WERCHTER 2015 :: Wankele strategieën, gewonnen spel

Soooo, Werchter: we meet again. Voor de twaalfde keer strijkt ook uw enolateam neer voor vier dagen gevuld met fun, bier, en hopelijk wat goeie muziek. Herman, we zijn er: het mag beginnen!

Dag Een

Oef. Geen Foo Fighters, vandaag. Hebben de serieuze mensen tenminste een beetje plaats op de wei. Ja, man, vergeet het. Komen al die pubers blijkbaar voor Years & Years, staat die KlubC nu al bomvol. Een mens vraagt zich af waarom, want dat dit groepje nog niet klaar is voor dit niveau blijkt nog maar eens.

Wankele, maar broodnodige strategie daarbij: twee hits lossen aan het begin, en dan hopen en bidden dat al dat volk er op het einde nog staat voor de enige echte knaller die je hebt. Missie geslaagd op dat vlak, maar jongens wat een ellende eenmaal dat openingssalvo “Take Shelter” – Hot Chip-goes-reggaeton/”Desire” achter de rug is. Dan hoor je wat voor vulsel dat binnenkort te verschijnen debuut vooral zal bevatten. “Gold”, “Shine”, ze zijn op hun best kopieën van doorslagjes van die twee openingsnummers, en ook frontman Olly Alexander kan er zich in deze zweterige tent niet helemaal voor opgepept krijgen; het passeert zonder veel indruk te maken, en ook het publiek laat het allemaal over zich gaan zonder veel enthousiasme. Tot de pompende synths en het euforische refrein van “King” de werkzaamheden dan toch mogen afsluiten en de tent alsnog ontploft. Een three-hit-wonder; bestaat dat?

Neen, dan heeft First Aid Kit het gemakkelijker om veertig minuten lang te boeien. Vorige week speelden de zusjes Söderberg nog het hoofdpodium van Best Kept Secret plat, met een compactere set is die gezellig ingerichte vernieuwde Barn een makkie. Klara en Johanna kiezen het stevigste uit hun werk –”King Of The World”, “Wolf”, “Silver Lining” –, beperken de country- en folkballads met “The Master Pretender” en “Waitress” tot een minimum, en overtuigen op power. Natúúrlijk wordt er weer geheadbangd op “The Lion’s Roar”, ontaardt “Heaven Knows” in een krijsfestijn, maar het is afsluiter “Emmylou” die vandaag de winnaar is: hier lukt dat meezingspelletje wél, neemt een hele tent dat refrein over, en kunnen de Sôderbergs met een brede grijns afscheid nemen; game, set, and match. Het zou ons niet verbazen als een hoop tieners komende week eens wat van deze zussen zullen torrenten. Tip: op cd klinkt het nog véél beter, kinders!

Royal Blood? Kijk, daar hebben we ons vorige week nog maar pas mee bezig gehouden. Aan (mvm) om zich daar zaterdag om te bekommeren. Afgesproken, van Meer?

De te groot ontworpen app leert ons dat het vervolgens de beurt is aan Jungle, officieel uit Groot-Brittannië maar officieus from space. Zes letters, zeven koppen en leverancier van een veelvoud aan breuken, verrekkingen en andere scheuren die onverantwoord dansgedrag met zich meebrengen. De band mikt op een homogene, constante set, maar zorgt halverwege met “The Heat” voor eens eerste golf van extase door de goed gevulde tent. Falsetto’s, groovy drums en synths als bloemsuiker op een Brusselse wafel: het klinkt allemaal prettig tot opdringerig, als iemand die het geen twee keer moet vragen maar het toch drie keer doet. Met aan het eind: “Busy Earnin'”. “Time”. Homerun.

Met zijn veertig jaar, is haar debuut ongeveer even oud als Rock Werchter, toch stond Patti Smith nooit eerder op het festival. Natuurlijk is dat een schande, en om dat even stevig recht te zetten brengt ze vandaag in The Barn dat Horses dan maar van begin tot einde. Krijgen we dus als opener, dat immer genuanceerde “Jesus died for somebody’s sins / but not mine” en een al meteen razend “Gloria”. Het zal niet inzakken. De reggae van “Redondo Beach”, een smekend “Break It Up”,… het volg trefzeker en met overtuiging. Wat opvalt: zelfs een woest “Free Money” krijgt geen vurige improvisatie tegen het kapitalisme me, al heeft Herman Schuermans, boegbeeld van het geldgraaien, de oppergodin van de punk in het gareel gekregen. Het maakt even niet veel uit, want “Land” krijgt een woeste uitvoering die bekeerlingen ter plekke van hun paard bliksemt. Is dit een geschiedenisles of Pinksteren? We durven er in elk geval een meter pinten voor verwedden dat Spotify komende week overuren zal draaien in de sector “Godverdomme die Patti Smith was wel héél straf, wie de fuck is de mémé met haar moustache?”. En dan moet een verschroeiend “My Generation” als afscheid dus nog komen, inclusief rant tegen gemakkelijk geldgewin en een gebrek aan bezieldheid. “We are children of freedom” raast ze, en die kan de De Schuer in zijn zak steken Oppergodinnen winnen altijd. En eigenlijk kunnen we naar huis, want beter wordt het niet.

