist zich. Uw stinkend bed uit, ge moet gaan optreden ‘s morgens vroeg! Weg van moeder en uw boterhammen zelf maken! DAT is het harde lot dat de drie laureanten beschoren is. Kai Wén wordt het eerst aangekondigd door Equal Idiots, die hier eerder stonden maar nu presenteren. De rapper werkt zich uit de naad met onder andere een flard “Let Me Love You” van DJ Snake én een achterwaardse salto. Helaas zit hij in het dichtbevolkte hoekje hiphop en r&b waar het survival-of-the-fittest-gewijs drummen is, geen idee dus of Kai Wén het in de toekomst tot grotere podia zal schoppen. Maar vroeg opstaan kan hij dus al wel.

The Lighthouse heeft zo te horen een busje fans meegenomen. De sympthieke plattelandsjongens trekken de poorten van het Hageland beleefd achter zich dicht en verteren de stap van het jeugdhuis naar de festivaltent goed met hun okselfrisse zomerpop. Hitjes “Backbeats” en “Hollywood” oogsten herkenningsapplaus, en dan wordt “No Scrubs” van TLC er nog bovenop gegooid. Tamino ten slotte is eigenlijk De Nieuwe Lichting al ontgroeid en mag hier na zijn concert van gisteren in de Club nog even komen bissen: “Blue Jeans” van Lana Del Rey, “Cigar” en “Habibi”: game, set and match. Officieel kent de wedstrijd drie winnaars, maar vandaag speelden ze van positie drie naar een.

De volgende band die ons bedankt om zo vroeg op te staan, is Brutus op de Man Stage. Zoveel appreciatie hebben we bij de bakker nog nooit gekregen, zeg! Het Leuvense sloopwerkenbedrijf heeft een bijbaantje als wekdienst met een stevige portie kabaal, niet in het minst door drumster en zangeres Stefanie Mannaerts, de patroonheilige van de zweetband. De eerste indruk is misschien dat de nummers weinig om het lijf hebben, maar het trio slaagt er in, met songs als “Justice De Julia II”, om een gevarieerd geluid neer te zetten met slechts drie instrumenten. “All Along” en “Horde” zijn een sterk slotduo dat het laatste prut uit uw ogen jaagt.

Ha, Forest Swords, daarvan durven we het uitstekende Engravings of Compassion, van eerder dit jaar, wel eens opleggen thuis terwijl we onder de hoofdtelefoon kruipen en zachtjes wiegend de foetushouding aannemen en spookachtige klanken van wanhoop ondergaan. Of nummers als “Panic” of “The Highest Flood” live nu echt een andere dimensie krijgen? Nee, dat niet. De baslijn is live en Matthew Barnes gespt al eens een gitaar om, maar verder zijn het vooral de visuals die de aandacht trekken: aanspoelende golven, Aziatische vrouwen en mannen zonder mouwen die door het zand kruipen. Lang niet slecht, maar bij voorkeur muziek die we in de krochten van onze eigen ziel beleven.

Ondertussen loopt onze tweede man — eindelijk wakker geraakt, te laat voor de bakker — zich ook warm, en meteen ook verloren. Oh Wonder blijkt uiteindelijk een sof, zelfs al is dat “High On Humans” het soort popnummer waarvoor ze ons elke dag uit bed mogen roepen (grapje, laat ons godverdomme slapen). Wat Josephine Vander Gucht en Anthony West verder brengen is zo ontieglijk flauw en glad dat we verder zoeken. Rukje aan de tuning knop? Ruis, en dan: Nordmann, twee tenten verder.

Even verwarring: is het pauzemuziek die nu opstaat of is die muzak toch de jazzband die we in Humo’s Rock Rally ooit zo opwindend bezig zagen? Yup, die liftmuziek wordt wel degelijk live geproduceerd, maar dat is slechts een schoonheidsfoutje. Een nummer verder weet Nordmann toch weer te begeesteren met tempo, drive en ferm getoeter.

Even later krijgen we een echt jazzzzzznummer dat het niet slecht zou doen in Seb’s club uit La La Land. Veelzijdige band, dus, met een interessante neiging om een on-the-roadsfeertje neer te zetten.

