Josephine Foster :: I’m A Dreamer

Wanneer je I’m A Dreamer beluistert met gesloten ogen, zou je verwachten dat de klanken uit de gulle hoorn van een oude grammofoonspeler komen. Ware het niet van de opnamekwaliteit, dan zou je na enkele minuten voor alle zekerheid toch even de kalender gaan checken. Dergelijke tijdreizen zijn quasi altijd charmant, maar hebben als valkuil dat ze vaak leiden tot conceptplaten waarvan de songs ultiem inwisselbaar gaan klinken.

Foster weet er echter meer mee te doen; in eerste instantie omdat het bij haar niet om een gimmick draait, maar om een diepe liefde voor het genre. De plaat staat ook niet volledig geïsoleerd van het hedendaags geluid, maar gaat dieper naar de wortels terug. Zo herken je in “No One’s Calling Your Name” bijvoorbeeld de sfeer die de zussen Casady al op La Maison De Mon Rêve evoceerden, zij het in sepia gedrenkt. Dankzij de ingetogen maar minutieus afgewerkte orkestratie groeit het nummer van een stille slaper tot een van de hoogtepunten van de plaat. Doorheen de hele plaat wordt extra aandacht besteed aan kleine muzikale accenten die de songs net dat tikje memorabeler maken; in deze track neemt het instrumentale luik zijn tijd om de melancholie van de melodie volledig te laten opslorpen. Dit respect voor de medemuzikanten is één van de voornaamste troeven van het album. Luister maar naar de opbouw van het hartroerende “Magenta”, dat zijn tijd neemt om de achtergrondbegeleiding langzaamaan op te bouwen en dan in zijn eigen spotlight te laten floreren. In de tussenluiken hoor je pas hoeveel aspecten aan de totaalmelodie bijdragen en hoe ze allemaal hun eigen karakter mogen tentoonspreiden.

De vaak voorkomende eenzijdigheid van dergelijk experiment wordt eveneens geweerd. Foster is geen “one trick pony” die zichzelf in de eenheidsworst vergaloppeert, maar een veelzijdig raspaard. De goedgeluimde bluegrassmelodie “Sugarpie I’m Not The Same” start de plaat in een stoffige saloon waar het halve schepencollege rond een lillende buffetpiano staat te musiceren. Veel minder exuberant is de intimistische vrolijkheid van “I’m A Dreamer”, dat de mosterd bij een voorvader als Roy Orbinson lijkt te halen. De droom wordt voortgezet in de miniatuursong “Amuse A Muse”, maar ditmaal met een theatraal kantje dat naar de klassieke Dietrich-werken transponeerbaar zou zijn. Het mag ook wat harder, zoals in de protestklank van het krachtige “My Wandering Heart”. Deze laatste lijkt zich met de introductie van elektrische gitaar schuldig te maken aan anachronisme, maar toont daardoor ook dat het geluid van Foster authentiek is, en niet zomaar een starre stijloefening.

Bij momenten dreigt Fosters stemzetting een song tot op het randje van geaffecteerd te duwen –in het naar Sesamstraat neigende “Cabin In The Sky” en “Pretty Please” — maar in zijn geheel ontwijkt de plaat het karikaturale. Na de swingcapriolen van Robbie Williams of vintage projecten als Janet Klein & Her Parlor Boys is het dan ook een ware verfrissing om een artieste te horen die het vormexperiment tot volwaardige stijl weet te verheffen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − zes =