Ware het niet voor de euforische storm die Florence met heur machien ontketent. Haar eerste Belgische festivaloptreden in de Club op Pukkelpop in 2009 — debuut Lungs was nét uit — was op het randje af legendarisch, want toen al wist je: zij wordt groot. Dezelfde impact heeft deze orkaan van ontlading op Werchter, en nu voorzie je: ooit sluit ze hier af, en met deze set had ze dat vandaag al gerust kunnen doen. Met een uitgekiende setlist die geen enkele keer inzakt, bouwt ze op naar een “Dog Days Are Over” dat door de springende massa seismografische trillingen door Rotselaar jaagt. En dat klopt ook: haar “dog days” zijn wel degelijk over en dat mag iedereen geweten hebben. Na een destructief huwelijk van drank en depressie, schreef ze alles van zich af op haar klaterende derde en wellicht ook beste plaat How Big How Blue How Beautiful. Op die plaat verruilt ze de logge synths van Lungs met een natuurlijker geluid, opgeblonken door een batterij koperblazers. Die stuwen ook live, bespeeld door enkele ravissante achtergrondzangeressen, het titelnummer van haar plaatste plaat en bommetje “Queen Of Peace” omhoog. Het is het hart van de set, maar tegen dan heeft Florence er al een quintet singles tegen aan gegooid met “What The Water Gave Me”, “Ship To Wreck”, “Shake It Out”, en eerste daverend hoogtepunt “Rabbit Heart”, haar samenwerking met Calvin Harris “Sweet Nothing”. De weide laat het zich overkomen als de eerste lentedagen na een barre winter. Hashtag hoera.

Ondertussen wordt duidelijk dat haar eerste album niet toevallig Lungs heette. Ze zet het op een marathonlopen van hot naar her, danst als een derwisj over het podium en zoekt met haar stem connectie met de aanpalende provincies; wat een klok! Florence straalt good vibes uit die hun effect niet missen: er wordt gelachen, gedanst, geknuffeld, op elkaar gekropen dat het een lust is. Florence laat als een hogepriesteres de meute uit haar hand eten. “What Kind Of Man” mag verrassend trefzeker (alsof ze nog even de laatste mannelijke boze geesten uit haar lijf wilt verdrijven) de climax op gang trekken die “Spectrum” en “You’ve Got The Love” voor een ondertussen wijd open goal binnenkoppen. Dit had nog een uur mogen duren, en dat zal het ook bij haar volgende passage op Werchter. Wat een ontlading, wat een euforie.

Hot Chip past zich nadien gewillig aan de ongezellig blauwwitte sfeer van KluB C aan, maar laat dat de sfeer niet verpesten. Dit is pas echt een machine, die de stomende disco en house van “I Need You Now” en “Over And Over” van het podium laat pletwalsen op een manier waar geen verzet tegen opgewassen is. Veel analyse valt daar verder niet aan toe te voegen. Hot Chip brengt dansmuziek, wij hebben onze ledematen laten zwieren dat het geen zicht was, maar het deed wel deugd. En met een euforische cover van “Dancing In The Dark” (ja, dat is van Bruce Springsteen. We zouden u dat niet moeten vertellen) wordt geëindigd op een stevig orgelpunt. Hot Chip voor al uw feestjes. En zet ons op de guestlist.

Nauwelijks een half uur later, een wei verder: “Het voelt een beetje alsof we de party crashen, maar kom, we amuseren ons. We zouden bijna willen dat Dave Grohl zijn been elke dag brak”, grijnst toetsenist Roddy Bottum. Zeggen dat Faith No More de schoenen van Foo Fighters niet kan vullen zou dan ook gemeen zijn. Frontman Mike Patton trekt zich van het hele vervangersgegeven geen zak aan, en doet gewoon wat hij vorige week op Graspop ook al deed: zijn geheel eigen interpretatie geven aan all things rock, rap en metal. “Get that motherfucker on the phone” gaat het in opener “Motherfucker”, maar die motherfucker is natuurlijk de net als de rest van de band in het wit getooide frontman, die de hele set lachend met onze voeten zal spelen. Een uur lang switcht de band tussen razende rock, gladde balladry en midtempo werk van het onverwachte comebackalbum Sol Invictus, maar nooit kun je helemaal de vinger leggen op wat deze band nu precies is.

En dat is goed natuurlijk. Wie zit er nog te wachten op het banale rammen van Grohl als we het hectische “Superhero” kunnen krijgen, of het nog steeds onverslijtbare “Evidence”. “Allemaal de middenvinger in de lucht”, sommeert Patton, en er volgt een grijns, zo vettig als Werchter ze nog niet heeft gezien. Je verwacht iets, maar uiteindelijk plooit de band toch gewoon terug op het refrein. Waarna de jazzcroon van die ballad plaats moet maken voor het uit al zijn voegen barstende “Epic”; een alternatief Vlaams Nationaal Zangfestijn barst om ons los. De fans zijn op post.

Maar het blijft natuurlijk maar een vervangact, en dus staat de wei niet heel erg vol, en moet er ook geknipoogd worden. Midden in “Midlife Crisis” wordt een stukje “All My Life” van Foo Fighters binnengesmokkeld, daarna ontploft alles opnieuw op de goeie ouwe wijze. En net wanneer je wil roepen “rustig Mike, denk aan je hart”, zet de band de Commodorescover “Easy” in, waarmee ze begin jaren negentig een hoop meisjes op het verkeerde been zetten. Sorry dames van ondertussen middelbare leeftijd, deze groep is nog alijd geen bende halfzachte watjes, zoals ook bisnummer “We Care A Lot” met zijn beukende drums en razende rap laat horen. Vragen wij ons daarbij af: hoeveel tienerzieltjes die voor Foo Fighters kwamen zijn vanavond voor eeuwig geperverteerd? En ook: zal het binnen tien jaar opnieuw een nu metalgolf opleveren waar we dik spijt van zullen krijgen?

Kunt u het ons vergeven dat we hierna Elbow even aan ons laten voorbij gaan? Goeie band, hoor, maar ze staan hier ongeveer elk jaar wel. En wij zijn niet in een intimistische mood, nu. Volgende keer misschien, wij gaan dansen.

