Wayne Shorter Quartet :: 11 november 2013, De Roma

Wayne Shorter was in ’t land en we zullen het geweten hebben. De krasse saxofonist werd uitgebreid aan het woord gelaten in nationale kranten en dat had duidelijk resultaat: het was over de koppen lopen en verrast zijn van de lichtjes hysterische reactie van een uitzinnig publiek. Was dat niet terecht dan? Ja en neen.

Jazzjournalisten zijn soms een stelletje onnozelaars. Kijk hoe ze omgaan met Sonny Rollins. De gezaghebbende Jazz Journalists Association, een gezelschap van veelal hooggediplomeerde, blanke, oudere mannen die zich vermeien met bepalen wat wel en geen jazz is, schonk de “Musician Of The Year Award” in 2006, 2009, 2011 én 2012 aan de Saxophone Colossus. Tussendoor kreeg hij even vaak de prijs voor de beste tenorsaxofonist van het jaar uitgereikt. Een goedbedoelde geste misschien, en ergens (er is altijd een ergens) wel te begrijpen, want in z’n hoogdagen was Rollins een van de beste dingen die de jazz ooit overkomen is, maar buiten proportie en minstens drie decennia te laat. De Rollins die wij een paar jaar geleden aan het werk zagen, speelde vooral op automatische piloot wat ongeïnspireerde calypso’s, terwijl hij ondersteund (want geprikkeld gebruiken zou een grove leugen zijn) werd door een band die hem vooral geen duimbreed in de weg wilde leggen. Het overdreven, bijna huichelachtige bejubelen van een legende die voorbij de piek van z’n kunnen is, is misschien goedbedoeld, maar druist tegelijkertijd – oh ironie — radicaal in tegen de geest van diens beste werk. Jazz draaide ook in de zogenaamde Gouden Jaren (pakweg de eerste twintig jaar na WO2), en dat kan zelfs de meest hardleerse conservatief niet ontkennen, rond de vooruitgerichte blik.

Een uitzondering die de laatste jaren ook wat furore maakte en de hemel in geprezen werd, is Wayne Shorter. Die heeft intussen ook al de gezegende leeftijd van tachtig jaar bereikt, maar terwijl veel van zijn leeftijdsgenoten genoegen nemen met het herverpakken van een gulle greep uit een rijk verleden, is de sfinxfiguur uit de bands van Art Blakey, Miles Davis’ fantastische Second Quintet en Joe Zawinuls Weather Report intussen al meer dan een decennium bezig aan een opmerkelijke wederopstanding. In 2001 verzamelde Shorter drie muzikanten rond zich met wie hij sindsdien een imponerende eenheid gesmeed heeft, een echte working band die in de loop der jaren een eigen universum gecreëerd heeft dat enkel weggelegd is voor de groten. Net als Zorns Masada is dit een kwartet dat met sprekend gemak de meest virtuoze dingen uit de mouw schudt en zichzelf nog lijkt te verrassen ook.

De voorbije jaren leidde dat tot een paar memorabele concerten in Middelheim (Jezus Christus!) en Gent Jazz (Hallelujah!), dus de verwachtingen waren voor dit zaalconcert op z’n minst hooggespannen. Werden ze ingelost? Niet helemaal. De band speelde met verbeelding, stijl en overgave (dat drummer Brian Blade in de finale van het concert een half metertje naar voren geschoven was door zijn energieke gehamer, was bijzonder vermakelijk om te zien), nu en dan zelfs met die bekende telepathie en overduidelijk met bakken goesting, maar om van zo’n transcendente ervaring te kunnen spreken, was er iets meer nodig geweest. Al is het natuurlijk die zelfopgelegde stijl die de lat meteen zo hoog legt.

De stijl van Shorter en co. draait immers niet om klassieke songstructuren en traditionele uitwisselingen, maar een vloeiende stream-of-consiousness, een steeds in beweging blijvende heen-en-weer-beweging die door de drijvende en broeierige ritmes van de fenomenaal meeplukkende bassist John Patitucci, de majestueuze, soms exotische insteek van pianist Danilo Pérez, abrupte, vulkanische uitbarstingen van Blade en de elegische melodieën en interventies van Shorter meteen een schijn van grandeur krijgt. Dat geeft de muziek meteen een onwrikbaar soortelijk gewicht die vaagweg herinnert aan de hyperintense oefensessies van Coltranes kwartet. Muziek die met zo’n haast religieuze ernst en spirituele overtuiging gemaakt wordt, die moet toch garant staan voor een heldhaftige zeggingskracht? Ja toch? Waarom duurde het deze keer dan ruim een half uur voor we dat voelden?

De bandleden bleven voortdurend in oogcontact met elkaar, grijnsden en ginnegapten er op los, terwijl de meester hier en daar tussenkwam op tenorsax, met een toon die in de loop der jaren een stuk zachter geworden is, maar soms ook nog nijdig kan prikken. Maar uitsloverij hoeft helemaal niet voor Shorter, die soms genoegen neemt met een achteloos gestrooide melodielijn of halfweg een idee stopt met blazen. Dat bezorgt de muziek een onaffe kwaliteit die even intrigerend als écht is. Zodra hij de sopraansax voor het eerst ter hand nam, leek het kwartet meteen een trapje hoger te gaan spelen. De muziek kreeg een meer intense, strengere focus en bleef zelfs in de balladepassages doordrongen van die onderhuidse passie die ze in het eerste half uur ontbeerde. En dan kreeg je ook te horen hoe inventief werd omgesprongen met bronmateriaal, met passages die het ene moment bekend klonken om meteen weer op te gaan in een nieuwe beweging, en hoe de vier teren op souplesse en kameraadschap. Recht de hypnose in, without a net, zoals het luidt op het recentste album.

Eens de band z’n draad gevonden had, liet hij die niet meer los, waardoor het grootste deel van het tachtig minuten durende concert (en het obligate bisnummer) gespeeld werd op een niveau dat normaal niet weggelegd is voor tachtigjaren (evenmin voor kleppers van een paar generaties jonger). Dàt was dus straf, al had de work-in-progress-aanpak deze keer niet de monumentale impact van het kwartet op z’n best. Dit was absoluut een goed concert, maar om groots te zijn miste het die overtreffende consistentie. Het gevolg van zo lang verwend te zijn. Niettemin gunnen we Shorter de “Lifetime Achievement Award” die hij dit jaar van de JJA kreeg van harte. Al is het maar omdat achteruit kijken voor hem geen optie is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − acht =