Schuilen voor de regen doet de man in een poncho van de Efteling bij Tove Lo, tussen de jonge meisjes en de andere mannen van middelbare leeftijd die opgevangen hebben dat er misschien wel een tietje te zien zal zijn. Hebben die dan geen internet? Hoe dan ook, tijdens “Talking Body” is het van dat en worden er twee uitgelaten. Worden die bandleden dat niet even beu als scheten op de tourbus? De tieten blijken echt, de pop is echter van plastic: dat shirt van Britney, dat vagina-logo op de achtergrond, het moet allemaal een beetje camoufleren dat het one hit wonder zich al voltrok met “Habits (Stay High)” en alles wat daarna kwam en komt een doodsstrijd voert met de vergangelijkheid. Maar hey, regen zorgt ook voor volle tenten!

Ze kunnen het dus toch. Vorig jaar zagen we Parquet Courts een schandalig chaotisch concert neerzetten op Primavera Porto. Het was één uur ‘s nachts, en van enige coördinatie, laat staan focus, was geen sprake. Vandaag weten we: geef die jongens gewoon niet zoveel tijd om in te pinten. “Borrowed Time” hakt er in aan punksnelheid; dit is hoe het moet zijn. Het New Yorkse kwartet heeft zijn sterkte gevonden, lijkt het, maar de zwakheid ligt nog altijd als een valkuil in de weg: wiet. “Instant Disassembly” zwalpt stoned voorbij, “One Man, No City” is Talking Heads, maar dan met een begaaide David Byrne aan het roer; gezapig dus. Gelukkig wordt dat in een zinderend laatste halfuur nog rechtgezet, met een “Dust” dat rechtdoorzee rockt, en een “Berlin Got Blurry” en “Captive Of The Sun” die de kers op de taart zetten.

“IEDEREEN GEHOORSCHADE!” Dat lijkt het devies van The Shins. Het geluid in The Marquee is ondraaglijk hard en schel, en dat is vooral jammer voor James Mercer en companie zelf. Goeie setlist, immers. “Het zijn alleen maar oude liedjes”, fluistert een meisje achter ons tevreden, en dat klopt met een openingszet die “Caring Is Creepy”, “Australia” en “Kissing The Lipless” inhoudt. Tussendoor nog even het wel nieuwe “Name For You”, en je hebt popmuziek troef van de goeie soort.

Het gaat ook vooruit. Op een klein uur ramt The Shins er een vijftiental songs uit die gaan van euforie (“Simple Song”, “Name For You”) naar ingetogen. Het countryjasje dat “Gone For Good” is aangetrokken, past het echter niet helemaal, en ook de stapvoetse versie van “Phantom Limb” mocht wat snediger. Neen, James, dat betekent niet: nog luider. En fix meteen ook die geluidsbalans, die nog altijd pijn doet aan onze oren. Wanneer slotnummer “Sleeping Lessons” na een lange intro eindelijk huppelend uitbarst, weten we nog steeds niet wat we moeten vinden: we horen The Shins nog altijd doodgraag, maar we weten niet of we na vandaag überhaupt ooit nog iets zullen horen. Beetje zonde; deze band is zichzelf meer subtiliteit verplicht.

De Australische Julia Jacklin, met twee vlechten, lijkt zo uit een kangoeroekwekerij weggelopen. Met Don’t Let The Kids Win bracht ze eind vorig jaar een verdienstelijk plaatje uit, dat ergens het midden houdt tussen Angel Olsen, Nadia Reid en Courtney Barnett. “Lead Light” walst en draait in vakkundige folk, maar het is vooral de stem van Jacklin die indruk maakt, niet in het minst als ze solo het titelnummer “Don’t Let The Kids Win” brengt. Als er naar analogie van de wereldzadenbank een wereldstemmenbank bestaat, mag die van Jacklin er meteen in. Met “Cold Caller” en “Eastwick” wordt nieuw werk gelost, maar het is vooral “Coming Of Age” en “Pool Party” die op de meeste bijval kunnen rekenen. Met tussendoor een verrassend “Someday” dan The Strokes, dat als een tijdloze evergreen klinkt. Hooroo!

