Op tour met A Place To Bury Strangers :: het dagboek van Rape Blossoms (deel 10)

Dezer dagen toert Rape Blossoms door Europa als voorprogramma van A Place To Bury Strangers. Wesley Buysse houdt voor ons een dagboek bij over de ervaringen van de band. Hieronder: deel 10.

TRIOMF VAN EEN OVERKILL

Ochtendstond geeft witbier in de mond, iemand zal de stapelbedjes moeten uitwringen. Niemand heeft goed geslapen omdat ik blijkbaar als een zieke beer heb liggen snurken. Met gezwollen ogen en leden bekijken we het beeldmateriaal van voorbije nacht en beseffen Essen te zullen missen. We willen ons wassen maar iemand was ons voor en heeft precies een stuk camembert gebruikt als zeep. We spoelen onze mond met pommeau en vertrouwen voor de rest op onze huidflora. In de wandelgang van de slaapzalen merken we elk een extra schaduw op – een groezelig metalheadkwartet is hier ook mooi in het ootje genomen door het Supports & Guests Hotel mit Supports Bar. Zonder woorden strijden ze met ons om de Beker van de Beste Band bij Toeval in Essen. We doen dit door elkaar aan te staren en stiekem te gniffelen aan de ontbijttafel, zeker als ze met de ongebreidelde bravoure van een Viking melk bij hun cornflakes gieten of met geheven middelvingers van hun glaasje sinaasappelsap sippen. Zoals dat gaat raken we toch slaags met elkaar. Om tien uur moeten echter vertrekken. We lossen nog een lijntje op in onze koffie en laten vier Teutoburgers in een lederslaatje achter.

We vinden de sleutel van onze slaapzaal niet meer en verdenken Dav ogenblikkelijk. Hij en sleutels gaan niet samen, maar doordat hij slaapwandelt en -snuift zadelt hij er zichzelf steeds mee op. Hij beseft het zelf zoals gewoonlijk niet meer en de vraag is of wij het wel willen weten. Dat timing niet zijn sterkste kant is hebben we nu al enkele avonden op rij mogen ervaren. Tijdens een zeldzaam lucide en openhartig moment vertelt hij ons dat hij al van kindsbeen af een hopeloos geval is. Zo ging klein Daafje vroeger vaak na het speelkwartiertje al naar huis en moest zijn mama hem dan terug naar school brengen. Horloges verkocht hij, ook die van zijn mama. Snugger kereltje, wel.

Op weg naar Berlijn krijgen we een klacht binnen. Een Duitse fan heeft deze ochtend onze plaat opgelegd en vastgesteld dat deze wat krom is, in die zin dat je er zeeziek van wordt. Dit probleem kennen we van vroeger. We stellen voor om de plaat te downloaden met de bijhorende code en zowel plaat als MP3 tegelijk af te spelen. Dit vergt wel een beetje timing. Niet veel later krijgen we een tweede klacht binnen. Weer die fan, ze heeft precies niet goed geslapen. We kunnen niet terug naar Essen en stellen voor om ergens een recht exemplaar achter te laten, bijvoorbeeld in een vuilbak aan Rastanlage Am Berge. Hiervoor zou ze zo’n slordige tweehonderd kilometer moeten sjezen – een uurtje dus, naar Duitse normen. Maar ze werkt niet mee – ze heeft zelfs geen knappe vriendin zitten in Berlijn. Ten einde raad ontfannen we haar. Aan Rastanlage Am Berge zeiken we als reigers in de drassige Duitse bodem. Lennert mompelt intussen ‘Oberhausen, Oberhausen’ op alle mogelijke manieren. Ik doe er het langst over en hoor de Vito achter me starten. De klojo’s willen weer van me af dus loop ik als een nadruppelende bezetene naar de wagen en gooi me er ineens voor. Dit maakt indruk, en de wagen ook op mij.

Zo’n bandenspoor op je gezicht misstaat niet als je een Raststätte langs de A2 binnenwandelt. Maffiosi van divers pluimage staan er met engelenlachen en littekens van oor tot neus te roken en vrachten te verhandelen. Het restaurant laten ze gelukkig links liggen. Een meisje van vijftig jaar maakt met veel liefde een Curry-Wurst voor Jona en een Gebratener Specktakel voor mij. Jona laat een mes vallen en steekt dit terug in het bakje. We gooien ons op de vleeshoop tot Jona per ongeluk zijn curryworst inademt. Ik ga snel mijn adrenalinespuit halen en plof deze heroïsch in zijn bil. Helaas prik ik mezelf in de duim in plaats van hem. Best eens zitten. Ik zie alles scherp, mijn hart bonkt. Dav is jaloers, hij kan dit niet onder stoelen of banken wegsteken en gaat buiten zijn bagel opeten. Ademen met een curryworst in je keel is lastig maar ça va, het gaat, gasten, piept Jona. Ik ga even uitblazen op een handsfree toilet en sta te kijken hoe zo’n R2D2 aan de haal gaat met het gevoeg. Zelfs de bril draait en wordt door een sproeiertje en borsteltje opgeblonken. Helaas zit ik er nog op. Met het bonnetje kopen Lennert en ik wat Leibnizkoeken en elk een flesje Kuemmerling om onze performance straks een tikkeltje bij te kruiden.

