END OF THE ROAD 2013 :: Eentje voor de fijnproevers (100%)

Een festival moet méér zijn dan een paar podia, gras en een handvol bands die toevallig op tournee zijn. Wij zijn verwende festivalgangers, nuffig met de neus in de lucht, en we willen iets anders. Lekker eten, een line-up die steek houdt, wat randanimatie en een beetje decor, alstublieft. Kan dat? Jawel; het Zuid-Engelse End Of The Road Festival biedt dat al acht jaar. (mvs) en (lt) dus op onderzoek uit. Trekt dat ding op iets? Jawel, maar het moet nu ook niet té folky worden.

Vrijdag 30 augustus

Het begint niet goed. Dat de M25 rond Londen geen pretje zou zijn, dat konden we nog verwachten, maar dat de rij-instructies van End Of The Road ons langs fucking Stonehenge en zijn urenlange kijkfile zouden sturen; de van chauffeurdienst zijnde (lt) vreet er bijna haar stuur van op. Het is dan ook drie uur later dan voorzien dat uw enolateam bij Mr. Trolley het handige karretje Scampi huurt en met een wagentje volgeladen de lange, steile weg naar de General Camping aanvat. Nauwelijks drie kwartier later al — uw verslaggevers zijn doorwinterde tentopzetters — betreden we op de tonen van King Khan & The Shrines een stemmig aangekleed festival.

End Of The Road vindt immers niet zomaar op een wei plaats, maar in de Larmer Tree Gardens, een idyllische plek in het Dorset van PJ Harvey, waar de heuvels rollen, en de natuur welig tiert. Toen de jolly good sport Lieutenant-General — even ademhalen — Augustus Henry Lane Fox Pitt Rivers ze in 1880 liet aanleggen, werden het de eerste privétuinen die in het Verenigd Koninkrijk voor het publiek werden opengesteld. Ondertussen staan ze op de lijst van het Britse erfgoed, en met prachtig groen, schattige oude zangpodia en dito landhuisjes is dat niet meer dan terecht. Het festival solliciteert dan ook nadrukkelijk naar een prijs voor Tofste Locatie Ooit.

Maar de muziek, zegt u? We steken ons hoofd eerst even binnen in de Big Top-tent waar Money ten — ja, wat? — speelt, maar de van Sigur Rós geleende muzikale bewegingen kunnen maar matig boeien. Het is te vroeg voor dit soort halfslachtige onzin, dus trekken we onward; de tuinen van Luitenant-Generaal-Majoor Rivers in, waar The Garden Stage nog geen beetje idyllisch staat te wezen: mooi aangelegde tuin er rond, sfeervolle prieelgebouwtjes; Engelse stijl, quoi. We voelen de upperclass twit in ons al boven komen, maar Serafina Steer sust hem al snel in slaap met tuttig harpspel. Eten dan maar?

Graag, ja, want als er één terrein is waarop End Of The Road de vloer aanveegt met de andere festivals, is het wel het voedsel. Na de geweldige exemplaren van de Burgermeester op het eerste Best Kept Secretfestival in Tilburg begin deze zomer, kregen we op Werchter al geen kartonnen hamburger meer doorgeslikt, en de rijkdom aan kraampjes en stalletjes die hier wordt tentoongespreid, doet helemaal duizelen. Pizzafalafelpaëllacurrymezze — alweer even naar levenstocht happen — worstenfishandchipsbalkanfoodcrumpets — CRUMPETS!? — mexicanpannenkoekengebradenkippenenwatwetenwenogmeer; het is er allemaal. Uw team settelt gezamenlijk voor een Indische Bhatti Wrap; (mvs) een pittige met kip en harissayoghurt, (lt) houdt het rustiger met iets minder heets. Beiden zijn het er echter over eens: beste festivalvoedsel dat we ooit al in handen hielden: perfecte kip, lekker verse groenten.

En nu we toch geen band aan het zien zijn, mogen we u even onderhouden over het onwaarschijnlijke aanbod aan bieren? End Of The Road maakt er een punt van om een overdaad aan Britse en vaak zeer lokale bieren te presenteren met namen die tot de verbeelding spreken, van de Mystery Tor (Een licht gouden ale, 3.8%) tot de Ducks Folly (Traditionele amberkleurige ale, 5.2%). In het uitgebreide programmaboekje worden ze stuk voor stuk voorgesteld, en bierkenster (lt) neemt zich voor er zoveel mogelijk te degusteren. Om te beginnen; de Arizona Very Pale Ale (Dorstlessend en droog, 4.1%). “Niets bijzonders”, klink het oordeel hard, terwijl (mvs) — op zoek naar iets dat voor “gewoon een fris en smakelijk pintje” kan doorgaan — voor een Becks Vier (Duits en waterig, 4%) opteert.