En dat openbaart zich als een vergelijkend warenonderzoek. Smijten Chemical Brothers met openingssalvo “Hey Boy, Hey Girl”, “Do It Again” en nieuwe single “Go” meteen goeie ouwe blockrocking beats in de strijd, dan is de sfeer in de KlubC, bij Caribou een pak meer mellow. “Moeten een klein repetitiehok hebben”, bromt (jp) naast ons. Alsof ze geen gigantisch podium ter beschikking hebben, zijn alle muzikanten immers knus bij elkaar gekropen in het midden; twee drumsets – frontman Dan Snaith achter één gezeten — tegenover elkaar, toetsen, gitaar daarachter. Zo krijg je natuurlijk vanzelf menselijkere dansmuziek dan het robotisch geweld op het hoofdpodium. “Can’t Do Without You” klinkt laidback en soulvol, de dominante bas van “Odessa” pompt dan weer wat meer. En terwijl “Sun” de set naar een climax brengt, zijgen uw verslaggevers neer op de tribunes langszij (goeie uitvinding, Herman!); er is hard gewerkt vandaag, we doen de boeken langzamerhand toe. (mvs) geeft het stokje door aan (mba) voor het vrijdagverslag, (jp) wuift sympathiek als ie is “tot morgen”. Slaapwel.


Dag Twee

Dat dag twee van Rock Werchter niet uitverkocht raakte, zal wel wat te maken hebben met de merkwaardige keuze voor Mumford & Sons als headliner. Hun laatste album werd matig tot slecht onthaald, en ook wij hebben een broertje dood aan de Britten hun jengelende banjo’s. Gelukkig biedt de affiche verder genoeg lekkers en telt ze bovendien opvallend veel dames. Dat had team Enola — mannelijk, en niet vies van een streep vrouwelijk schoon — meteen in de smiezen: zonnebril op de neus, vers shirt aan en hup, de wei op!

Door de afzegging van het sprankelende jazzcombo BADBADNOTGOOD mag Fufanu vandaag de Klub C-tent openen. De band komt dan wel uit IJsland, maar valt even hard te linken aan weemoed en het geluid van meanderende meren als Joy Anna Thielemans aan nederigheid. Het verhaal gaat dat deze mannen hun laptop met daarop de enige mastertapes van hun technoplaat gepikt werd, waarop ze het uit pure frustratie over een andere boeg gooiden. De band stuwt kosmische klanken de tent in en de nummers doen ons onwillekeurig denken aan The Jesus & Mary Chain (Die potige sound! Die gitaren!) en Can (Die bezwerende ruimtes, alsof een metronoom meetikt!). De kille jaren 1980 zijn nooit veraf. Een ontdekking, die ons doet uitkijken naar de debuutplaat van dit gezelschap die later het jaar het licht zal zien. Takk, heren!

Weet u nog wat het topantwoord was toen Studio Brussel eerder dit jaar bij zijn luisteraars polste naar wat moet verbannen worden op onze festivals? Nederlanders! Daar kunnen we ons wel in vinden. Al maken we graag een uitzondering voor Sharon Kovacs, kortweg Kovacs uit Nederlands Limburg. Vorig jaar charmeerde ze onze Noorderburen met haar doorrookte jazzy soulnummers en deze zomer moet het buitenland eraan geloven. Kovacs, met emblematische bontkraag om de hals, klinkt erg on-Hollands, Très Shirley Bassey. Met het dreigende “50 Shades Of Black”, het slepende “My Love” en het orkestrale “Fool Like You” lijkt de zangeres te solliciteren naar een plek op de soundtrack van de volgende Bondprent. “Bedankt, en hopelijk tot de volgende keer”, spreekt Kovacs ons toe vooraleer ze zelfverzekerd afsluiter “The Devil You Know” inzet. Insgelijks. Bond met een bontkraag: gaat prima samen.

Elk jaar heeft Rock Werchter wel een miscast op de affiche staan en dit jaar kan dat niet duidelijker: all things black on black on black Archive staat op siësta-uur doodleuk op de mainstage geprogrammeerd. Dat is bijzonder jammer, want de band heeft absoluut het potentieel — zoals Warpaint vorig jaar dat deed — om een zijpodium af te sluiten. Maar de Schuer stuurt ze dus de middagzon in, waar de aanwezige grazers amper de moeite doen het hoofd op te richten voor de progrock die vandaag soms aan Radiohead doet denken. Aan de band ligt het in ieder geval niet: rake klappen worden uitgedeeld met “Dangervisit” (Feel! Trust! Obey!) en “Ruination”, maar iets doods porren met een stok blijft iets doods. Ook een ziedend “Numb” aan het slot verandert niets. Dit is zoals Messi als keeper opstellen: hij zal het niet slecht doen, maar het blijft zonde.

Exact drie weken geleden hadden we nog medelijden met de zusjes van Ibeyi: door de stroeve organisatie moest de Frans-Cubaanse tweeling toen het festival Heartbeats openen toen amper 150 aanwezigen binnen waren. De organisatie van Werchter vertoont zoals steeds geen kreuk, dus is de tent vandaag gelukkig wat meer gevuld. Ibeyi dat is Naomi die zingt, cajón en Batá drum speelt — twee typisch Zuid-Amerikaanse percussie-instrumenten — terwijl Lisa-Kaindé meezingt van achter haar piano. En ach, ze zijn zo schattig meneer. De eerste drie nummers, met onder meer “Lost In My Mind”, klinken nog vrij breekbaar, maar vanaf een sensueel “River” komt er wat meer schwung op en voor het podium. “Better In Tune With The Infinite”, hun cover van de rapper Jay Electronica, zit de meiden als gegoten. De passages in het Yoruba, een Afrikaanse slaventaal die ze van hun vader leerden, klinken op plaat soms wat geforceerd, maar live komen ze heel natuurlijk over. Ibeyi kwam, speelde en overwon en laat vooral horen dat wereldmuziek ook hedendaags, hip en dynamisch kan klinken.

