Melvins :: Tres Cabrones

Weinig bands gaan zo ver met persoonlijke pleziertjes en slagen er toch in om een publiek aan zich te binden als de Melvins. Meer nog: de band heeft er zowat z’n carrière op gebouwd. Jaar na jaar blijven uitpakken met moddervette, vaak arty metal én groteske dwaasheid, je moet het maar kunnen. Voor z’n dertigste verjaardag heeft het tweespan Buzz Osborne en Dale Crover een extra verrassing in petto: het opnieuw aan boord hijsen van oorspronkelijke drummer Mike Dillard, hiervoor enkel te horen op archiefrelease Mangled Demos From 1983. Het resultaat: dezelfde verwarrende zever als gewoonlijk.

Ze bleven de voorbije jaren niet stilzitten. Met de mannen van Big Business maakten Osborne en Crover een stel prima platen, al was de rek er een beetje uit met The Bride Screamed Murder. Maar dan was er weer Sugar Daddy Live om dat allemaal goed te maken. Intussen volgden ook nog Freak Puke van Melvins Lite (Crover en Osborne met bassist Trevor Dunn) en, eerder dit jaar, coveralbum Everybody Loves Sausages met extra volk – gaande van Blondie-drummer Clem Burke (!) tot Scott Kelly (Neurosis), Jello Biafra en J.G. Thirlwell (Foetus) – en voorspelbaar maffe versies van songs van o.m. Roxy Music, Bowie, The Kinks en Venom.

Nu is er Tres Cabrones met Dillard aan boord, die in 2005 ook al even op de hort was met de band ter gelegenheid van de release van Mangled Demos From 1983. In ieder geval: wie verwachtte dat die terugkeer een koerswijziging zou betekenen, al dan niet tijdelijk, die is eraan voor de moeite, want de band gaat zich als vanouds te buiten aan flauwe foliekes die voortdurend de grens tussen geniale onzin en bullshit bewandelen. Het ene moment met een riff die zo versmachtend is (“City Dump”) dat ze je eraan herinneren dat ze tot de meest heavy bands van de planeet behoren, maar op andere momenten ronduit infantiel of met songs die je enkel kan beschouwen als hardrockpastiches.

Het gaat allemaal erg goed van start: “Doctor Mule” is Melvins in stadionrockmodus, met lekker weghappend beukwerk, merkwaardige ritmes en theatraal gepruts met zangeffecten. “City Dump” teert op een klauwende monsterriff, terwijl “American Cow” al net zo slepend voortgaat, met gitaren die inderdaad klinken als loeiende runderen, maar de aandacht niet even strak weet te houden. En ook dat is Melvins: het ene moment intimiderend gefocust en sinister, het andere kinds en met ongebreidelde fantasie rotzooiend in een wereld waarin ook Ween en The Residents een plaatsje krijgen. De aanwezigheid van bezopen traditionals “Tie My Pecker To A Tree”, “99 Bottles Of Beer” en “In The Army Now” is ook typisch. Altijd goed voor een verrassing, maar vanaf een tweede beluistering eigenlijk irritant. Gelukkig overschrijden ze amper de grens van één minuut.

En voor de rest lijkt Tres Cabrones een ode aan de hardrock, met bakken lompe riffs, onder effecten bedekte stemmetjes en foute doom. Helemaal aan het einde duikt het trio dan weer de obscure punkgeschiedenis in: “Walter’s Lips” is er eentje van de vergeten punkband The Lewd uit Seattle, terwijl “Stick ‘Em Up Bitch” gejaagde punk uit eigen huis koppelt aan “Fascists Eat Donuts” van San Francisco punkband “Pop-O-Pies”, een voorloper van Faith No More. Kortom: een zootje waar geen lijn in te krijgen valt en dat voortdurend heen en weer stuitert tussen inspiratie en onzin, verpletterende power en jolige ongein. Doorgaans wil dat wel lukken, maar de laatste jaren misschien iets minder, en dat is ook het geval voor Tres Cabrones, het zoveelste hoofdstuk in het onweerstaanbare totaalwerk Rock-‘n-roll oplichterij met (The) Melvins.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf + vier =