Thé Lau :: “Volgens mij heb ik best wel een goed boek geschreven”

Waardigheid omschrijf je niet, dat straal je uit. Show, don’t tell, het adagium van de beste schrijvers. Zo is het maar net, bij Thé Lau: tijdens de afscheidsconcerten van The Scene eerder dit jaar, in de talloze interviews in kranten en op televisie. En bovenal in de sterkste dingen die hij in zijn carrière heeft gemaakt: eerder dit jaar Platina Blues, en nu ook zijn nieuwe, intrigerende roman Juliette, een verhaal in het schemerlicht van de romantiek.

Lau is zichtbaar vermoeid na zijn acte de présence op het Eilandfestival in Antwerpen, waar hij na een uur durend gesprek over het boek nog eens een uur lang signeerde in de minzame herfstzon aan het MAS. Of hij niet te moe is voor nog een interview? “Ach, als ik moe ben, drink ik wel een wijntje, toch?” grijnst hij. Waardigheid dus.
En gelukkig maar, want er valt veel te vertellen over Juliette. Het is zonder meer het beste prozawerk van Lau, omdat hij, net als in zijn liedteksten, Elsschots motto heeft gehuldigd: schrijven is schrappen. “Nu was het meer een kwestie van welke woorden te vermijden dan welke woorden te kiezen”, zegt Lau zelf. Hij heeft de schrijver die al eens tussen hemzelf en zijn personages in stond helemaal weggecijferd.

Seks die klopt

Lau is dan ook trots op zijn tweede roman. Eerder was er al Hemelrijk en drie verhalenbundels. Juliette laat zich lezen als een conceptalbum, met romanfragmenten – snapshots – als nummers die een prachtig, emotioneel rauw geheel vormen. Een opvallend vlot lezende roman trouwens, een soort La Meglio Gioventù van Nederland: enkele opvallende trends en gebeurtenissen uit de na-oorlogse Nederlandse geschiedenis vormen het decor van de grillige liefdesaffaire tussen Robbie en Juliette. Enkele ijzersterke scènes maken dat je het zomaar uit de kast zou nemen om een bepaald fragment te herlezen. Ook Lau haalt de gelijkenis met een plaat aan: “Net zoals bij songs mogen de mensen eruit halen wat ze zelf willen. Sommigen mogen er diepere lagen in ontwaren, maar een kind moet er bij wijze van spreken ook lol aan kunnen beleven. Ik heb echt een poging gewaagd om een boek te schrijven dat de toiletjuffrouw van de Copa Cabana ook leuk vindt om te lezen.”

“Je bent meer een verteller geworden”, zeg ik hem aan het begin van het gesprek.
Lau: “Ja, zo voel ik het ook. De pretentie is weg. Ik wou nu per se een boek schrijven dat ik zelf ook graag zou lezen. En dat terwijl ik op het podium helemaal geen verteller ben. Ook met veel mensen rond een tafel zal ik bezwaarlijk het hoge woord voeren. Ik heb daarentegen nogal de neiging heel observerend te schrijven. Mijn vrouw Marijke schreef bij haar eerste lezing aantekeningen in de kantlijn, en dat was heel vaak ‘Rem!’ bij zulke observaties (lacht). Ik werd daar aanvankelijk boos over, maar uiteindelijk zijn ze daadwerkelijk allemaal geschrapt. Vroeger wilde ik me echt bewijzen tegenover de “grote schrijvers” in ons taalgebied, en dat heb ik helemaal losgelaten. Ik heb me volkomen ten dienste gesteld van het verhaal. Van Hemelrijk was ik best tevreden, al had ik daar het gevoel dat ik het in mijn vingers had, terwijl ik nu het gevoel heb dat ik er greep op heb gekregen. Hier heb ik de stilistische uitstapjes geschrapt. Ik ben geen stilist en ik wil er ook geen zijn.”

Juliette is onmiskenbaar het hoofdpersonage, de middelpuntvliedende kracht. Een kunstzinnige fotografe die de tekenaar Robbie meesleurt in haar strijd met zichzelf. Beiden ontvluchten ze het kunstenaarsdorp Bergen, de geboorteplaats van Lau, dat al gauw te klein wordt voor hun ambities – “Niemand komt hier toch een centimeter vooruit?” vraagt ze Robbie bij hun eerste ontmoeting. Juliette is het type vrouw waar ieder zinnig man zinloos verliefd op wordt: bloedmooi, rotgetalenteerd en bovenal enigmatisch. In die mate dat het één van die zeldzame boeken is waarin de lezer, evenmin als Robbie trouwens, het hoofdpersonage echt kan doorgronden.