Wat zien we daar vanuit de verte op de Mainstage opduiken? Een hologram van Bob Marley! Als we het podium naderen, merken we dat het niet om een hologram gaat, maar wel om zoon Damien die teert op een van papa’s oude hits. Flauw. Dan maar terug naar de KLub C voor de Brits-Ghanese soulzanger Kwabs die ons in mei al zijn debuutplaat beloofde, maar die release toen om een niet nader bepaalde reden naar het najaar uitstelde. Wij gokken op te weinig goede nummers als oorzaak, want overtuigen doet de man niet. Ook zijn cover van “Do I Wanna Know” (Arctic Monkeys) — u weet wel, die festivalhymne van vorig jaar — stelt niet veel voor. Akkoord, in zijn geheel klinkt Kwabs’ optreden al iets minder vlak (lees: saai) dan op Pukkelpop vorige zomer, maar de meeste nummers smaken toch nog te flets. Iets te veel Seal, veel te weinig D’Angelo. Wij snel om een Vietnamese snack voor wat pit.

Death Cab For Cutie dan. Want ja, ook op een Award Winning festival als Rock Werchter is er plaats om even in te zoomen op de kleine en minder kleine krasjes van onze ziel. Ben Gibbard en kompanen spelen een goede, evenwichtige set met fijne nummers als “Crooked Teeth”, “You Are A Tourist” en “I Will Possess Your Heart”, maar vergeten één ding: de boel kapot spelen. Het blijft andermaal heel braaf. Tot Gibbard zijn beklag doet over hoe een band de naam van het festival op een blad heeft geschreven om te weten waar ze zijn. Even zorgt dat voor een vonk, met een krachtig “Soul Meets Body” en vooral “Transatlanticism” tot gevolg. Maar dan gaan de lichten al weer aan en is een waardig vervolg niet meer voor vandaag. Jammer!

Eveneens jammer is dat de Barn al compleet vol zit, wanneer we tien minuten voor het concert van Alt-J toekomen. Van buiten de tent horen we dat de band veelbelovend begint, met puike versies van onder meer “Hunger Of The Pine” en “Something Good” in het openingskwartier. Maar dan valt het wat stil, net als op Primavera enkele weken geleden. We besluiten de andere tent in te trekken om helemaal vooraan post te vatten voor FKA twigs. Want een optreden van deze Britse zangeres annex danseres met zowel Spaanse als Jamaicaanse roots moet je haast voelen, en vooral ondergaan. Als een lenig luipaard gaat twigs op jacht in het donker. Het plaatje klopt: Spartaanse beats, veel gefluister en hier en daar een welgemikte bas die die Vietnamese snack in onze maag opnieuw wakkermaakt.

Het tempo ligt vaak laag, maar toch laat FKA twigs jou geen seconde los. Het delicate “Pendulum” is puur precisiewerk en tijdens het stoere “Give Up” komt plots een mannelijke danser — neen, dames, niet FKA twigs haar wederhelft Robert Pattinson — het podium op, terwijl twigs flarden “Vogue” van Madonna in het nummer integreert. We krijgen ook een drietal nieuwe songs, waaronder “Glass & Patron” waarop twigs haar demonen volledig uitdrijft. Prijsbeest “Two Weeks” (“Motherfucker, get your mouth open, you know you’re mine”) wordt vakkundig opgespaard tot het einde, wanneer we beseffen dat deze zangeres de touwtjes strakker dan ooit in handen heeft en ze terecht overtuigd is van haar kunnen. Deze FKA twigs heeft via een unieke performance haar hoogstpersoonlijke manier gevonden van communiceren met het publiek en is klaar om een geheel eigen plaats in de popscene in te nemen.

Van de ene extravagante zangeres naar de andere, het is hier letterlijk een kleine stap. “You remember the glory days, Rock Werchter?”, vraagt Roisin Murphy ons wanneer we de Barn binnenstappen, waarop ze de oude Molokohit “Familiar Feeling” inzet. De laatste keer dat wij Roisin op Rock Werchter aan het werk zagen, was met haar band Moloko in 2004. Toen sloeg de wet van ahem Murphy toe en werd de band geplaagd door enkele technische storingen. Vandaag werden alle kabels nog eens extra gecheckt en verloopt het optreden vlekkeloos. Roisin plukt gretig kostuums van haar klerenhouder, of verdwijnt even backstage voor een totale makeover. Maar de muziek slaat aan. Het nieuwe “Evil Eyes” brengt withete funk en bij het fel gestripte “House Of Glass” denken we nog even bij FKA twigs te staan, tot het nummer zich snel ontpopt tot een dansbare housetrack.

“Als je het over bewegen hebt, dan is dit het tegenovergestelde van daarjuist, hé”, merkt (jp) terecht op. Murphy beweegt wat houterig, net zoals wij. Haar prima begeleidingsband breidt intussen een discoloopje over “Simulation”. “Jealousy” ontaardt in een waar discofestijn waar “Exploitation” mooi bij aansluit. Roisin Murphy is wellicht knettergek, maar ook een perfectioniste en dat speelt in haar voordeel bij dit soort subtiele disco. De setlist bestaat zo goed als uitsluitend uit nieuw werk, maar wie heeft oude (Moloko)hits nodig als je dit dansfestijn geserveerd krijgt? U? Wel, goed dan, als kers op de taart speelt tante Murphy “Pure Pleasure Seeker”.

