ICP Orchestra :: 21 december 2014, Roode Bioscoop (Amsterdam)

Weinig ideeën zo goed als het concertjaar afsluiten met het ICP Orchestra, dat in het knusse zaaltje van Roode Bioscoop zijn laatste performance van het jaar gaf. Zonder trombonist Wolter Wierbos, maar met Guus Janssen achter de piano en de geest van Misha Mengelberg die als vanouds de muziek doorkruiste.

Je zou kunnen beweren dat die concerten van het orkest voorspelbaar zijn: Bennink zal roepen en z’n voet tegen de snare drum slaan met de astrantheid van een zesjarige die net “POEP IN JE HOOFD!” in de kerk keelde, Honsinger zal op een gegeven moment z’n clowneske act van dadaïsme beginnen, er zal werk van Ellington en/of Herbie Nichols passeren worden en er zal voortdurend gegrapt en gegrold worden (wat je al niet kan doen met een gordijn en bindteksten die de mist ingaan). Natuurlijk, ze maken deel uit van de ICP-cultuur, maar het zijn randfenomenen. Nu ja, geen randfenomenen in de zin dat ze geen impact hebben op de concertbelevenis of het verloop ervan, maar omdat ze niet de essentie zijn.

Je zou kunnen zeggen dat de meest opvallende kwaliteit van de muziek het iriserende aspect is; de veelkleurigheid, maar vooral ook het vermogen om een verandering te ondergaan zodra je het perspectief wijzigt. ICP, dat is ook de kunst om zelfs met het meest kapotgespeelde materiaal aan de slag te gaan en er toch in slagen om het op een frisse manier te belichten of compleet op z’n kop te zetten, met eigenzinnige arrangementen, heimelijke binnenweggetjes of vrije escapades. In het kleine theater, waar het leek alsof er de voorbije honderd jaar niet zo veel veranderd was, leidde het tot twee gulle sets die samen een prachtige dwarsdoorsnede van de ICP-wereld brachten.

Er zat vrije improvisatie in vol heen-en-weergekaatste ideeën van schetterende blazers en zingende en schurende strijkers. Er zat theater in, met naar goede gewoonte een hoofdrol voor Honsinger, die iets deed tussen een regendans van een dronken indiaantje en de kraanvogelstand uit The Karate Kid. Er zat soms in zichzelf gekeerde kamermuziek in met een impressionistische raadselachtigheid, maar natuurlijk ook een duik in de traditie, met flukse swingpartijen vol hechte blaassecties, gezellig meetokkelende piano, heupwiegende basloopjes en keihard swingende drums. En daarvoor had Bennink – verdomme, wat slaat die kerel hard – niet meer nodig dan die snare drum en wat houtblokjes. En z’n voeten, natuurlijk.

De band kan ook teren op een boek vol composities dat oneindig inspirerend werkt. Natuurlijk werd het concert gedomineerd door composities van Mengelberg, vanaf “Japan Japon”, in de kop van het concert met een schreeuwerig contrast tussen blatende uitschieters en de betere hoempapa, een feest van geveinsde chaos. Meteen een eerste spieroefening voor de blazers, die allemaal van zich zouden laten horen: Moore regelmatig met heimelijke accenten en commentaren, Baars met een kenmerkend kromme, jankende bluessolo in het klassieke “De Sprong, O Romantiek Der Hazen”, en Delius met sappig geronk in “Rumboon”.

Daartussen werd er gretig gerotzooid met ontregelde kamermuziek (“Rollo No. 5”), in de traditie gedoken met “Crisp Day” (met bonte solo van Janssen) en “2300 Skidoo” van Herbie Nichols en gestunt in de zone tussen elegante kamermuziek en oerjazz, zoals die ooit ook werd geperfectioneerd door goed volk als Johnny Hodges, Ben Webster en Benny Carter, maar dan met de bedenking dat een romige sax- of klarinetsolo elk moment kan ontaarden in de vlucht van een stel horzels. Soms erg weldadig, voluptueus en elegant, even later iets minder vriendelijk, vol jennende speldenprikken, of eerder: erin geklopte kepernagels. Of Heberers lesje in circulaire ademhaling: verbluffend gepruttel.

Tussen al dat werk van Mengelberg en de klassiekers zat ook een handvol knappe composities van andere leden verstopt. Baars’ “Browse Of Morning” was vroeg in de set al een hoogtepunt vol mysterie, finesse en door hem gedirigeerde/bijgestuurde interactie, terwijl Moore’s “Sendai” te horen viel in een arrangement met maar liefst drie klarinetten en een enorm weelderige sound. Bisnummer “Lavoro” (een compositie van wijlen Sean Bergen) werd zoals steeds een uitbundig gezongen en gespeeld feest en vormde de sandwich voor Count Basie’s “Moten Swing”. Een feest dat je maar één optie liet: breed grijnzen en dat been keihard op en neer laten wippen.

Het mag duidelijk zijn: ICP stond op scherp. De band speelde uitbundig en kleurrijk, en bewandelde met imponerend gemak het slappe koord tussen anarchie en discipline. Het blijft een combinatie van een muzikale vitaminekuur en een shot pekzwarte espresso die rechtstreeks in je bloedbaan belandt. Een paar uur eerder, op weg van het station naar de Roode Bioscoop, passeerden we een paar goedbedoelende straatmuzikanten die met aandoenlijke overtuiging en vrolijkheid hun lied zongen – “Ik ge-loof / Jesus redt”. Achteraf hadden we er een idee van waar hun onnozele grijns misschien vandaan kwam. Het ICP Orchestra op een doodgewone zondagnamiddag, in een klein, gezellig zaaltje in Amsterdam. Wat wil je nog meer?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 3 =