Lau: “Ze is sowieso niet geënt op mensen die ik ken. Als je haar als een gerecht zou beschouwen, zie ik er wel componenten die ik herken, maar ik ken niemand die zo ver gaat als zij. Ik noem in het boek ergens Frida Kahlo, maar zij had altijd pijn. Juliette heeft ook pijn, van het overlijden van haar moeder. Maar toch is Juliette niet kil. Sommige scènes rond haar schreven zichzelf, lijkt het wel. (denkt na). Zoals de scène waarin ze Robbie verleidt na de fotoshoot. Daar vind ik haar eigenlijk ook heel warm. Daar treedt ze uit haar rol als fotografe. Ik heb namelijk enorm veel researchgesprekken gedaan met beroepsfotografen, en je object voor de lens verleiden is dus not done. Totaal onprofessioneel. Zodra je achter de lens staat, draai je de knop om. Die scène lees ikzelf met veel plezier terug. De seks die ik daar beschrijf, klopt op een of andere manier. Het zijn nadien vooral de middelen die ze gebruikt die haar kil maken.”

“Ik ben er voor de vlucht, jij bent er voor de landing”

Lau: “In het begin ziet ze Robbie echt graag hoor, maar het verveelt haar na een tijdje. Het is een vrouw waar je op het eerste gezicht knettergek van wordt. Ik heb het zelf ook meegemaakt dat ik met een vrouw was, waarbij ik steeds gekker werd van haar acties, maar tegelijk ook steeds verknochter aan haar raakte. Dat is met Juliette ook wat het geval. Ze zegt ergens in het boek: “Ik ben er voor de vlucht, jij bent er voor de landing.” Daar komt het op neer. Robbie biedt haar een bijna burgerlijk huisje, haar eigen atelier in haar schuur is dat natuurlijk niet. De paradox in Juliette is dat ze aankondigt dat ze vreemd zal gaan, maar het eigenlijk niet doet. Robbie doet dat daarentegen veel vaker. In die dagen lag dat eigenlijk quasi voor de hand, je had karakter nodig om het niet te doen. Het lag zo voor het oprapen.”

Het is een van de thema’s in Juliette: de impact van de seksuele revolutie. Seks wordt in het boek gedegradeerd tot een genotsmiddel dat er steeds minder in slaagt de verveling te verdrijven. Wanneer de jonge Robbie, in veel opzichten gebaseerd op de jonge Lau, in een orgie terechtkomt in de nasleep van een spelletje strippoker, schrijft hij het ook: “Jaren van verveling werden afgeschud.”

Lau: “De seksuele revolutie heeft eigenlijk gezorgd voor een devaluatie van de seks. Iedereen deed het overal, waar ze maar wilden, met wie ze maar wilden… Bergen was een soort satelliet van Amsterdam, dus het sloeg ook daar compleet toe. Een open huwelijk is niet iedereen gegeven. In die tijd werd je geacht over je kleinzielige jaloezie heen te stappen en al dat soort dingen. Er waren toen een heleboel verveelde stelletjes, doorgaans met kinderen, midden in hun twintiger jaren, en die liepen allemaal met de gedachte rond: “Is dit nu mijn leven?” En ondertussen druppelden al die geruchten uit Amsterdam, London, New York binnen, waar vooral de mannen dan wel oren naar hadden. Ik heb daar wel eens bij gezeten. Zoals bij de orgie, die ik nogal plastisch beschrijf – misschien iets grimmiger dan het toen daadwerkelijk was. Ik was amper 18, het was een station te ver voor me. Strippoker vond ik nog wel wat hebben. (lacht) Maar al met al was die seksuele revolutie een totaal idiote tijd. Hoe in die tijd seks werd beleefd, dat kon niet blijven duren. Dat is zoals porno die niets met liefde te maken heeft. Het hoorde ook bij de drugs die gangbaar waren.”

Daar belanden we bij de zelfdestructie die Juliette kenmerkt. In haar relatie met Robbie danst ze steeds minder elegant op een koord tussen die zelfdestructie en haar zelfbewustzijn. Robbie staat erbij en kijkt ernaar. “Ik ben altijd op zoek naar de schaduw achter het licht”, zegt ze over haar werk als fotografe. Het kan evengoed over haar leven gaan.

