Desertfest 2015 :: Goede Vader, laat ons trippen

Vorig jaar konden we vaststellen dat de eerste editie van het Belgische Desertfest een stevig schot in de roos was. Met een topaffiche (Yob, Pallbearer, Electric Wizard) en een vol huis waren we na drie dagen uitgeput en potdoof en dolgelukkig. Een minder straffe line-up dit jaar (en daarom ook wat minder volk) hield de euforie wat tegen, maar voor uitputting en tinnitus kan je ons ook al uit ons kot krijgen. Een stonerhand is gauw gevuld.

Vrijdag

Treinstakingen en algemene verkeerschaos zorgen ervoor dat de ruime omgeving rond Antwerpen nu eens écht parking wordt. Wereldburger zijnde, fietsen we gezwind voorbij de monsterfile naar het monsterfestival in Trix, waar we aan een halfleeg Canyon Stage (lees: de club) kunnen kijken naar de Mechelse snorrenclub van Psychonaut. Deze drie jonge kerels hebben zich toegelegd op het smeden van withete stonerepossen, maar hebben het verstand om genoeg subtiliteit, melodie en dynamiek in hun songs te steken om de aandacht te trekken in het Vlaamse undergroundmilieu, waar ze her en der een pot zien te breken. Troeven zijn het muzikale vakmanschap (de riffs van Stefan De Graef zijn om duimen en vingers bij af te likken) en de duozang van De Graef en bassist Thomas Michiels. Stefan is steevast de blaasbalg van dienst, Thomas legt wat meer subtiliteit, maar ook bakken grinta in zijn stem. Die combinatie is een winner, zeker als je het epische “Psychedelic Mammoth” aanhoort, dat samen met de schitterende opbouw uitmondt in een fantastische climax. Een klein meesterwerkje dat het eerste optreden van dit festival afsluit, we zijn al slechter begonnen.

Van subtiliteit en melodie hebben de Zweden van Monolord nog nooit gehoord. Dit trio heeft slechts drie lemma’s in het woordenboek staan: hard, luid en compromisloos. Dat hoor je meteen bij “Died A Million Times” uit hun laatste plaat Vaenir, dat met een topzware monsterriff de grote zaal van Trix (de “Desert Stage”) kapot beukt. Afsluiter “Empress Rising” doet dat nog eens fijntjes over. Het is allemaal even subtiel als een roestige machete, maar de heren hebben het trucje zo goed in de vingers, dat ze de zaal moeiteloos op hun hand krijgen.

Voor wat meer subtiliteit en afwisseling kun je na de afranseling van Monolord terecht aan de Vulture Stage (het café) voor The Heavy Crown uit Bruhhe die scone. Het drietal heeft duidelijk in de platenkast van vader en moeder zitten snuisteren, want de seventiesrock gutst met liters uit de versterkers. De stevige, bluesy acidrock wordt dan nog eens met heel wat panache, melodie en swing gebracht, met de knappe stem van zanger Tristan Vandenbouhede als versiering op de cake. En het funky orgeltje (Deep Purple in da house!) bij nummers als “Ghost By The Lake” maakt het alleen maar beter. De heren hebben nog wat werk aan hun showmanship, het oogde allemaal nogal statisch en onhandig, maar muzikaal zit The Heavy Crown helemaal snor.

Het trio van Moon Duo (kei verwarrend, gast) zijn ook niet bepaald showbeesten, maar met hun gestaag dreinende psychedelische rock is dat niet echt nodig. Eén riff, een basic ritme en we zijn vertrokken voor een minuut of vijf. Van complexe songstructuren moet Moon Duo het dus niet hebben, maar het betere solowerk van zanger-gitarist Eric Johnson (zie ook Wooden Sjips) en de spacey keyboards van Senae Yamada zorgen voor de nodige textuur. Aanvankelijk doet het ons niet erg veel, en krijgen we het ondanks de vele dansers om ons heen niet erg warm van deze set. Tot plots driekwart weg het optreden, na vijf minuten als een onnozelaar naar de spaced out visuals kijken, het kwartje wel valt en we worden meegezogen in de trance van Moon Duo. Apestoned zijn zou ook geholpen hebben, wist men ons achteraf te vertellen.

Uit Oekraïene of all places komt het drietal van Stoned Jesus. Enfin, tweetal, eigenlijk. De drummer zijn paspoort is gepikt ergens in Hongarije, dus de band moest het doen met een sessiemuzikant. We dachten al zoiets, want die drummer steekt maar bleekjes af tegen het ongebreidelde enthousiasme van zanger en bassist, die er heel erg veel zin in hebben. En dat slaat ook op de aanstekelijk bluesy stoner die met bravoure en energie over het publiek wordt uitgestort. Vooral de solo’s van gitarist Igor zijn werkelijk buitengewoon. Slotnummer “I Am The Mountain” is een dikke hit aan de Canyon Stage, en de eerste crowdsurfers van de avond worden gespot: de band zelf. Feestje? Feestje.