Duitsland is niet het land van de vlaggen en de laarzen zoals vele Canvas-documentaires ons willen doen geloven, maar wel van de muziek, en het hart voor de muziek klopt in Berlijn. Dat van onze vijfde Beatle, Nieuws, ook – hij heeft er namelijk een vriendin wonen. Het plan was dat we bij haar zouden overnachten maar zelf wist ze van toeten noch blazen dus heeft Lennert een hotel geboekt voor die personen. Blijkbaar moet ik voortaan vacuümverpakt of dichtgeritst in een slaapzak slapen, liefst van al ook nog eens in de Vito. We stoppen aan een tankstation en Jona leeft op, hij kan eindelijk de voorruit poetsen en doet dit voortreffelijk. Lennert moet zijn paspoort tonen voor een flesje Jägermeister. Een papperige lifter komt zijn neus in onze Vito steken en stelt vast dat er nog plaats is. Dat hij zelf eens een auto koopt, zeg. We sturen hem weer wandelen, hij was net goed bezig.

De stenen beren van Berlijn duiken op uit de bossen. We passeren Tempelhof. Enkele weken geleden heeft Dav er nog een selfiesessie gehouden, en waar de iPhone mee volstaat stroomt de mond van over. Niets ontsnapt aan zijn aandacht. “Dat is hier allemaal van Hitler geweest,” zegt hij, “heel dat spel,” en wijst ons op de uitgehouwen adelaars. Het vredesmonument kan hem dan weer maar matig boeien. Lennert wurmt de Vito met ijzeren hand tussen de trams, fietsers en hipsters en tikt er hier en daar een paar aan. Hij heeft zin in bier, niets houdt hem tegen tot we de Spree oversteken en de Mercedes-Benz Arena zien liggen. Onze Vito claxonneert, kwispelt en blaft met een opengeschoten capeau, maar Lennert drukt op zijn staart en dat was dan dat.

Na wat omwegen (de juffrouw van de GPS zei dat we een U-boot moesten maken) arriveren we in onze hostel, knus tussen kraakpanden en parkjes vol naalden maar nergens bomen. De Teutonentechno knalt erop los, er grazen Milkakoeien over het plafond, in de hoek staat Lenny de DDR-desktopcomputer. We hebben het hier gezien en sturen de Vito naar de Lido. Daar zijn de jongens van APTBS al aan het walsen over de authentieke houtvloer onder een Alexanderplatziaanse discobol. Ze zijn semi-enthousiast om ons nog eens te zien en vragen hoe het bowlen is geweest gisteren. Die mannen kunnen precies aan niets anders denken dan bowlen. As usual we had a lot of balls but no pins omdat de lanen aan de receptie er eigenlijk maar voor spek en bonen bij lagen. Het gesprek valt stil dus stellen we ons materiaal op.

Backstage kruip ik in Dions rockoutfit en geef ik het beste van mezelf in zijn plaats. Helaas is hij hier even getuige van en zit hij een poos met een rooie kop achter me aan. Ook Lennert doet dit omdat ik de verkeerde maaltijd voor hem heb besteld. Hierdoor moet ik uiteindelijk zonder gnocchi of gorgonzola het podium op. Het is eraan te zien dat we al een paar avonden op rij gespeeld hebben – alles zit strak en Dav zit er knal op, en dus geeft het Duitse volk een daverend applaus. Gestuwd door de massa banen we ons op het einde van APTBS’ set een weg in de rook op het podium en pikken hun instrumenten op terwijl zij met hun fourtrack en drumcomputer staan te klooien onder de discobol. Dav trapt af met drie lijntjes van Rowland S. Howard en we redden de boel. Het wordt een geniale jam, de triomf van een overkill.

Na het optreden maak ik kennis met een frivool meisje met een weelderige krullendos en een verrassend Mechelse tongval. Zoals dat gaat na een show, gaat het snel. Helaas is mijn vriendin achter mijn rug naar Berlijn afgezakt en heb ik haar te laat gezien. Ze komt met vileine hakken de fijnproeverij uit mijn gezicht meppen en laat haar twee reisgenotes hetzelfde doen. Na een moeizaam kwartier komen we in de buurt van een ontspannend gesprek. Ze hebben al heel wat gefietst hier en lekker gegeten – kortom, ze hebben al het mogelijke op korte tijd uit Berlijn gehaald. We toveren onze whisky tevoorschijn om de onbespreekbare dingen des levens te verbergen en plaatsen een dansje met de Merkels van dienst op de Balkan Beats in de balzaal. Dit houden we niet lang vol hoewel we moeten wachten op Lennert die zelf in een klein kamertje zit te wachten op onze gage terwijl een dikke dobermann aan zijn kruis ruikt en daar niet genoeg van krijgt. “Eight o’ clock, guys – no Hassle, no Hoff, and especially no drugs,” roept Bob als een baas naar de dovemansoren van de jongens van APTBS. Samen zakken we af naar Klaus Barbie Deinhoff’s, een getinte bar met een select publiek. Wie niet binnen durft, wordt uitgemaakt voor ‘vuile homofoob’. Dion voert een lang, diep en intens gesprek met mijn vriendin en ik ben blij dat hij haar bezig weet te houden zodat ik me op andere dingen kan concentreren, zoals de rest van de jongens want blonde haren en Polen zijn goed vertegenwoordigd. De sfeer scheert hoge toppen, Passion van The Flirts siert sensueel de speakers. Al snel kunnen we niet meer immer gerade aus stappen – spijtig dat Lennert al naar de hostel is met de Vito. We zetten de meisjes op hun fietsen en duwen hen ruw van ons af. Het baken van BASF dobbert op en af de grauwe skyline. Het wordt een lange, doelloze tocht langs de oevers van de Spree tot we aan de Muur opgehouden worden door drie bacons in burger. Ze sturen ons de goeie richting uit. Lennert heeft ons goed liggen vanuit dromenland en we moeten de hostelier en zijn loper optrommelen om in onze kamer te raken. De nacht eindigt wanneer Dav een raam opent en zich naakt aftekent tegen de hemel, weerspiegeld in de andere gevel, en in rook opgaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × vier =