Orthodox :: Supreme

Radicaal tegen de stroom in roeien: voor velen onder ons is het een ambitie, voor sommigen een nachtmerrie. Voor het Spaanse Orthodox is het intussen een manier van zijn geworden. Dat zorgt er dan ook voor dat het duo op zijn zesde album alweer eens de bakens verzet, met vermoedelijk de grootste beproeving (vooral dan voor de luisteraar) uit zijn bestaan.

Wat in 2006 begon met Gran Poder volgde aanvankelijk immers een redelijk conventionele doommetalkoers, maar bassist Marco Serrato, drummer Borja Díaz en gitarist Ricardo Jiménez gaven al snel bewijs van een onconventionele instelling.Amanecer en Puerta Oscura (2007) en Sentencia (2009) incorporeerden blazers en wasemden een attitude uit die meer te maken had met impro-regionen dan doommetal. Daarna was Baal (2011) een terugkeer naar de metal, weliswaar in merkwaardige lo-fi gedaante, en Axis (2015), de eerste plaat zonder Jiménez, maar wel wat gastartiesten, de definitieve afkeer van het ‘metal’-label. Orthodox had zichzelf op de een of andere manier naar de zone van de steeds transformerende experimentalisten gemanoeuvreerd.

Voor Supreme werd het dus alweer wat anders. Eén track van 36 minuten. Eén kolos die kan gelden als een knoert van een statement, want Orthodox duikt er resoluut in de wereld van een zompig, vrij bewegend minimalisme. En dat valt eigenlijk ook niet te verwonderen, want het duo is ook actief binnen de improvisatie: zo brachten ze met saxofonist Ricardo Tejero een kletterend freejazzplaatje uit op Colin Websters DIY-label Raw Tonk, en nodigde dat trio die Britse rietblazer ook uit voor een potje geïmproviseerde herrie op Spain Is The Place. Het is ook in die sferen dat Orthodox zijn enige centrale gastartiest voor Supreme haalde.

Die artiest is ene Achilleas Polychronidis, saxofonist van het Spaanse duo Skullfuck, dat op Raw Tonk een album uitbracht met gehoorbeschadigende vrije improvisatie, vooral dan door de niet aflatende gierende, snerpende effecten van Polychronidis. Die zal ook op Supreme weinig traditionele dingen laten horen. Maar het begint al bij het kernduo. Serrato opent met een monsterachtig grommende elektrische bas, waarbij het klinkt alsof de snaren zwabberen als dikke, levende glibberkabels. Die bas is geen instrument, maar een prehistorisch beest dat zonet uit z’n slaap gerukt werd en zich uitgebreid uitrekt voor het hek helemaal van de dam is.

Met metal heeft het nog maar weinig te maken, of het moet al de tegendraadse variant van The Melvins zijn. Maar meer nog dan The Melvins, klinkt het duo hier als de Harvey Milk van Special Wishes of Courtesy And Good Will Toward Men, als een tergend traag kruipende sloopmachine, maar dan zonder strompelgitaar en bulderzang, en mét een sax. Een vast ritme of puls valt er niet te bekennen, ook niet nadat Díaz invalt (na een minuut of drie) met nonchalant gespreide slagen. Als de saxofonist zich bij het duo voegt, nog een minuut later, dan gebeurt dat al even eigenzinnig. Niet extatisch gierend of vet scheurend, maar met een half verkouden klank, alsof de saxbeker gevuld werd met dingen die daar niet in thuis horen (en beetje zoals bij het solowerk van Martin Küchen) en het boeltje vervolgens door een effect gestuurd werd.

Zodra de drie dat fundament gelegd hebben, zijn ze vertrokken voor meer dan een half uur samenspel met een zeurende, piepende, reutelende altsax die een semi-enerverende klanklaag legt op een onderstroom van voortdurend over elkaar schuivende bas en drums. De sound – de bas rechtstreeks uit de krochten van de hel, de drums eigenlijk gewoon gortdroog – is zo ongewoon, zeker in combinatie met het ganzengegaggel van Polychronidis, dat het zich ontplooit als een ziekelijke processiegang of als een dieselmotor die voortdurend de geest dreigt te geven, maar steeds opnieuw een laatste doodsreutel, een laatste woeste brul laat horen.

Als een kastijding, een onophoudelijke terechtwijzing, een soundtrack bij Christus’ Kruisweg, zo klinkt Supreme ook. De monnikspijen van de vroege periode zijn dus terug, al had vermoedelijk niemand verwacht dat het ging uitdraaien op deze hypnotiserende oefening in koppigheid, van het meest tegendraadse dat werd uitgebracht sinds die laatste studioplaat van Borbetomagus of, nog eerder, Prime van Dead Neanderthals (daar heb je Colin Webster weer). Eentje voor gulzige, open oren.

Meer info over de gelimiteerde oplages bij Utech Records.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − zestien =