In de wereld van The Flaming Lips is er geen Fipronil. Er is ook geen Daesh en er is zelfs geen Cyriel Verschaeve. Wat er wel is? Confetti en ballonnen! We zijn er heilig van overtuigd dat wereldvrede haalbaar is met de juiste atributen en Wayne Coyne blijft aan die weg timmeren. “Race For The Prize” en “Yoshimi Battles the Pink Robots, Pt. 1” vormen een vertrouwd openingsduo en steken de boel meteen in brand. “There Should Be Unicorns” haalt daarna de vaart uit de set, maar Coyne maakt dat goed door op een eenhoorn door de tent te rijden.

En het kan weer niet op: de gong tijdens “How?”, de grote bol waar Coyne in kruipt tijdens de cover van “Space Oddity”, de ogen, lippen en verstraler tijdens “The W.A.N.D”: het is allemaal kinderlijk fantastisch, maar ook net iets te vaak nefast voor het tempo. Kunnen we daar kwaad voor zijn? Nee, natuurlijk niet, tenzij voor dat bier in onze confetti misschien. Of was het omgekeerd? Laat ook maar. The Flaming Lips blijft iedere keer opnieuw een speciale ervaring en eens om de zoveel jaar meer dan nodig.

“I’m Wasting My Young Years”, zingt Hannah Reid van London Grammar wanneer we de Main Stage bereiken. Dat is nu net wat ze niét doen, op een paar jaar tijd is het toeschouwersaantal van 200 opgelopen naar wat, 20.000 of 30.000? Dat moet indrukwekkend zijn en “Non Believer” moet opnieuw worden begonnen door een foute zanglijn. Maar kijk, dat wordt meteen rechtgezet met een ontroerend “Rooting For You”, door Reid solo ingezet, dat zelfs haar bijna tot tranen toe beroerd.

London Grammar blijft een band die teert op emotie en net daar botst het trio op haar limieten. Je voelt de muziek beter als die ommuurd, ingekapseld wordt en dat heb je hier natuurlijk niet. Tenzij door de nacht die stilaan valt, natuurlijk. “Nightcall” zet de poorten open. We noteren nog een sterk “Strong” — padoem pats — en “Metal & Dust” mag het tempo nog even opvoeren. Een verdienstelijk concert, maar we hebben steeds meer heimwee naar de dagen van de Witloofbar.

Synthpop zonder ballen in de Lift. Zoals Anna Of The North, zo legt Lauren Mayberry van Chvrches er ‘s ochtends vier tussen haar boterham, voor ze weer maar eens een killer-refrein bedenkt. “Baby” en “Money” willen wel, maar het blijft allemaal zo flets dat het de opkomende kilte niet kan bedwingen. Dan toch maar die trui aantrekken? Toch maar die trui. En eens proeven van wat er in dat Food Wood naast de deur te krijgen is.

Ooit zagen we Guy Garvey een pub in Manchester binnenkomen, en meteen een stamgast of drie een bear hug geven. Zo innemend is de Elbow-frontman ook vandaag. “This is for you, beautiful creatures”, draagt hij op, en alweer volgt het soort topsong waar zijn band het patent op heeft. “The Bones Of You”, “Grounds For Divorce”, we krijgen het allemaal in een genereuze set die ook dankbaar wordt ontvangen. “Beauuuuutiful”, zingt Garvey, en u zingt terug “Day” of desnoods iets anders als dat van toepassing is. “Dit is voor wie vanavond onder canvas slaapt”, leidt de frontman “Lippy Kids” in, “jullie Belgische veteranen”.

Als Elbow vandaag iets is, dan een warm bad. Garvey windt ons met zijn charme dan wel rond zijn vinger, het zijn de songs, oh zo smaakvol ingekleurd door zijn maten, die je helemaal over de streep trekken. En na jaren van koele minnaar zijn, ben je weer helemaal mee. Plots klikt “One Day Like This”, is het dat moment waarop je je door de hele wereld omarmd voelt. Warmste set van het weekend.