Lau: “Enerzijds is Juliette heel narcistisch, ja. Een van mijn favoriete scènes in het boek is die waarin ze met Robbie wil vrijen op het balkon voor de ogen van alle buren. En op dat moment is ze ook nog eens stomdronken (lacht). Die tekst van “Ik doe wat ik doe” van Lennaert Nijgh die ik daarvoor wat herwerkt heb, geeft echt perfect weer hoe het er in die tijd aan toeging. Nijgh liet het dan ook nog eens door zijn eigen vrouw, Astrid, zingen.
En anderzijds is er de zelfdestructie die hoort bij creativiteit. Het is het thema van het boek in mijn ogen. Juliette zoekt echt de grenzen van haar creatieve vermogen op. Robbie niet, hij heeft gewoon ontzettend veel lol in het illustreren van Breukhouts columns. Maar hij heeft nooit de pretentie om een groot kunstwerk te maken. (denkt na) Die verhaallijn van Juliette die op sleeptouw wordt genomen door het model Gemma Fisher, is gebaseerd op hoe mensen met elkaar omgingen begin jaren tachtig. Sommigen hebben de eindstreep niet gehaald. De dame die Juliette haar shots heroïne toedient, heb ik geïnterviewd. Ze werd de nurse genoemd, omdat ze die shots perfect kon zetten. Op haar armen was op den duur bijna geen plek meer om een spuit te zetten. Dat is nu een buitengewoon keurige dame. Chique zelfs. Nog net niet bejaard.”

“Magere Hein heeft drempelvrees”

De naam van het wellicht meest legendarische personage dat Lau ooit heeft gecreëerd is gevallen: Breukhout, columnist van Nederlands grootste krant De Bazuyn — een allusie op De Telegraaf. Een man die grossiert in barok proza, alsof Lau alle woorden die hij bij het schrijven van zijn spaarzame liedteksten heeft opgespaard voor Breukhout heeft bewaard. Breukhout is Robbies mentor, hij duwt hem, misschien meer nog dan Juliette, de tunnel van de volwassenheid in. Breukhout zorgt met zijn bloemrijk taalgebruik voor wat licht, bijwijlen voor verbaal comic relief in Juliette. De grens met de karikatuur is soms dun, tot Lau hem aan het einde een ontzettend pakkende brief laat schrijven aan Robbie. Misschien wel de mooiste negen bladzijden die Lau zelf ooit geschreven heeft. Het maakt dat Breukhout als personage klopt en is zoals de blik in zijn ogen: iemand vol “spot, humor en melancholie”.

Lau: “Aan die kitscherige, bloemrijke taal heb ik enorm veel lol beleefd. Zo ook in het verzinnen van de koppen van zijn stukken, zoals “De dood draalt op de deurmat”. Zulke koppen waren schering en inslag in de Nederlandse roddeljournalistiek. Die kop heb ik afgeleid van een echt bestaande kop die ik veel leuker vond, maar dan was het plagiaat geweest: “Magere Hein heeft drempelvrees”. Geweldig toch!
Maar sommigen pikken dat personage echt niet op. Ze hebben het dan over ouderwets taalgebruik. Het is weliswaar het soort taal waarnaar gezocht wordt in de populistische journalistiek, de roddeljournalistiek. Dat soort koppen komt uit Engeland, de Engelsen zijn daar echt meester in. Neem nu een kop die knalgroot verscheen wanneer Louis Van Gaal trainer werd van Manchester United: “The ego has landed”. Geniaal! Wie verzint dat?
Maar Breukhout kwam pas echt helemaal tot leven wanneer ik hem als veteraan van ons Indisch kolonieverleden neerzette, een van de meest beschamende episodes uit de Nederlandse geschiedenis. Toen begaf ik me wel op glad ijs, want wat wist ik ervan? Toen bleek dat de vader van de drummer uit de eerste The Scene-bezetting in die strijd had gezeten, en hij heeft me talloze documenten aangereikt over dingen die daar gebeurd zijn. Dat was voor mij een heel bijzonder gesprek. Breukhout en alles wat hij doet en zegt had ik instructief opgeschreven, maar opeens besefte ik waarom het klopte. Dat hij door Nederland loopt als iemand die werkelijk overal lak aan heeft, had te maken met zijn verleden.”