Moegedanst slepen we onszelf richting hoofdpodium waar Pharrell, de ultieme Ladies Man, voor de afterparty mag zorgen. “De fun, de hits”, is de leuze die zijn optreden nog steeds het best omschrijft. De show is grotendeels dezelfde als die in het Sportpaleis een klein jaar geleden, wat betekent: een aantal N*E*R*D-nummers waarvoor hij zijn kompaan Shae op het podium roept, veel dans, en veel hits die hij producete voor anderen die (net iets te) vaak integraal op tape staan: “Milkshake”, “Hot In Herre”, “Drop It Like It’s Hot”, “Hollaback Girl”, “Blurred Lines”, “Alright”, “Shake Ya Ass” en ga zo maar door. Pharrell is wel opvallend goed bij stem en haalt makkelijk de hoge noten, bijvoorbeeld tijdens “Frontin'”. Toch hadden we zijn kleurrijke feelgoodshow liever wat vroeger op de dag zien voorbijkomen, in de volle namiddagzon. Als de avond valt, mag er wat meer vlees aan zijn, nietwaar? Maar verveeld hebben we ons geen seconde. Iedereen “Happy”.

En Mumford & Sons? Die hebben we kunnen ontlopen. De hele dag lang! High Five, en slaapzacht.

Dag Drie

Dag Drie is er een van troubadours, geile retrosoulrock en bijna bejaarde danspunkers. Right up (mvm)’s alley. Al was dat buiten de Kempsense binnenbaanfiles gerekend. Het Royal Blood-estafettestokje gaat dus naar supersub (jp), die het droogweg laat vallen. “Als ik belegen Led Zeppelin wil horen, dan doe ik dat thuis wel”, klinkt het van op het Werchterterras.”En die Hozier mag je ook hebben.”

Waar hij zijn neus niet voor optrekt, is The Tallest Man On Earth. Kristian Matsson heeft namelijk net een nieuwe plaat uit, Dark Bird Is Home, en jullie hebben hier allemaal al gelezen dat dat een goeie is. Net zoals op dat album is er ook vandaag een band bij: vier vrienden/muzikanten, die een muziekinstrumentenwinkel onder elkaar verdelen: drums, gitaar, bas, pedal steel, toetsen, sax en viool. Matsson is niet bang om vooral nieuw werk te spelen: “Fields Of Our Home”, een favoriet van het huis, opent de set, maar het is het vroegere “1904” dat voor een eerste herkenningsapplaus zorgt. Matsson huppelt dartel als vanouds over het podium, maar de vraag luidt: is hij wel gelukkig? Want dat hele bandconcept, dat was toch in de eerste plaats om niet eenzaam onder weg te zijn? Wel, de “It’s just all this fucking doubt” in Sagres klinkt al minder giftig, maar de cynische “We’re having fun, like we’re supposed to do”, doet anders vermoeden. Goed optreden verder, dat wel.

Terwijl (jp) zich tegoed doet aan alcoholvrij bier en zicht heeft op de Beautiful People, wandelt (mvm) het hoofdpodium tegemoet, waar The Bands “The Weight” hem tegemoet waait. Rock Werchter weet hoe haar gasten te ontvangen, zoveel is zeker. Dat Hozier, met dank aan de platgespeelde radiohit “Take Me To Church” en te weinig tijd voor het grondig Spotifying van de line-up vandaag, een uurtje matige en saaie FM-rock zal worden, blijkt drie songs ver in de set een volstrekt misplaatst vooroordeel. Het grootste deel van de set horen we voor het eerst, dus geen idee hoe de vlammende brok blues die Andrew Hozier-Byrne uit zijn gitaar (een omgebouwd benzineblik zowaar) tovert op plaat klinkt, maar we zijn ineens overtuigd. Veel volk ook dat vrolijk staat mee te wiegen en hier en daar een refrein meezingt onder de blakende namiddagzon. Volgt een licht-ironisch, doch muzikaal behoorlijk geweldige cover van Ariana Grande’s “Problems” (we moesten het even navragen aan een veel jonger iemand met spaghettibandjes en veel liefde voor Hozier), waardoor we bijna het origineel zouden willen horen. Bijna. En dan dus “Take Me To Church”: nog een flink schep gospel erbij en vooral een onverwoestbare song die Hozier de komende jaren allicht nog een paar keer op deze wei mag brengen. Volledig terecht ook. Als debutant de stevige scepsis van (mvm) doen omslaan in enthousiasme: faut-le-faire. En in deze tijden zo’n tienduizend man een uitgesponnen “Amen” laten zingen, dat ook. Eerste hoogtepuntje, die Gozjie.

En dan de pijnlijkste parallelprogrammering van het weekend: de grootste songwriter van zijn generatie en de beste eighties-stadionrockband deze kant van The E-Streetband. Muntje opgooien dus.

Het is The War On Drugs voor (jp), die daar niet ongelukkig mee is. De Amerikanen brachten een van de beste platen van 2014 uit en slaan homeruns overal waar ze een podium betreden. De verwachtingen liggen dus hoog en dan loert het spook van de overschatting om de hoek. Dat gebeurt net niet, maar kijk: Granduciel en co hebben moeite om ons vandaag te verrassen. Hitjes als “Burning”, “Lost In The Dream”, “Red Eyes” en “Under The Pressure” worden netjes over de set verdeeld, uitbarstingen zijn op een paar seconden na vrij goed te voorspellen en nooit hebben we het gevoel dat deze show beter is dan de andere Belgische shows die hier het voorbije jaar plaatsvonden. Hoog tijd dus om wat nieuwe nummers bij elkaar te schrijven en een nieuwe show in elkaar te boksen — de deur staat altijd open, jongens.