Dag Eén is ondertussen aan zijn eerste headliner toe, maar net als op Pukkelpop twee weken geleden, is Eels ook vanavond wat ontgoochelend. Dat de grappen en ludieke intermezzo’s nagenoeg gelijk zijn, we willen het nog vergeven — weinig volk hier dat ook in Kiewit was — maar erger is de matte prestatie die E en band afleveren. Of het nu materiaal van debuut Beautiful Freak of van laatste plaat Wonderful Glorious is, het wordt allemaal in een uitgebeend, rudimentair bluesjasje op zijn Souljackers geperst. Voor een artiest die ooit met een veelkleuriger palet schilderde is zo’n monochrome aanpak ronduit zonde, en wanneer we tijdens het twee-in-éénmoment “My Beloved Monster/Mr. E’s Beautiful Blues” samen met de frontman pseudo-verwonderd “It’s a mash-up!” kunnen roepen, weten we: het is tijd dat E een paar stevige kletsen rond de oren krijgt, en die gemakzucht laat.

Tijd voor drank, vinden wij zo, en we besluiten om eens het huisbier, de End Of The Road Ale (Vlot drinkbare ale met subtiele citrussmaak, 3.6%), te testen. Een tegenvaller zo blijkt, net als Parquet Courts in de Big Top, dat er — ja, ook zij — net als op Pukkelpop weer een rommeltje van maakt. Nochtans een goeie titel, dat “Stoned And Starving”. De boefkick op muziek gezet, maar een rammelend zootje van een nummer. Wij willen meer; topentertainment, verdorie, en dat zullen we krijgen van David Byrne & St. Vincent.

Met een uitgebreide selectie blazers achter hun rug brengt het ongebruikelijke duo — hij elder statesman van de New Yorkse art-rock, zij een weerbarstige songschrijfster met roots in Polyfonic Spree — een strak gechoreografeerde show die de tong stevig in de kaak houdt. Geen moment staan de muzikanten stil, voortdurend dansen ze in kringetjes, trekken ze in halve polonaise over het podium; er is altijd iets te zien. Dat daarbij niet alleen wordt geput uit het samen geschreven Love This Giant, dat vorig jaar verscheen, maar ook uit de rijke songcatalogus van Byrne, helpt: We horen “This Must Be The Place”, maar net zo goed een uitbundig “Wild Wild Life” en “Burning Down The House” van Talking Heads. De songs van St. Vincent — voor de gelegenheid uitermate glamoureus geblondeerd — zoals “Northern Lights”, staan met hun brute karakter ietwat haaks op de setting, maar dat marcheert; “Cheerleader” en “Northern Lights” bijten en klauwen ook in deze arrangementen charmant. Wanneer Byrne zijn ploeg tot slot in stoet door een olijk “Road To Nowhere” leidt, is dat niet meer dan een uitbundige bonus. Overrompelende show en een onverwachte festivalhit.

Daar moet op geklonken worden. Een Gold Spice (Prijzenvangend witbier met gember, 4%), misschien? Nah, toch liever een Cobble Wobble (Zomerbier met toetsen van limoen, 4%) voor (lt). (mvs) neemt geen risico na dat End Of The Road; een Becks, dan maar, zij het met lange tanden. En zo begeven we ons naar de Silent Disco. De wát?

Jawel. End Of The Road doet met nogal veel goesting aan nevenactiviteiten, en een danstent waar iedereen zijn eigen koptelefoon op heeft, is daar één van. Het zicht, wanneer uw verslaggevers de locatie betreden, is onwerkelijk: hoewel er geen noot muziek te horen is, staan tientallen mensen zich de longen uit het lijf te zingen op “There Is A Light That Never Goes Out”. Tien pond waarborg later staan we zelf ook met zo’n ding op ons hoofd, en wanneer “Born To Run” die Smithsklassieker opvolgt, zijn ook wij niet langer te houden. Het feit dat er twee kanalen zijn waarop je kunt afstemmen, maakt het geheel nog absurder: staat de ene helft met hart en ziel “There She Goes” van The La’s mee te brullen, gaat de ander loos op “I Got A Feeling” van die abominatie die Black Eyed Peas heet.

We ronden de avond af met een laatste bier; de Hobgoblin (Vol rood beer met chocolade-en-toffee-moutsmaak, 4.5%) aan het kampvuur bij de Tipi Tent. Samen proeven we nog even van een bakje chips: degelijke, maar slechts eenmaal gebakken frieten, met een wat zurig aandoet potje tartaar. Wij zijn Belgen, wij zijn beter gewoon, en laten de nacht dan maar wenken. Tot morgen.


Zaterdag 31 augustus

Rise and shiiiiine! Het is kwart voor negen, (lt) is al een half uur naar de douche, en (mvs) wordt kreunend wakker. End Of The Road is een kindvriendelijk festival, en dus is de camping al vrolijk wakker. Pas drie kwartier later duikt onze rechterhand opnieuw op: er blijken maar zestien douches voorzien voor een flinke tienduizend gasten; tikkie te weinig voor een vlot doucheverloop.

