Beyond The Wizards Sleeve :: The Soft Bounce

Space, the final frontier? Niet als het aan de jongens van Beyond The Wizards Sleeve ligt.

Beyond The Wizards Sleeve is voor de helft Erol Alkan, die u kan kennen als maatje van de Dewaele broers, en voor de helft Richard Norris, lid van wijlen The Grid. Al enkele jaren katapulteren zij spacey remixen van heel uiteenlopende bands als Midlake, The Chemical Brothers, Franz Ferdinand en zelfs een heel album van Temples in een baan rond de aarde. Alkan zelf is solo bovendien ook al niet vies van het herwerken van zweverige types als LA Priester of Connan Mockasin. Dat duo heeft nu, in samenwerking met verschillende gastzangers-en zangeressen ook voor het eerst een album met enkel eigen composities opgenomen. Daarvoor hebben de twee voor een iets meer concrete, down to earth en soms zelfs meer rockgerichte aanpak gekozen. Wat niet wil zeggen dat de twee hun psychedelische elektronicakant bij het grof vuil gezet hebben. Ze beschrijven hun album dan ook onomwonden als een “trip”.

”Deliciuous Light” is bijvoorbeeld een fijne opbouwende, licht gloeiende opwarmer, maar “Iron Age” zet er daarna meteen stevig de beuk in met een combinatie van gruizige stofzuigergitaren, hyperactieve bliepjes en psychedelische gezangen. Dat hyperkinetisch draaien aan synthesizerknopjes is trouwens een fenomeen dat wel meer nummers kenmerkt. In “Creation” bijvoorbeeld zijn het dat knoppenspel in combinatie met door elkaar lopende effecten die voor het freakeffect moeten zorgen. Het probleem daarmee is dat je na enkele nummers het trucje van de scheve, als kogels afgevuurde bliepjes wel een beetje begint te kennen.

De invalshoek van de bubblegumpop is het duo echter ook niet helemaal vreemd. Zo biedt “Door To Tomorrow” strijkers en een voor hun doen vrij cleane zangpartij, tot de song openbarst tot een vrij klassieke droompopsong waarbij Emily nog eens opduikt (een verwijzing naar de vroege Pink Floyd). Je waant terug in de tijd van The Zombies. In “Black Crow” ontspoort die aanpak echter helemaal tot symfonische platte pop, waarbij zeker de zangpartij totaal door de mand valt.

Ondertussen bekruipt je als luisteraar wel langzaam het gevoel: waar gaat dit allemaal naartoe? Tot nu toe lijkt een rode draad immers ver te zoeken, iets wat waarschijnlijk ook wel de bedoeling van Alkan en Norris was. Maar dan moet je je luisteraar natuurlijk ook meekrijgen in je caleidoscoop, iets wat niet altijd lukt. “Tomorrow, Forever” bijvoorbeeld lijkt een soort bezinnend rustpunt met onderwaterstrijkers te willen zijn, maar houdt veel te lang aan om te kunnen blijven boeien.

Tegen het einde van de plaat vindt het duo echter eindelijk echt zijn draai. De rollende beats van “Diagram Girl” doen denken aan die van de laatste worp van Panda Bear, en in het titelnummer zorgt een dwingende percussie samen met mantra-achtige gezangen voor een hypnotiserend effect. Het nummer loopt naadloos over in “Finally First”, dat deze hypnotiserende sfeer verder probeert te zetten en daar zelfs aardig in slaagt. Hier zie je echt de kracht van groep. Alle door elkaar verweven laagjes klikken zweverig in elkaar, in plaats van dat één element als stoorzender optreedt of dat het nummer alle kanten opschiet. “Third Mynd” sluit de plaat af met een gesproken pleidooi voor het derde oog.

The Soft Bounce geeft vaak het gevoel dat Alkan en Norris niet helemaal konden kiezen wat ze nu juist wouden doen en soms dan maar op zoveel mogelijk toffe knopjes in de studio hebben zitten duwen. Dit leidt ertoe dat de coherentie vaak ver te zoeken is en sommige songs nogal bezwijken onder een teveel aan geluidjes. Tegelijk zorgt dat er wel voor dat zij die niet vies zijn van een verwarrend, heliumgevuld plaatje dat soms alle kanten op schiet, hier wel aan het juiste adres zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − zeven =