Dan had (mvm) toch net iets meer geluk met Ryan Adams. Tijdens zijn laatste twee passages in ons land stond hij helemaal solo op het podium, met een dik songbook en zijn gitaar, wat zeer intimistische concerten vol (naar eigen zeggen) “miserable songs” opleverde. Vandaag heeft hij een erg veelzijdige band bij en brengt hij een extreem gevarieerd concert. Hij opent met stevig rockende versies van “Gimme Something Good”, “Let It Ride” en “To Be Young”, zwiert er een funky “Stay With Me” tussen en rammelt harder dan The Stooges met “Lucy My Gal”. “This House Is Not For Sale” had echter geen nieuwe versie nodig en met “Peaceful Valley” dreigt het concert zowaar even in te zakken, tot Adams en band er een psychedelische rockende code aan improviseren. Waarna hij weer gewoon rootsrockt in een volop meegezongen “Come Pick Me Up” en een onverwachte kanten uitwaaierend “Magnolia Mountain”. Een triomftocht, voor beperkt publiek. Te kort ook, dus hopelijk brengt de man zijn groep binnenkort nog eens voor een uur of twee naar een zaal ten lande.

Enne, waarom staat Damien Rice nà deze levende legende geprogrammeerd? Dat vragen we ons af, op wandel naar het grote podium voor Oasis-zonder-Liam. En god, wat is Oasis-zonder-Liam toch veel geweldiger dan de laatste 15 jaar Oasis-met-Liam! Noel Gallagherscheert met zijn High Flying Birds niet dezelfde hoge toppen (badabing!) als met de eerste albums van Oasis, maar nu staat er tenminste een geïnteresseerde en professionele frontman (en band) naast en achter hem. Bovendien heeft hij solo met “The Mexican”, “Dream On”, “If I had A Gun”, “Riverman” en opener “Everybody’s on the Run” de songs die op de laatste Oasis-albums ontbraken. En gevoel voor humor. Aan een roodharige fan met Mexicaanse vlag vraagt hij uit welk deel van Mexico hij komt: “Wales? Dublin?” “A ginger Mexican? That’s rarer than a unicorn on acid!”.

Wanneer de eerste rijen wel erg enthousiast reageren op het eerste akkoord van het onvolprezen “The Masterplan” (Amadd9, ook dat hebben we even opgezocht. Excellent akkoord, daar niet van), klinkt het “I haven’t done anything yet!” en slaat hij het als een heuse publieksmenner nog vijfmaal aan. En ja, als songschrijver heeft hij alle recht om Oasis-songs in zijn set te stoppen en een victory lap te lopen met “Don’t Look Back In Anger”, dat niet genoeg live kan meegekweeld worden. Als die andere Oasis-songs bovendien “Digsy’s Diner” en “Whatever” zijn, klagen we al helemaal niet meer. “Whatever” klonk zelfs beter zonder Liams sneer. Topartiest, topconcert. Op zijn slechtst oerdegelijk, op zijn best een die zijn vorige groep doet vergeten.

En wat horen we daar in de verte? Wordt het vat geile retrosoulrock het podium opgerold? Snel daarheen, om Lenny Kravitz er te zien uit springen! De oude rocker doet ongeveer hetzelfde als bij zijn vorige passage op Rock Werchter: twee nieuwe songs en dezelfde zeven hits aan elkaar breien tot een oerdegelijk set. Op zijn best swingt het als een tiet, op zijn slechtst is het saaier dan op een vlot in de Stille Oceaan naar drogende verf kijken terwijl Johan Van Overtveldt voorleest uit eigen werk. Kravitz mag een klein half uur langer spelen dan vorige keer en vult dat met nog oeverlozer uitgesponnen versies van “Always On the Run” en “Let Love Rule”. Dat eerste kan er dankzij knappe trompet- en saxsolo’s nog net mee door (de gitaarsolo was een nog groter Jimmy Page-afleggertje dan de outfit van de gitarist), al weten we halfweg al niet meer welke song nu net dit ellenlange en ietwat richtingloze gejam heeft ingezet. Erger is het met “Let Love Rule”: traditioneel het moment dat Kravitz zich gaat laven aan een niet meer al te kritisch publiek dat platgeslagen door zin, drank, okselwalmen en net iets te veel bloot vlees, vijfhonderd keer landerig “Leeeeeeeeeeeeeeeet looooooooooooove rule” zingt. Het had een spirituele mantra kunnen wezen, ware het niet overduidelijk een pijnlijk lange streling van Lenny’s ego. Hij wandelt rustig frontstage en het pad naar de PA op en af, terwijl zijn band zelf dermate in slaap lijkt te vallen tot er weinig meer dan Kravitz’ kreetjes te horen is. Zodra de man van zijn wolk zelfbevlekking is nedergedaald, realiseert hij zich dat hij er nog snel “Fly Away” en “Are You Gonna Go My Way” moet achterplakken. Dat kan dan plots wel gebald en genietbaar. Misschien moet hij Tinder in plaats van Rock Werchter leren gebruiken om zijn broze ego volop gestreeld te zien: voor een vijftiger ziet hij er nog best lekker uit, zo hoorden we uit vrouwelijke monden rondom. Dan zien we hopelijk ooit nog eens het verpletterende concert dat de man gezien zijn begeleidingsband en songcatalogus in zich heeft.

Het goede nieuws is dat (mvm) tijdens die twintig minuten “Let Love Rule” een burgertje is gaan eten, dat heeft doorgespoeld met een pintje en (uit solidariteit met Kravitz’ begeleidingsband) weer heeft uitgewerkt op het werkelijk excellente nieuwe sanitair, waardoor hij helemaal fris en monter klaarstaat voor een portie danspunk uit zijn jeugd. Achteraf bekeken had hij die tijd echter nog nuttiger kunnen gebruiken met de belastingaangifte en het doorseinen van een oplossing voor de Griekse crisis. Live and learn. (Jp) zat intussen in the Barn naar Damien Rice te kijken. De Ierse bard (troubadour nummer vier, jawel) was in excellente doen, liet zijn alcoholische act in “Cheers Darlin'” achterwege, maar meer wil onze correspondent er niet over kwijt. “Het was straf. Indrukwekkend.”, klinkt het met nog één niet op tijd weggepinkte traan, parelend in zijn ooghoek, “Echt, waw.”