Dozer gaat al een hele poos mee in de stonerwereld, en is dan ook vrij terecht headliner van de eerste Desertfest-avond. De Zweden mogen dan altijd wel een beetje underwhelming zijn op plaat, op een podium staat Dozer steeds garant voor een flinke brok energie. En ook deze keer zit de poeier meteen in de set. Met dank aan de imposante verschijning en dito gitaarwerk van gitarist Tommi Holappa, en het energieke drumwerk van Olle “Bull” Mårthans (die bijnaam staat daar niet voor niks). Zanger Fredrik Nordin blijft echter, zelfs na al die jaren, een zwakke schakel in de line-up, met een vrij zwakke stem (die door de vele effecten alleen maar eigenaardiger klinkt) en saai, routineus gitaarspel. Wanneer hij naar het eind van de set in het midden van een nummer de plaat poetst (niet de eerste keer dat we hem dat zien doen), ontbindt Holappa even zijn duivels door er een solo-jammomentje uit te wringen, maar dat duurt jammer genoeg maar even. Nu, begrijp ons niet verkeerd, als Dozer onder stoom staat zijn ze nooit minder dan uitstekend, maar de nummers zijn niet altijd even sterk, waardoor de set soms aan spankracht verliest. Holappa krijgt van ons een tweede zit op zaterdag, wanneer hij met zijn andere band Greenleaf op hetzelfde podium staat.

Afsluiter van dag 1 is het Amerikaanse Carlton Melton. Het zijn duidelijk vreemde eenden in de bijt: het drietal is op de leeftijd dat ze makkelijk de vaders van sommige twintigers in het publiek kunnen zijn, en ze zien er ook nog uit alsof ze in hun vrije tijd fanatiek sigarenbandjes verzamelen. Maar de intense, psychedelische trip waarop Carlton Melton ons meeneemt is onwaarschijnlijk far out! Lang, uitgesponnen en dromerig als het kan, maar ook puntig en zwaar als het moet. Vooral de lange, opzwepende temporisering die als één lange climax het eind van de set domineert, en uitmondt in een dreinende drone is niet minder dan indrukwekkend. De laatste doet het licht uit voor vanavond, en gaat ook meteen met de pluimen van beste optreden van de avond lopen.


Zaterdag

Dag 2 van deze Desertfest gaat voor ons van start met het Brusselse zootje ongeregeld van The Progerians. Een kerntrio gitaar-bas-drum dat af en toe wordt aangevuld met effecten en zowaar een trompet. Bassist Piotr en drummer Thomas leggen een loodzware “bottom feed”, die door gitarist Fabe wordt opgefokt door de ene na de andere vette gitaarlijn. Allemaal leuk en stevig, maar het is pas wanneer de trompet zijn opwachting maakt, dat de set naar een hoger niveau wordt getild. Wat niet echt gezegd kan worden van de kerel achter de effectentafel. Halverwerge de set maken we de eerste rock-‘n-rolltragedie van het festival mee: als zanger vier keer om een pintje vragen, en net op het moment wanneer dat voor je neus wordt gezet door je stem gaan. Er zijn er al voor minder hun verstand verloren.

Na de eerste puike set van de dag, de eerste teleurstelling. Beelzebong begint nochtans goed: de drie gitaristen hebben de woorden “Smoke Weed Now” achteraan op hun instrument gekleefd, en tonen die bij wijze van begroeting aan het publiek. Dat bevel wordt prompt opgevoerd, zoals onze neusgaten dat snel gewaarworden. Muzikaal wordt er echter net iets te opzichtig leentjebuur gespeeld bij Sleep en Electric Wizard om dit optreden origineel, interessant of zelfs leuk te vinden. Maar misschien waren we nog te nuchter, natuurlijk.

Voor het Nederlandse Monomyth zijn geestverruimende middelen geen must om de sfeer van het optreden helemaal in je op te nemen. We vallen de zaal binnen wanneer de imposante spacerock van het geweldig getitelde “Vanderwaalskrachten” stilaan naar de eerste climax opbouwt. En zo komen er nog meer, want het imposante maar o zo gelaagde geluid van Monomyth verdraagt even makkelijk stevige uithalen als zweverige passages. De band surft een gans optreden lang op een indrukwekkende psychrock-golf, die culmineert in een fantastisch uitgevoerd “6EQUJ5” dat deze schitterende set op majestueuze wijze afsluit. Een van de optredens van dit festival, en dit zo vroeg op de avond. We worden verwend.