“Met zijn afscheidsbrief ben ik drie maanden bezig geweest. Ook op die begrafenisscène ben ik ontzettend fier. Alleen al daarom hoop ik dat het ooit verfilmd wordt (glimlacht). Het was alsof ik mijn vader begroef. Er kwamen dan ook veel herinneringen aan de dood van mijn vader bij me naar boven. Mijn vader noemde me ook altijd ‘jongen’, zoals Breukhout dat met Robbie doet. En er zijn tamelijk wat mensen die het gelezen hebben die moesten huilen bij het lezen van die brief. En dan klopt het. Als je het zo bekijkt, heb ik best wel een goed boek geschreven (lacht).”

De kick van een ander leven

Een opvallende rode draad in Lau’s prozawerk is dat hij zijn personages laat sterven. Het was zo bij Hemelrijk, in korte verhalen als “Stella” uit zijn debuutbundel De sterren van de hemel. En alle personages hebben daar vrede mee, ze kijken de dood met een minzame berusting in de ogen.
Lau: “En toch is dat puur op instinct, ik heb daar niet over nagedacht. Ik heb nu wel meer dan ooit iets van mezelf in alle personages gelegd. Robbie is voor een groot stuk gebaseerd op mezelf, behalve dat hij geen muzikant is maar een tekenaar. Ik ben gewoon beter geworden. Mijn eerste bundel was nog verkennen. Daar staat een verhaal over een oorlogsveteraan in, “Sony san”. Dat was voornamelijk stilistisch, dat kan ik me nog herinneren. Andere verhalen niet echt meer. Ik ben gewoon gaan schrijven en ik zag wel waar ik uitkwam. Het zadelt je wel op met een hoop problemen en werk, maar dit heb ik afgemaakt met de blik van: “Wat heb ik nu te vertellen?” Het probleem is dat als je niets te vertellen hebt je ook niks te schrijven hebt. Ik heb vaak meegemaakt dat ik iets wou vertellen, maar ik wist niet wat. En net dat is al de eerste helft van het werk.”

Het gesprek loopt stilaan ten einde. Lau’s vrouw Marijke is alvast de auto gaan halen – er wacht nog een lange terugrit naar Amsterdam. “Drinken we nog een glas?” vraagt Lau. Dat doen we, onderwijl pratend over de rol van het schrijven in zijn leven momenteel. “Mijn dromen zijn verboden voor de dood”, zingt hij verbeten op Platina Blues. Alle woorden, oud en nieuw, uit zijn oeuvre zijn dat ook, toch?
Lau: “Ik heb de kick gekregen van een ander leven: om half acht zit ik met een kop koffie en een sigaret aan tafel en dan schrijf ik een uur, anderhalf uur. Ik heb ook geleerd te stoppen wanneer het niet gaat. Morgen beter dan. Ik heb ook zo’n lol gekregen in het schrijven. Neem nu de tekeningen van Robbie die hij voor de krant maakt: ik vond het ontzettend fijn die te omschrijven. Ik heb de tekeningen ook zelf proberen te maken, maar zo goed kan ik niet tekenen. Ik deed dat vroeger ook graag, maar daar werd in Bergen zwaar op neergekeken. Dat was ambacht, geen kunst. Hergé was een spotnaam, kun je nagaan. Als je Kuifje nu leest, is het net zo art als Magritte. Als je een pagina van Kuifje tien keer uitvergroot en je hangt het in een museum, staat iedereen ernaar te staren. De kleuren, de lijnen, alles.”

Nog één laatste vraag: hoe reageert men in zijn geboortedorp Bergen op het boek? De gemeente komt er niet bepaald positief uit. “Het laatste wat ik uit Bergen gehoord heb – ik kom er elke week om te tennissen, maar niet in het dorp zelf – is dat de burgemeester me de “penning van de muze” wilt uitreiken. (lacht) Prima. Ik zal proberen een speech te houden, en de volgende stap is wellicht een standbeeld. Er staat één standbeeld in Bergen, en dat is van de dichter Jany (Adriaan Roland Holst, pn), meneer Hugo in Juliette. Hij heeft daadwerkelijk tegen mijn moeder eens gezegd “Ik verkracht je ter plaatse”, zoals in het boek staat. Zie je, het verleden is een te grote goudmijn om zomaar te laten liggen.”

Juliette is nu uit bij Lebowski (Dutch Media). Ook Lau’s eerdere werk (De sterren van de hemel, 1000 vissen, In de dakgoot, Hemelrijk én de bundel Teksten 1979-2014 zijn heruitgegeven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht + negentien =