Danny Brown :: Atrocity Exhibition

Het is geen sinecure om binnen de hordes jonge rappers op te vallen met een eigen stijl. Danny Brown moet zich daar geen zorgen over maken, want met zijn typerende toegeknepen, hoge stemmetje weet hij steeds de aandacht te trekken. Of dat in positieve of negatieve zin is, hangt vooral af van hoezeer je die bizarre stem kan appreciëren.

Bovendien blijft die stem toch een beetje een gimmick. Op “Tell Me What I Don’t Know” en “From The Ground”, twee songs uit Browns vierde langspeler Atrocity Exhibition (zijn eerste voor Warp), rapt hij bijvoorbeeld met zijn gewone spreekstem. Het doet wat denken aan Kendrick Lamars stemgegoochel, maar dan nog veel meer doorgedreven: Browns gewone stem is hier de uitzondering terwijl de heliumstem de regel vormt.

Het geeft wel meteen een opmerkelijk randje aan zijn vertelsels, want hoewel Brown qua onderwerpen niet de meest originele rapper is, zorgt die stem er soms voor dat het klinkt alsof je naar een gekke maffiafiguur zit te luisteren. Niet de serene baas, maar het licht psychotische hulpje waarmee je onder geen beding in de clinch wil gaan. De straffe verhalen die de rapper uit Detroit laat horen — meestal seksuele en aan drugs gerelaterde escapades — dragen ook bij aan dat sfeertje.

Maar het is vooral op vlak van productie dat Atrocity Exhibition eruit springt. Dat is in grote mate de verdienste van de Britse producer Paul White die het gros van het productiewerk op zich nam. Vooral opener “Downward Spiral” is een hoogvlieger: basgefrunnik, rommelende drums en snerpende gitaren zetten meteen de sfeer terwijl Brown zelf beelden als een kruising van Fear And Loathing In Las Vegas en Scarface oproept. Ook verderop verdringen de interessante geluiden en melodieën zich: verknipte soulstemmen in “Lost”, bizarre industriële disco in “Ain’t It Funny”, chaotische spaghetti western hiphop in “Golddust”…: deze plaat blijft sonisch verrassen.

De beat op het absolute hoogtepunt van dit album komt echter van Browns stadsgenoot Black Milk. “Really Doe” laat een vrij klassieke en eerder monotone beat horen, maar is met z’n dreigende, ijle klankvorming wel een dankbare basis voor wat met voorsprong de beste posse cut van de afgelopen jaren moet zijn. Kendrick Lamar levert een opgemerkte bijdrage als refrein en zet ook een sterk vers neer. Afsluiter Earl Sweatshirt legt K-dot daarbij wel nog het vuur aan de schenen, waardoor je in feite zou gaan hopen dat Sweatshirt vaker op dit soort klassieke beats zou rappen. Tussen al dat geweld lopen de bijdrages van Ab-Soul Danny Brown weliswaar een beetje verloren, maar ze staan toch hun mannetje.

Na “Really Doe” is het sterkste kwart van de plaat wel gepasseerd en zijn de uitschieters wat dunner gezaaid. Atrocity Exhibition stuikt dan wel nergens volledig in elkaar — al gaan de bizarre melodische bochten van “White Lines” die Brown na-aapt wel wat op de zenuwen werken en is “Dance In The Water” wat te chaotisch voor zijn eigen goed — maar verscheidene nummers weten zich niet echt te onderscheiden. De gevarieerde productie blijft weliswaar steeds lovenswaardig, maar de samenhang is soms wat zoek. Het feit dat de songs elkaar in een rotvaart opvolgen (enkel “Really Doe” gaat ver voorbij de drie minuten) helpt om de schwung erin te houden, maar door de korte impressies voelt Danny Browns eigen performance soms toch wat te vrijblijvend. Te veel mixtape, te weinig album: een klassiek euvel bij hiphopplaten.

Brown is misschien vooral een rapper die uitblinkt in talent rond zich verzamelen. De productie op deze vierde langspeler is vaak fantastisch en de gastbijdragen zijn ook vaak erg memorabel. Helaas blijft Brown, ondanks een duidelijke vocale identiteit, soms nog iets te oppervlakkig als rapper. Hoewel zijn aanpak hier in sommige songs zijn vruchten afwerpt, ontbreekt toch een duidelijke artistieke visie.

Danny Brown speelt op 19 november in Trix.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × een =