Als oude rotten in de wereld van de Belgische “noise en andere vuiligheid”, kon Vandal X niet ontbreken. Met een spiksplinternieuw album onder de frisgewassen oksels bestijgt het duo Timmermans-Liket de Canyon Stage met hun gekende explosieve cocktail van kettingzaaggitaar en kanonskogeldrums. Van de peace en love die hoofdzakelijk heerst in stonerland wordt geen spaander meer heel gelaten. Wat wil je natuurlijk, als je teksten als “I have a baseball bat in the back of my car” over het publiek uitspuwt. We onthouden een ziedend “A Crying Shame”, de allereerste single “Flashlight” (uitgebracht in 2015) en een beestige Front 242-cover “No Shuffle”. Een klinkende homerun voor Vandal X. Dan dient die baseballbat nog ergens voor.

Dubbele shift voor gitaarreus Tommi Holappa. Gisteren aan de bak bij Dozer, vandaag aan de slag bij Greenleaf. Niet dat Holappa zich daarvoor moest omturnen (we betwijfelen of hij zo’n uitstekend gymnast is), want ook Greenleaf is van top tot teen opgetrokken uit de bluesy stonerriffs uit zijn gitaar. Enig verschil is hier wel dat hier geen lomp beukwerk het begeesterd gitaarspel aan flarden rijt. Zanger Arvid Jonsson helpt dan ook een stevig handje mee door zijn melodieuze maar krachtige bluesy stemgeluid in de strijd te werpen. Dat doet hij trouwens ook met zijn podiumpresence, waardoor het lijkt alsof er constant een opgefokte buffel over het podium dreint. Hoogtepunt is zonder twijfel de cover van John Lee Hookers “Boom Boom Boom”, die uitmondt in een leuk meezingmoment. Meer dan uitstekende show, en een goedmaker voor het zwalpende Dozer van gisteren.

De Fransozen van Mars Red Sky waren op voorhand al getipt als buitenbeentje. En dat was niet gelogen. Zanger Julien Pras speelt op een bijgetimmerde, knalblauwe, semi-akoestische gitaar, en die eigenzinnigheid steekt hij ook in de nummers en in zijn wat vreemde, iele, cleane zang. Er zijn genoeg mensen in het publiek die dat opperbest vinden, alleen zijn wij daar jammer genoeg niet bij. De set verdrinkt te veel in contemplatief geneuzel om de best sterke hevige stukken te compenseren. Teveel filler, te weinig killer. Jammer.

De liefde aan de Desert Stage is groot voor Orange Goblin, de immer sympathieke Engelsmannen onder leiding van Ben Ward, de Big Friendly Giant van de stonerwereld. Er moest en zou dus een zwaar feestje gebouwd worden. Stagedivers worden door het publiek gedragen, mosh-, circle- en andere pits worden opgebouwd en vuisten worden te pas en te onpas hemelwaarts gericht. Muzikaal echter stelt Orange Goblin niet bijster veel voor: het harde, maar wat lompe beukwerk begint dan ook na enige tijd wat te vervelen. We laten het feestje voor wat het is, en begeven ons naar de kleine Vulture Stage.

Want daar staat de meest intrigerende band vanop de affiche klaar om van wal te steken. Het is te zeggen: USA Out Of Vietnam krijgt om onduidelijke redenen een kwartier “straftijd” aangesmeerd, en moeten (hoewel ze er helemaal klaar voor zijn) noodgedwongen wachten. De enorm sympathieke Canadezen nemen het op met een kwinkslag (“We have to wait? Come on, this is already the biggest crowd we’ve ever played for”). USA Out Of Vietnam is waarschijnlijk de jongste band op de affiche, met slechts enkele jaren op de teller en één full-album in de platenkast. Maar de unieke combinatie van Silver Mount Zion-achtige postrock, slugdemetal en shoegaze is hoogst uniek en ongewoon te noemen.