Maar genoeg weemoed, subtiliteit en andere gevoelens voor watjes. The Prodigy is daar en heeft weinig boodschap aan pussies. De beuk gaat erin met een loeiend “Breathe” en gaat er pas goed anderhalf uur later weer uit na “Take Me To The Hospital”. Zoals gewoonlijk is The Prodigy brutaal, niets ontziend en lichtjes puberaal. Maar rij na rij gaat de wei overstag, tot u tijdens “Voodoo People” zelfs tot helemaal aan de uitgang als een bezetene staat te shaken. De energie, vuile bassen en gitaarrifs (en de — al dan niet mother- — fuckingsspatten aan hoog tempo van het podium, tot vermaak van tienduizenden. In tegenstelling tot The Chemical Brothers eergisteren blijkt The Prodigy nog steeds te weten wat een festival nodig heeft. Nuance of relief waren al netjes opgeborgen tot morgen. Als Maxim na het geniale “Their Law” in de bissen “Turn it up” en “This is the heaviest shit we have” roept, vragen we ons even af of Liam Howlett en de zijnen de versterkers van Spinal Tap zowaar nog one higher tot 12 hebben laten ombouwen. Quod non, maar The Prodigy ranselde als helse yoga meesters alle vermoeidheid, frustratie en stress uit ieders lijf. Dat hoeft niet elke week, maar een vreemde gecaste, doch perfecte afsluiter van deze Rock Werchterdag. Een waar we weinig van verwachtten, maar die vol zat met aangename verrassingen. Al hadden we nu ook niet “Fuck ’em, and their law!”naar de security moeten roepen. Au.

Dag vier, zo blijkt na enkele telbeurten door bereidwillige vrijwilligers. Dat is de dag dat het allemaal wat minder vlot gaat. Pijn in de knietjes, heimwee naar moeke, maar ook: een soulvol ontbijt in Klub C.

Wanneer zich immers de keuze aandient of de slotdag aangevangen wordt met de lawaaimakers van Red Fang op de Main dan wel frisse nieuweling Leon Bridges in een van de tenten, dan valt de beslissing snel. Een meer dan slimme keuze, zo blijkt. Waar Leon Bridges op zijn vrijdag verschenen debuut soms nog enigszins gezapig overkomt, kan zijn liveset met de klassieke uitdrukking “all killer no filler” omschreven worden.
Samen met de mooie tweede, vrouwelijke stem die hem begeleidt, loodst Bridges de festivalbezoekers van Werchter naar de Mississippi en in een moeite door naar Harlem anno 1963. Het aan zijn moeder opgedragen en over haar verhalende “Lisa Sawyer” en vooral het afsluitende “River” maken dat deze dag met een glimlach ingezet kan worden. Mentale nota: morgen naar de platenwinkel.

Een tent verder is het aan een semi last minute opgetrommelde The Van Jets om de festiviteiten in gang te trappen. Meest recente plaat Welcome to Strange Paradisewerd volgens geruchten in de backstage in elkaar gedraaid met behulp van een manifest. (jp) fronst de wenkbrauwen, mompelt iets over powernap en zoekt de dichtstbijzijnde schaduwrijke bomenrij op.
Daarmee zal hij niet kunnen vaststellen hoe de Barn volledig volloopt om “The Future” mee te zingen. Op de hese kelen wordt ook voor “Broken Bones” en “Welcome To Strange Paradise” een beroep gedaan. Muzikaal blijven The Van Jets steken op een voldoende, qua sfeer en gezelligheid laat hun passage zich echter omschrijven als een onderscheiding. Bonuspunten voor de frisse oksels van de West-Vlaamse buurman.

Waarna het tijd is voor een geintje en (jp) wakker geschud wordt met de woorden “Lana Del Rey vervangt Jessie J en speelt nù op de main!”. Zelden iemand zo snel zò bleek zien wegtrekken bij de confrontatie met Enter Shikari, dat hier vermoedelijk louter voor dergelijke onnozele fratsen geprogrammeerd staat.

“Snel! Noem vijf nummers van The Vaccines! En het mogen geen singles zijn!” (jp) neemt vlot revanche op (jvb) die, nochtans een Vaccines-concert bijgewoond vorig weekend en in het bezit van het complete oeuvre, niet verder komt dan onverstaanbaar gemompel. De setlistverantwoordelijke van die dag moet echter een gelijkgestemde ziel zijn, want het Brits gezelschap pompt de ene na de andere single over de wei. Zelfs zonder visitekaartje “Post Break-Up Sex” blijkt de set eentje die prima geschikt is om lekker zorgeloos in het rond te dansen. Een kleine dip in het midden daargelaten (“Hamburger?” “Hamburger!”), zorgen The Vaccines voor een jolige soundtrack bij de eerste namiddagpintjes.

Counting Crows, ooit — toen jaartallen nog met een 1 en een 9 begonnen — nochtans goed op weg uit te groeien tot een (semi-)headliner, blijkt door een administratieve fout niet op TW Classic, maar het reguliere Werchter-festival beland te zijn. De gevolgen laten zich raden: Adam Duritz en zijn backing band krijgen tijdens “Mr. Jones” en “Big Yellow Taxi” een herkenningsapplaus, maar botsen de rest van hun concert op een muur van apathie. Mede hierdoor trekt zich al heel snel een uittocht op gang richting Barn, waar Alabama Shakes zich een waardige gastheer toont.