Het debuut van SamphaProcess, viel bij ons al in de smaak en ook in de AB Box, eerder dit jaar, wist de Brit te overtuigen. Benieuwd hoe hij het ervan af brengt op een festival en op dit late uur, wanneer door de opkomende vermoeidheid onze oren zich maar al te graag neervlijen op het zachte oorkussen van Sampha’s soulstem. In een slim opgebouwde set is er plaats voor kwetsbare ballades als “Too Much” en hitje “(No One Knows Me) Like The Piano”, maar voor we dreigen in slaap te vallen, verzamelt de band zich rond een sociaal opgestelde batterij percussie-instrumenten (“Without”) en is er een gitzwart nachtelijke versie van het Drake-nummer “4422”. Niet voor een gat te vangen, die Sampha, en zeker niet het laatste wat we er van horen.

“Waren we hiervoor ook maar naar de AB getrokken”, verzucht (lt) halverwege de geweldige set van Nicolas Jaar. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Pas als je een festivaldag lang hebt liggen marineren, om rond half twaalf ‘s nachts bij de Chileense Amerikaan te belanden, pas dan werkt deze muziek. Jaar pakt ons met zijn live indrukwekkend vertimmerde elektronica collectief bij de lurven, om ons pas ergens midden in een duister sprookjesbos los te laten: zoek zelf je weg maar terug. “Mag dat nog wel van de Scouts?”, stribbelen we nog lichtjes tegen, maar Jaar haalt de schouders op, en lost een spervuur van beats.

Er zit niets anders op dan — eerst voorzichtig, dan heviger — dansend op pad te gaan. Een dubreggaeritme komt ons even begeleiden. “Stuur een kaartje naar huis”, fluistert het, “maar vertel niet hoe het hier echt is. Stel je ouders gerust.” We krijgen het toch niet uitgelegd. Met “Space Is Only Noise” vol vervormde, eindeloos geloopte zang en griezelige synthklanken, vermoeden we een boze wolf in het kreupelhout, maar het blijkt een Braziliaanse carnavalsgroep die uit het struikgewas komt gemarcheerd. We zijn bijna thuis, mama. Het was héél leuk in de Marquee, en de leider was dan toch lief.

Het is vreemd om na zo’n set opnieuw in The Lift te belanden. Een beetje zoals die keer op citytrip in Berlijn toen we per ongeluk in de goorste bikerskroeg van de stad belandden, maar zo voelt een concert van Black Lipsaltijd. En als het om één uur ‘s nachts begint, telt dat dubbel. De sfeer is die van een losgeslagen vrijgezellenfeest waarbij de bruidegom zich als kortgerokte del met jaretellen heeft verkleed, en de rest zo dronken is dat ze hem met plezier even vol op de mond kussen als zijn sax niet in de weg zit. Zo is het goed, zo hoort het te zijn, zelfs al speelt de band ietwat gezapig. Bij “Oh Katrina” is onze posse in een schimmige karaokebar beland, maar met “Hippie Hippie Hurray” krijgen we dan toch een finale met wat pittige garagerock. Het bier vliegt in een mooi boogje richting podium, een toiletrol vliegt beleefd terug. Lekker.

”The night time is the right time”, klinkt het in het gelijknamige bluesnummer en dat geldt zeker voor het onnavolgbare en on-label-bare STUFF.. Lander Gyselinck drumt, ’t is jazz! Het heeft draaitafels, ’t is hiphop! Nee, die EWI, het is, euhm … Lig er vooral niet van wakker. STUFF. is live vooral een vuurspuwend vijfkoppig monster dat elkaars grenzen en die van de muziek aftast, zonder daarbij het gevoel voor grooves en catchy hooks te verliezen. Nummers als “Strata” en “Axolotl” zijn kopstoten die u morgen doen afvragen of die hoofdpijn van het teveel aan pintjes is of van dit hier. Van beide, natuurlijk!

Dag Drie

Geen slimme zet om je minst aantrekkelijke dag tot de laatste te bewaren, Chokri. Met vermoeide knoken slepen we ons naar de wei, ons afvragend wat we daar in godsnaam moeten gaan doen. Speuren naar de lichtpuntjes, die radioknop blijven draaien, tot uit de ruis dan toch iets goeds tevoorschijn komt. Dat, verdorie.