Openingsnummer “You Are A Comet, You Are On Fire” is meteen een schot in de roos, met intrigerend gitaarspel dat het midden houdt tussen weids en brutaal en een gedurfd spoken wordstukje (op tape) in het midden. Het begeesterde vijftal speelt ook een nieuw nummer, en levert daar meteen het mooiste, intiemste moment van het festival mee af. De emotionele uitbarsting op het einde van het nummer is een enorm kippenvelmoment. De set wordt afgesloten met een ietwat vertimmerde versie van “Tonight The Dead Walk”, een majestueus slot voor een even waarlijk schitterend optreden, dat heel hard solliciteert naar show van het festival. We waren tussen al dat rücksichtlos gebeuk even vergeten dat heaviness en schoonheid hand in hand konden gaan. Gelukkig was er USA Out Of Vietnam om ons daar aan te herinneren. En we waren niet alleen: nog geen uur na de set kregen ze al een volgend optreden aangeboden. 28 oktober in Antwerp Music City: mis ze deze keer niet!

De drie Denen van Causa Sui zien er uit alsof ze nog nooit een lief hebben gehad omdat ze te veel op de Playstation zitten. Zo erg zelfs dat we pas halverwege het optreden in de mot krijgen dat er nog een vierde lid (een keyboardspeler) op het podium staat, zo bewegingloos als hij op zijn toetsten tokkelt. Gelukkig kan dit ietwat potsierlijke gezelschap wél overweg met knap gespeelde psychedelische rock à la Colour Haze. We kunnen maar een halve set meepikken, maar we zien wel een band in uitstekende vorm, met een zeer hoog spelniveau en nummers die erg strak in het pak zitten. We zouden hier wat graag meer van zien, maar aan het hoofdpodium wacht ons de headliner van vandaag.

Earth mag dan wel een eerder onconventionele hoofdact zijn op een stonerfestival, maar wie de geschiedenis van de band rond Dylan Carlson kent, weet dat dit niet zo’n vreemde keuze is. De trage, rustige, maar intense en doorleefde instrumentale muziek van Earth roept beelden op van weidse woestijnen, maar net zo goed van uitbarstende vulkanen. Jammer genoeg is niet iedereen mee met deze keuze, en moeten Carlson en de zijnen voor een halflege zaal spelen. U mag dat gerust een grote schande vinden. Zij die de benen hebben genomen, missen echter een knappe, hypnotiserende en onverwacht zware (daar zat Carlsons herontdekking van het distortionpedaal voor iets tussen) uitvoeringen van “There Is A Serpent Coming”, een fantastisch “Old Black” en “High Command” die van deze meer dan een uur durende trip een holistisch, zalvend ritueel maken, dat ons geestelijk gezuiverd naar huis stuurt. Prachtige afsluiter van een fijne dag, waar subtiliteit en inventiviteit het met stip haalden van het stampen en rammen. Niet slecht, Desertfest.


Zondag

De derde dag van het festival is meestal de dag waarvoor men het woord “brak” heeft uitgevonden. Zo voelen we ons ook wel een beetje na twee dagen stoner, metal, psych en rock-‘n-roll (en ja ja, ook behoorlijk wat pintjes). Eerst een dutje na de zondagsmis dus, en dan hop naar Trix, waar Tangled Horns klaar staat om de Canyon Stage af te breken.

Want dat is waar deze Kempenaars goed in zijn. Zanger Tim Vandeplas (naast het podium best een aimabele kerel) dendert over het podium als een dolgedraaide olifant die zowat alles in zijn tred meesleurt (er vliegt halverwege de set een flightcase het publiek in), maar doet dat zo aanstekelijk dat je het allemaal niet zo erg vindt. Voor de horde fotografen die zich verdringt voor het podium is het in ieder geval gefundenes fressen. Gelukkig is de muziek ook meer dan puik, met een flinke greep uit de EP Immovable Object, een paar nummers uit het album Klang en een nagelnieuwe song. De potige stonerblues van Tangled Horns is puntig, gespierd en bevlogen en dropt het eerste bommetje van deze rustige zondag. Desertfest en openingsacts: het is me wat deze editie.

Op naar de mainstage voor de zotskappen van Valient Thorr, die met hun woeste en razende testosteronrock de grote zaal platwalst. Zanger Valient Himself is hoogstwaarschijnlijk als kind in de magische toverketel met speed gevallen, want hij draaft non stop als een hyper-opgefokt duracellkonijn over het podium. Zijn hoogst bizarre bindteksten doen ons vermoeden alleen maar groter worden, maar toegegeven: ’t is wel topentertainment. Dat kan je ook zeggen van de 75-toerenrock-‘n-roll die de band uit de versterkers pleurt, met een glansrol voor de drummer (we kennen hem niet, maar het is zeker niet Lucian Thorr, die is wat blanker) die met de power van een formule 1-bolide de onnavolgbare ritmesectie bestiert. Het wordt ons bij momenten wel wat té druk allemaal, maar we durven u niet wijsmaken dat we ons verveeld hebben, wel integendeel.

