Jack White :: 16 november 2014, Vorst Nationaal

In een volgelopen Vorst Nationaal kwam Jack White zondagavond een uitbundig rockfeestje bouwen. Bij momenten memorabel, maar evengoed soms wat doelloos zoekend.

Jack White is naast een begenadigd muzikant evengoed een showman, die weet hoe van een optreden een uniek spektakel te maken. Na het — overigens vergeetbare — voorprogramma ging het gordijn voor het podium dicht. Een kwartiertje voor het begin van het concert kwam er een ceremoniemeester, uitgedost met hoge hoed, het publiek vertellen dat er geen foto- of video-opnames gemaakt mochten worden: “There is no need to record it, you can watch it now.” Ook het eenvormige visuele aspect van platen en optredens is een paradepaardje van Jack White. Na de rode periode van The White Stripes, heeft hij voor zijn solocarrière gekozen voor blauw. Gedurende het gehele optreden zou het podium dan ook consequent in een wat kille, blauwe gloed gehuld blijven. Evengoed opvallend was de positie van drummer Daru Jones. Waar het drumstel meestal achteraan op het podium weggestopt zit, kreeg Daru Jones een plaats links vooraan op het podium toegewezen. De betreurde toetsenist Ikey Owens, die overleed tijdens het Centraal-Amerikaanse deel van de Lazaretto-tour, werd vervangen door grotendeels op de achtergrond blijvende Dean Fertita (The Raconteurs).

Met het instrumentale “High Ball Stepper” uit zijn laatste plaat Lazaretto maakte Jack White zijn intenties meteen duidelijk. Blues en stevige rockriffs zouden het hoofdingrediënt van de avond worden. Zeker in het begin werd het optreden wat ontsierd door een paar technische problemen. Het toonde het vakmanschap van Jack White dat hij deze problemen op een ingenieuze manier wist op te lossen. Tijdens een overigens sterk “Dead Leaves And The Dirty Ground” ging hij, terwijl een roadie het euvel aan zijn gitaar herstelde, zonder verpinken achter de piano zitten om de song daar voort te zetten tot het probleem opgelost was en hij weer de gitaar kon omgorden. Of hoe van een probleem een sterkte te maken. De titelsong van z’n laatste plaat, “Lazaretto”, kreeg een korte, hevige versie mee. Een hoogtepunt was “Hotel Yorba”, dat in een knap country-jasje gegoten werd en toonde dat hij ook in dat genre sterk uit de hoek weet te komen. Misschien moet hij zich, in navolging van zijn voorbeelden Bob Dylan en Neil Young, ook maar eens wagen aan een echte country-plaat. Wij kijken er alvast naar uit. In “Temporary Ground” mocht violiste Lillie Mae Rische zich proberen te meten met de gitarist White. Het bleek een ongelijk duel maar het resultaat mocht er wezen.

Na een sterk begin verwaterde het concert een beetje. De songs bleven elkaar in sneltreinvaart opvolgen maar zeker in het begin van het optreden zocht Jack White nauwelijks contact met het publiek. Al pakte hij later wel uit met een nogal verwarde bindtekst over het beton van Brussel en hoe dat verschilt van het beton in Detroit. Maar dan de songs. Jack White werkt meestal zonder een vaste setlist, maar met een ruime waaier aan songs waaruit hij kan kiezen als een kind in een speelgoedwinkel. En zo sprong White van de hak op de tak: nummers uit zijn soloalbums werden afgewisseld met liedjes uit zijn ondertussen indrukwekkende back catalogue (zelfs binnen een liedje) aangevuld met een cover — “I Asked For Water (But She Gave Me Gasoline)” van Howlin’ Wolf — en zelfs een streepje “Honky Tonk Girl” van Loretta Lynn. Bij momenten indrukwekkend, maar soms was het even zoeken naar een houvast. Tegen het einde van de reguliere set kregen we nog een heerlijk “We’re Gonna Be Friends”, met Dylanesque zangpartij, en een piepend en krakend “You Don’t Know What Love Is (You Just Do As You’re Told)”.

Maar tijdens de bisronde pasten de ingrediënten plots helemaal bij elkaar zoals het hoort. “Icky Thump” dat klonk zoals het hoort te klinken — vuil en bluesy. De Raconteurs-klassieker “Steady As She Goes” kreeg het publiek dan helemaal mee. Zelfs in die mate dat een onverlaat zich waagde aan een halfslachtige poging tot skydiven. De twee songs van Lazaretto tijdens de bis (“Would You Fight For My Love?” en “Black Bat Licorice”) toonden dat dat album misschien toch wel een beter album is dan we aanvankelijk dachten. Tot slot gaf hij met “Seven Nation Army” het volk waarvoor het gekomen was: een rockfeestje.

Kortom: Jack White speelde een wisselvallig concert, maar op de beste momenten toonde hij wel degelijk dat hij een van de grootste en meest getalenteerde rockmuzikanten van zijn generatie is. Technische euvels en een eigenzinnige songkeuze die soms wat te veel zonder doel meanderde (vooral in het middenstuk van het concert dan) verhinderen om van een echt memorabel of groots concert te spreken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + 12 =