Nochtans heeft die band, die in 2012 al eens een Werchter-tent in vervoering wist te brengen, er enkele jaren stilte op zitten, die eerder dit jaar gevolgd werden door Sound & Color, een plaat die, met een beetje kwaaie wil, te omschrijven valt als De Moeilijke Tweede. Het grillige karakter van dat album staat echter een fijne collectie songs niet in de weg, zoals blijkt in een uitpuilende Barn, waar (jp) en (jvb) zij aan zij met een gelukzalige glimlach op het gezicht aan te treffen zijn.

Hebben we, tussen haakjes, al ons beklag gedaan over het feit dat The Barn binnen drié schermen heeft, maar buiten geen enkel? Dat diegene die dergelijke vreemde beslissing genomen heeft voor eeuwig en drie dagen met “Karma Chameleon” in zijn hoofd mag zitten! Maar Alabama Shakes, dus. Het vijftal uit Athens, Alabama brengt een puike selectie uit zijn twee platen: een uurtje opzwepende soul, waarbij songs als “Gimme All Your Love” en het intense “Over My Head” vlotjes rillingen door de tent jagen. Grote pluim gaat daarbij, vanzelfsprekend, naar frontvrouw Brittany Howard, die een stem heeft waar Janis Joplin jaloers op zou worden. Dat ze het met haar groep bovendien aandurft om zichzelf te blijven vernieuwen, maakt van Alabama Shakes niet alleen een topband in wording, maar ook een van de hoogtepunten van deze festivaldag.

En dan overvalt ons plots het besef dat het al de laatste dag is van Rock Werchter en we ons tot nu toe nog niet hebben gewaagd aan praktiserende zelfkastijding, nochtans een van de pijlers waarop enola gebaseerd is. “Want wie niet over de bodem van de beerput kroop, weet niet hoe het is om op de gouden toiletbril te zitten!” scanderen (jvb) en (jp) in koor, maar het is wel die laatste die naar The Script moet gaan kijken. Danny O’Donoghue, die de karamellenpop meets Riverdance aanvoert, waant zich een Robin Hood in het dichte bos van de tienerproblematiek. Hij huppelt op, naast en voor het podium als een draaiende wasmachine waar een baksteen in gegooid wordt, terwijl vlammen het beeldschermmateriaal moeten intensifiëren. Het afsluitende “Hall Of Fame” zien we dan ook als een overwinning. Een persoonlijke overwinning op onszelf!

Geen idee wat Kasabian-frontman Tom Meighan afgelopen nacht(en) uitgespookt heeft, maar de man ziet er uit alsof hij recht uit Trainspottinghet Werchter-podium opgewandeld is. Past natuurlijk perfect bij wat (mvm) in een recensie van Velociraptor! omschreef als “met wansmaak flirtende energiebommen”. Energiek is immers hoe het er hier aan toegaat, vooral wanneer gitarist Sergio Pizzorno besluit dat de hem toegewezen podiumspot veel te klein is en hij als een dolleman van links naar rechts stuitert.
De verzamelde Kasabian-fans vinden het allemaal best, de rest van de wei heeft wat meer moeite om zich te concentreren op wat in de buurt van het podium allemaal gebeurt. Wanneer “Fire” echter ingezet wordt, blijkt er toch nog enige fut te zitten in de festivalgangers. Ook flarden “People are Strange” en “Praise You” zorgen voor meezingmomentjes, maar een triomftocht is dit niet.

De schaduwkopman vanavond is de vuilbekkerij van Die Antwoord, de Zuid-Afrikaanse New Kids. Dat zie je ook aan de volksverhuis, het lijkt alsof iedereen nog een laatste maal gung ho wil gaan, alvorens maandag de werkvloer opnieuw te betreden. Om kort te zijn: ja, het nieuwe is er vanaf. Zeker voor wie er een paar maand geleden in de Lotto Arena ook al bij was. DJ Hi-Tek met lullig masker? Check. Visuals met ejaculeerde Casper-spookjes? Check. Maar dat schijnt de pret niet te deren, integendeel. Het wordt zelfs een feest van herkenning. Geen airconditioning-gekoelde tent kan op tegen de broeierige hitte die de hiphop en rave beats veroorzaken, met als kookpunten “I Fink U Freaky” en “Enter The Ninja”. Verfijnd? Nee. Maar geen mens die op dit moment al aan zijn maandagochtendverplichtingen denkt.

Een triomf was de laatste worp van Muse niet, aldus onze eigen (ek). Dat heeft de festivalorganisatie niet tegen gehouden de band te strikken om Rock Werchter af te sluiten. Een keuze waar bedenkingen bij gemaakt kunnen worden, maar tegelijk: wie anders? Er zijn vier festivaldagen die afgerond moeten worden, het aantal headliners lijkt elk jaar een beetje af te nemen, dus kan net zo goed Muse deze taak eens toegeschoven worden, gewoon voor de lol en omdat Metallica op verlof is, Faithless volgende week al naar Classic komt en R.E.M. tot nader order nog steeds geplit is.
En zowaar, Muse kwijt zich met de nodige ernst van zijn taak. Ja, het serveert een overdaad aan bombast. En aan paranoia. En pathos eigenlijk ook. Maar lever je over aan de vier festivaldagen die op je ingewerkt hebben en dit is best geinig. Zij het dat nog voor het vuurwerk afgelopen is, het concert alweer bijna vergeten is. En dat is niet noodzakelijk een gevolg van het gerstenat op de weide, maar gewoon een observatie die gemaakt wordt wanneer de voettocht naar de bushalte aangevat wordt. Werchter had dit jaar immers veel leuks in petto, maar weinig memorabel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + vijf =