Animal Collective :: 1 april 2016, Botanique

Een van de meest dwarse bands van de laatste vijftien jaar zijn en toch toegankelijk blijven: Animal Collective bewijst elke plaat een beetje meer dat het kan. Met het nieuwe Painting With… onder de arm toonde de groep zich vrijdagavond van zijn meest dansbare kant, zonder ook maar één toegeving aan het publiek te doen.

Ze komen dan ook van ver, de jongens achter het Beestencollectief. Begonnen als een bende stoners die psychedelische muziekexperimenten opzetten, groeide het tussen twee en vier leden variërende gezelschap uit tot een echte band die zijn grillige muziek steeds meer ging harnassen, en avant-gardistische neigingen en songschrijfkunde hand in hand liet gaan. Een toegift aan het publiek? Niet echt. Jaren later maakte de groep er een punt van om live niet de songs van zijn nieuwste plaat voor te stellen, maar wel muziek die — misschien — op een volgende kon komen.

Sinds de groep met Merriweather Post Pavillion bij een groter publiek doorbrak, is op dat vlak enig water in de wijn gedaan, maar ook vandaag — twee platen en zeven jaar verder — weigert de groep nog steeds om een blik publiekslievelingen open te trekken. Animal Collective is hier om het nieuwe Painting With… voor te stellen, en dus mag u geheide knallers als “My Girls”, “Purple Bottle” of “Brothersport” op uw buik schrijven.

Dat had jammer kunnen zijn, want de tiende plaat van deze band, richtingloos en bij momenten zeurderig, is verre van hun beste, maar het draait anders uit. Aangevuld met een nieuwe tourdrummer — een primeur voor de band — tonen Noah Lennox, Dave Portner en Geologist zich van hun meest directe kant. Zonder omwegen worden nummers eruit gehamerd; precies zoals dat bij het schrijven van Painting With… de bedoeling was.

Die extra drummer blijkt al van bij opener “Recycling” een gouden zet. Zijn dynamische spel geeft het toetsen- en knoppenwerk van het statische drietal voor hem lijf en leden; de beats zijn potig en stuwen de songs voort, zodat ze voor één keer niet oeverloos kunnen meanderen — een euvel waar Animal Collective in het verleden al eens aan durfde lijden, maar met een extra lid dat geen deel is van het collectieve brein moest er wel gerepeteerd worden en zit de band strakker dan ooit.

Dat is nodig voor een set waarin de ene song naar gewoonte naadloos in de andere overgaat en de zang van Lennox en Portner — de Lennon en McCartney van de moderne psychedelische rock — elkaar afwisselt. De één doet het in “Daily Routine” klaaglijk en langgerekt, de ander, als een lang vergeten Beach Boy uit de kleuterschool, moet het nog steeds hebben van luide kreten en opgewonden indianengekeel zoals in “Hocus Pocus”.

Voor het eerst kun je naar Animal Collective kijken en hoor je bijna een normale band, of toch naar hun normen: alles mikt meer op de benen, gaat zonder omwegen op zijn doel af. In “Golden Gal” mogen de bassen rollen terwijl Jeremy Hyman in dwarse antiritmes loos gaat op zijn drumkit. De springveerintro van “Lying In The Grass” wordt dan wel doorspekt met Indiaanse fluitgeluiden, het blijft een aanstekelijke springveerintro, en “Natural Selection” beukt en stampt als een losgeslagen zebrastampede: niets ontziend, alles vertrappelend.

Dan toch herkenningsapplaus. Niet voor een van de vanzelfsprekende hits, maar voor “Bees”, een oudje uit 2005, dat minutenlang wordt uitgesponnen voor het overgaat in een ernstig hertimmerd “Alvin Row”, van op het bijna vergeten debuut Spirit They’re Gone, Spirit They’re Vanished, en een beat komt binnen gehelikopterd. Plots zitten we met een regelrechte dancetrack, en de groep gaat even op dat elan door met “Loch Raven” — alweer van op dat tien jaar oude Feels — waarin een mellow xylofoonriedeltje een housebeat vergezelt; erg Ibiza, tot de groep besluit dat het iets steviger mag en de bassen echt gaan beuken. Op het einde lijken de synths van Goose het zelfs even over te nemen, maar het is het klaroengeschal dat setsluiter “The Burglars” — meer klassieke Animal Collective — aankondigt.

Het is onverwachts dat een groep wiens plaat we hierboven nog hard wegzetten de dingen live zo weet recht te zetten. Wanneer “Floridada” — vier minuten exotische uitzinnigheid als had Vampire Weekend een waarlijk excellente LSD-trip — een laatste uitroepteken achter de bissen zet, staan we daar echter niet langer van te kijken. Wie een single van dit kaliber kan schrijven, kan met een paar maanden extra bedenktijd gerust zijn fouten corrigeren. Animal Collective is in de vorm van zijn leven en heeft alles in zich om komende zomer voor heerlijke momenten te zorgen. Als u een geheimtip van het huis wil: begin september headlinet de band het geweldige End Of The Road-festival in Zuid-Engeland: dat zou wel eens Een Momentje kunnen worden. Geen dank.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie − 2 =