Terwijl de wei druppelsgewijs volloopt, mag The Van Jets de Main Stage aftrappen. Het is een podiumhoog cliché, maar dat is een ondankbare taak. Als opener is het altijd moeilijker een feestje te bouwen. Artiesten zijn doorgaans nachtraven, dus om twaalf uur ’s middags doorgaans nog niet echt wakker. En ook het publiek wrijft nog geeuwend de slaap uit de ogen. Toch kwijt de band zich goed van zijn verplichtingen. The Van Jets brengt een degelijk concert, maar dat kan niet anders: de band is na dertien jaar dan ook uitgegroeid tot de best geoliede glamrockmachine der Lage Landen. Hoogtepunten volgen: radiohit “The Future”, “Here Comes The Light” en “Broken Bones”, dat frontman Johannes Verschaeve opdraagt aan de na drie dagen festival uit de kluiten gewassen collectieve lijfgeur van de Pukkelpoppers.

Tijdens het concert van D.D. Dumbo, de groep rond Australiër en multi-instrumentalist Oliver Hugh Perry, wanen we ons al snel diep in de outback — zelfs even gedacht een kangoeroe te spotten, maar dat kan ook aan ons slaaptekort van de voorbije dagen gelegen hebben. Het is niettemin een wisselvallig concert: soms klinkt de band erg opwindend en doet ze denken aan Battles, Tune-Yards of de Mali blues van Ali Farka Touré of Tinariwen, maar op andere momenten is het moeilijk niet in slaap te dommelen bij de minimalistische soundscapes.

“Punk is dead! Punk is dead! Punk is dead!” Dat, ad infinitum uit de mond van presentator Kurt Overbergh, en dan heel misschien “Punk is back”. Hoorden we dat goed, of was het toch nog eens “Dead”? Maakt niet uit, Cocaïne Piss bewijst dat het eerste waar is. De microfoon wordt uit zijn handen geslagen, en zonder plichtplegingen smijt het Luikse kwartet zich in het eerste van zijn vele geen-twee-minutensongs. Het raast, het knarst, het beukt en het shaket. Aurélie Poppins is opnieuw de frontvrouw van haar dromen. Toont haar blote buik even, net voor ze in “Happiness” even olijk “Masturbation” zegt, staat te stampvoeten in de opstoot “Sex Weirdoes”, maar blijft vooral netjes op het podium. Scheelt er misschien iets, Poppins? Neuh, een paar nummers later duikt ze zoals vertrouwd wel degelijk het gewoel in, om de boel verder overhoop te krijsen zoals het hoort, en tot aan de tribune het publiek uit te dagen en op te zwepen. Punk is helemaal niet dood, ze is gewoon verhuisd naar Luik. Ze doet u de groetjes.

Chvrches met gitaren! London Grammar dat eindelijk gestopt is met wenen! Florence met schoenen aan! Onze (pn) en een fiks deel van het internet zijn méé met Pvris, maar we gaan daar op de komende redactievergadering nog een flink potje over moeten bakkeleien. Dat de band een metalcore verleden heeft, valt nog steeds te horen, de emozang maakt het alleen maar erger. De toekomst van de muziek? Dat horen we er niet in, en na het zoveelste slap nummer dat ook voor dit publiek doodvalt bedenken we “you can fool some pubers some time, but you can’t fool all the pubers all the time.” We smell bullshit. Maar bewijs ons ongelijk, straks, (pn).

“Ha, speelt ie nu al “Lightning Bolt”?” We bedenken het een keer of vijf tijdens het optreden van Jake Bugg, maar telkens opnieuw blijkt de jonge Brit dat rockabillyritme ook onder een ander nummer te hebben gestoken. Geen kwaad woord anders over een “Two Fingers” dat vroeg in de set wordt gestoken, of een fijn rammelend “Trouble Town”. Soms werkt het dus wel, en we zien een koppeltje charmant swingen op “Seen It All”, maar toch gaat zoveel eenvormigheid ook vervelen. Binnen twee weken brengt Bugg zijn vierde album Hearts That Strain uit. Als u de drie vorige nog eens draait, weet u nu al hoe dat zal klinken. Sommige mensen hebben dat nodig, die voorspelbaarheid, maar wij passen.