Papir uit Denemarken kan je qua sound en stijl vergelijken met hun landgenoten van Causa Sui die gisteren op hetzelfde podium het mooie weer maakten. Beide bands zitten dan ook op hetzelfde El Paraiso label. De Colour Haze-referentie is duidelijk, maar de eigen draai eraan is dat ook. Vooral de swing en zwier die aan de instrumentale spacerock worden gegeven, werken wel heel erg aanstekelijk. Wat een muzikanten ook: het drietal staat op onwaarschijnlijk hoog niveau te musiceren. Ons oog en oor vallen meteen op drummer Christoffer Brøchmann Christensen, die intens powerplay moeiteloos combineert met een jazzy flair. De vele roffeltjes en ghostnotes zorgen voor detail en gelaagdheid, zonder te vervallen in nodeloos gebeuzel. Maar ook bassist Christian Becher Clausen toont zich van zijn beste kant, en injecteert in “Monday” een stevige portie funk. Grandioze set van deze Kopenhagenaren, die voor velen in de zaal niet lang genoeg kon duren. Zeker die kerel die na afloop “Spelen trut!” bleef roepen. Tenzij dat Deens is voor “geweldig optreden” natuurlijk.

Vanaf nu is het enkel nog de mainstage die we zullen frequenteren. Het hollen van het ene naar het andere podium hebben we nu stilaan wel gezien, het is tenslotte zondag. Maar spijt hebben we daar niet van, want bij Ufomammut is het meteen bingo. De drie Italianen halen een 9 op de schaal van richter, en met het uitstekende geluid in de grote zaal van Trix (al heel het weekend top) klinkt Ufomammut zo nodig nog massiever dan gewoonlijk. Tel daar nog de bij momenten magnifieke visuals bij (die grot!!), en je krijgt een recept voor een absolute topshow. Het drietal wisselt kortere, intense nummers af met traag opbouwende monolieten. Nooit klinkt deze set minder dan kolossaal en overweldigend, maar nooit wordt het ondraaglijk of over the top. Het laatste nummer van de reguliere set illustreert dat met brio, ook al eindigt het echt ongemeen heftig. Bij het bisnummer wordt alle resterende munitie verschoten. De zaal staat op zijn kop. Alles kapot. Met voorsprong het optreden van de dag.

Want de voorlaatste band Bongzilla evenaart zijn voorganger misschien wel in volume, maar qua intensiteit komen ze niet in de buurt. Het gezwind doorgeven van dikke frietzakken weed heeft daar waarschijnlijk wel iets mee te maken, maar ook missen de nummers wat dynamiek en geladenheid. Drummer Mike Henry doet nochtans zijn stinkende best om krachtige en inventieve drumlijnen onder de zompige riffs te steken, maar slaagt daar maar half in. Dan vonden we de passage van Weedeater, de andere band van bassist “Dixie” Dave Collins, op Roadburn enkele jaren terug van een heel andere orde. Zij het een niet minder stonede.

Afsluiter en top of the bill van deze Desertfest-editie is dit jaar Goatsnake, die na een klein decennium stilte een nieuwe plaat opnamen en volop aan het touren sloegen. Enkele maanden terug stonden ze nog in de Kreun, en zij die er toen bij waren kregen… nagenoeg dezelfde set voor de voeten geworpen. Op zich is dat geen levensgroot probleem, maar al gauw blijkt dat het vuur en de goesting van vier maand geleden helemaal verdwenen is. Het begint nochtans vrij sterk met golden oldies als “Slipping the Stealth” en “Flower Of Disease”, maar wanneer er aan de nummers van de nieuwe plaat begonnen wordt, zakt de hele set als een pudding in elkaar. Met “The House Of The Moon” valt het nogal mee, maar daarna is alle spankracht en begeestering uit het optreden verdwenen. Met lusteloze uitvoeringen van “Black Age Blues” en “Graves” voelen we al dat er stront aan de knikker zit, en dat wordt enkel maar bevestigd door een nodeloos gerekt “A Killing Blues” dat kant noch wal raakt, behalve misschien de opflakkering naar het einde toe. Op bisnummer “Elevated Man” mag gitarist Mario Lalli van Fatso Jetson meejammen, maar het feestje op het podium komt nauwelijks over, en we zien enkel maar een bende zelfgenoegzame muzikanten zichzelf schouderklopjes geven. Het moest hét slotvuurwerk van deze zeer aardige Desertfest worden, maar het werd een enorme sisser. Fuck, wat jammer nou. Volgend jaar dan toch maar die dekselse Melvins bij de kraag vatten?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − zeven =