Wie zijn nostalgie naar de nineties wilde laven, moest in de Club zijn voor het concert van Car Seat Headrest, een band die schippert tussen het rommelige doch geniale gitaargepiel van Pavement en het hard/zacht-trucje waar de Pixies zo in excelleren. Tel er nog de sonore grafstem van frontman Will Toledo bij en zijn wat nerdy uitstraling – vindt u ook niet dat de man erg lijkt op Harry Potter? – en je weet waarom Ayco Duyster de band aankondigt als “geniaal gitaarkabaal”. Een eerste hoogtepunt is “Fill In The Blank” waarvan de zinsnede “You have no right to be depressed” luidkeels wordt meegezongen. Ook “Drunk Drivers/Killer Whales” en “Drugs With Friends” steken er bovenuit.

Wat een autoreclame teweeg kan brengen. Drie jaar geleden konden we bij First Aid Kit nog tot flink vooraan de oude Club wandelen, de nieuwe — nochtans zeker niet kleiner, meneer — puilt vandaag uit voor de meisjes van “Silver Lining”. Dat wordt natuurlijk slim tot het einde opgespaard, maar verder is het business as usual. Of toch niet? Johanna, de oudste van de twee Soderbergzusjes, is nu gepromoveerd tot bassiste. Position switch!

Niets nieuws onder de zon, voorts, of het zou de rauwe protestsong “You Are The Problem Here” moeten zijn, dat door een grungeachtige gitaar wordt voortgedreven. Een nieuwe plaat is ingeblikt, belooft die andere zingende zus, Klara, maar daaruit krijgen we enkel “It’s A Shame”, een nummer dat laat horen dat we er nog altijd op kunnen rekenen ook dan de vertrouwde countryfolk te krijgen. Die klinkt nog altijd dik ok, overigens. “Wolf” drijft op dikke percussie en die gesmeerde samenzang, “Waitress Song” is een ballad die de stroop netjes weet te vermijden. “We zijn hier heel graag, hoor, maar dit is een nummer over willen dat je elders was”, grinnikt Klara, die vandaag wel enige joligheid tentoonspreidt. Wanneer haar gitaar kuren vertoont en een intro moet afgebroken voor ze kan zingen, grapt ze vanaf nu enkel nog instrumentale muziek te maken. “Want we sucken in zingen. Obviously.”

Niet dus. De stemmen klauwen opnieuw in elkaar als de beste, “Emmylou” en “The Lion’s Roar” zijn na al die jaren nog steeds prachtsongs die de set schragen, en op het einde is er natuurlijk dat ene liedje van die auto’s. Camera’s gaan de lucht in, er wordt meegezongen, buiten hangen mensen in tentpalen, gejuich volgt. Laat die nieuwe plaat nu maar snel volgen, genoeg geteerd op die vorige.

Met drie gitaren en twee basgitaren zet Afghan Whigs een wall of sound neer om u tegen te zeggen. Al worden die gitaren soms ook ingeruild voor viool, cello, piano of synthesizer. De band trapt het laatste concert van hun Europese tournee af met een fel “Arabian Heights”. Om dan vooral verder uit de comeback albums In Spades en Do To The Beast te putten. Tijdens “Toy Automatic” wordt de band bijgestaan door een van Mumford and Sons geleende blazerssectie, waarna Dulli ietwat geëmotioneerd “Can Rova” opdraagt aan zijn overleden vriend en gitarist Dave Rosser. Tijdens “Demon In Profile” gaat hij zelf achter de piano zitten. Er zit duidelijk geen sleet op Afghan Whigs. Dertig jaar na het verschijnen van hun debuutplaat – en dertig kilo zwaarder, dat ook – weten Dulli en zijn kompanen nog steeds moeiteloos te overtuigen en een knaller van een liveshow neer te zetten.

The Highwaymen. Dat verdoemde eightiesproject van Johnny Cash, Willie Nelson, Krist Kristofferson en Waylon Jennings; dáár moeten we altijd aan denken bij Bear’s Den. Beide bands delen die combinatie van folk/country met de muzikale hebbelijkheden van het Vermaledijde Decennium: gated drums, opzichtige synths, een neiging naar het groot gebaar. Gek genoeg: op die momenten is de Britse groep — uit dezelfde scene als Mumford & Sons, overigens — op zijn best. De zin voor melodie van Kevin Jones en cofrontman Andrew Davie is onmiskenbaar, de songs bij momenten goed. “Red Earth & Pouring Rain”, de titeltrack van hun laatste plaat, is een puike opener, dat het breedbeeld van een road movie oproept, “Auld Wives” en “Dew On The Vine” surfen verder op die vibe. Het werkt beter dan het ingetogener “When You Break” van op het meer folky debuut Islands.

Even charmant is de onbeschaamdheid waarmee Bryan Adams’ — “onze favoriete zanger” — “Heaven” wordt gecovered, en even enthousiast meegezongen. “Eat that, hipsters”, zie je hen denken. Het is zo oprecht gemeend, dat je hen dit moment gunt. Bear’s Den is geen grote groep, maar wel een sympathieke.

De prijs voor het meest opgefokte optreden van de dag gaat met voorsprong naar dat van At The Drive-In. Inzetten doen de Texanen – allen volledig in marineblauw uitgedost – met “Arcarsenal”. Na afloop sneert zanger Cedric Bixler-Zavala naar het publiek: “Good morning motherfuckers! Wake the fuck up!” Hij heeft duidelijk energie te over. Als een vlo met te veel koffie binnen stuitert hij in het rond, zwaait met zijn microfoon en springt van de ene versterker op de andere, onderweg een tussenstop makend op de basdrum van vellenbeul Tony Hajjar. Verder plakt er plots een reep duct tape over zijn mond, doet hij karatekicks en steekt hij ook nog ergens zijn broek af. En dat allemaal zonder hulpmiddeltjes? We betwijfelen het. Maar maakt niet uit, belangrijkste is dat At The Drive-In een paar mokerslagen uitdeelt, zoals met “Pattern Against User” of “One Armed Scissor”, die bij het publiek duidelijk op goedkeuring kunnen rekenen. Nog dit: jammer dat het geluid zo slecht geregeld is én dat At The Drive-In er al na drie kwartier de brui aan geeft. Misschien omdat ze de reactie van het publiek maar lauwtjes vinden: “You all are a beautiful audience, but next time don’t take quaaludes,” verwijt Baxler-Zavala de toeschouwers nijdig voor de band zijn laatste song inzet.

“Hand yourself over, remain calm, I only plan to steal whatever I want / Fuck who’s watching”. MC Ride windt er van in het begin geen doekjes om: nobody move, nobody get hurt. Of kom, bewegen mag, want God, wat is het een opwindende geluidsstorm die Death Grips loslaat. Terwijl de banjo op de Main Stage overuren draait, mept Zach Hill zijn drumstel de grond in, en valt Andy Morin zijn laptop aan met een razernij die wij herkennen van die momenten dat onze informatica faalt. Het ding levert nochtans uitstekend dienst: het piept, het kraakt, en het krijst, precies zoals God het bedoelde. “Get Got”? “Get Got”, ja.

Bestaan er vergelijkingen? Death Gripsmaagd (fl) laat de naam The Prodigy vallen, Atari Teenage Riot is nog beter, met dien verstande dat die groep zijn beste plaat ook alweer twintig jaar geleden heeft gemaakt: nu kan een mens meer ruis aan, meer geweld, méér woestheid. En woest is MC Ride, die er in bloot bovenlijf in tegenlicht uitziet als de Laatste Man Ter Wereld die de Goden blijft uitdagen: “Test me dan!”, “Geef me nog zo’n plaag, fuckers! I can handle it!” “I’ve seen it, I’ve been it! / Can’t delete” brult hij in het razende, aanstekelijke “I’ve Seen Footage”. Alles Kapot, is het: de Club kapot, de Main Stage kapot, Mumford & Sons (zeker die) kapot. Dit was het, Pukkelpop mag de deuren sluiten, het is op, de rest mag inpakken. Beter dan Death Grips wordt het toch niet meer. We buigen nederig het hoofd, en fluisteren “tot volgend jaar”. Pukkelpop: u heeft het overleefd. Proficiat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + 1 =