Ontbijt dan maar? Dit is Engeland; thuisbasis van het — euh — English Breakfast, en dat valt hier in een handig kartonnen bakje te krijgen, al moet je er ook enig gedisciplineerd aanschuiven voor verduren. Nauwelijks drie kwartier na bestelling smullen uw verslaggevers echter van een bord om u tegen te zeggen: worst à point gebakken, scrambled eggs om te zoenen, meer bacon dan een gemiddeld varken kan leveren, en bonen in tomatensaus die we met smaak opeten. En belangrijker; van de vermaledijde black pudding — U noemt dat bloedworst als u met een zuur gezicht “ik lust dat niet” zegt — geen spoor. Team Enola is wakker; en klaar om er in te vliegen.

Het is dan echter dat hét euvel van End Of The Road 2013 zich openbaart. Met een programmering die iets te veel aan de folky kant van het spectrum blijft hangen, is sufheid deze zaterdagmiddag niet van de lucht. Zowel Birthday Girl in de Big Top als Fossil Collective op de Garden Stage hebben ernstig te lijden van het Fleet Foxessyndroom; te veel meerstemmigheid, té mierzoet. Wanneer die laatste groep er bovendien een sport van blijkt te maken om Midlake te kopiëren, moet (lt) (mvs) met het schuim op de lippen afvoeren naar de Woods Stage waar Evening Hymns zijn levensverhaal vertelt.

De Canadees Jonas Bonnetta is immers het soort songschrijver die zijn erg persoonlijke teksten graag inleidt met een omstandig exposé over de ontstaansgeschiedenis ervan,en wat het voor hem betekent, vooraleer het nummer in kwestie dat verhaal nog eens dunnetjes overdoet. Niettemin zijn vertelsels als “You And Jake” (voorafgegaan door een hele uiteenzetting over de jacht, zijn vader en zijn broer) erg mooi in hun absolute eenvoud. De man staat er immers helemaal alleen voor, meer dan zang en gitaar is het niet, maar in deze vroege middagzon is dat al ruim voldoende.

Terwijl we een smakelijke Marokkaanse mezze — gevulde wijnbladeren, meer humus dan we opkrijgen, falafelballetje,.. — verorberen bij wijze van middagsnack, doet Pokey Lafarge alsof het nog steeds 1933 is en dixieland dé shit. In normale omstandigheden zou zo iemand met zijn bandje de plaatselijke braderie mogen opfleuren, maar laat dat door Jack White getekend zijn op zijn Third Man Records, en plots moeten we dat serieus nemen. Wij denken van niet, en terwijl we in het voorbijgaan een Becks (mvs, of wat dacht u) meepikken en een Funky Monkey (Fruitige zomerale, 4% voor de dame van het gezelschap), laten we deze pastiche van een Boardwalk Empire-soundtrack voor wat het is.

Indians is immers een van dé namen van afgelopen jaar, en dat is niet meer dan terecht. De lichtjes foute Deen Søren Løkke (dat hemdje, die ketting!) zet in de sfeervolle Big Top een knappe set neer waarin fragiele pianosongs met elektronica virtuoos worden ingekleed, en waarbij pathos niet geschuwd wordt. “Your eyes do not see anymore”, galmt het in het klaterende “Magic Kids”, terwijl de synths weinig subtiel naar de jaren tachtig lonken. Ook “Bird” heeft stiekeme balladneigingen, maar Indians blijft immer ingehouden en onderkoeld. Haunting, is het woord dat het uitgebreide programmaboekje hiervoor graag bovenhaalt, en voor één keer is dat niet gelogen.

Waarna Team Enola op verkenning trekt in het bos dat de Garden Stage omringt. Een parcours vol kunstwerken leidt ons verder en verder weg van het festivalgewoel tot we op een medewerkster in fluo hesje stuiten. “Sorry, this is the end of the road”, klinkt het droog. Britse humor. Dan maar terug langs de spelletjeszone, waar kinderen staan te pingpongen en volwassenen Wie Is Het? of Zeeslag spelen, naar de grote Woods Stage.

Daar staat Dawes Southern rock te brengen die de gebroeders Followill nog geen beetje in de schaduw zet. “When My Time Comes” of “Time Spent In Los Angeles” zijn immers songs waar Kings Of Leon al jaren naar loopt te zoeken, “A Little Bit Of Everything” het soort plakker waarop het mistroostig in een whiskyglas staren is. Als Dawes ooit leert dat “Sex” in een refrein smokkelen een binnenkoppertje is, dan headlinen ze binnenkort festivals waar ze géén Heel Stone (Verfrissende bitter, 4.3%) serveren, maar platte Stella.

Geen headlinermateriaal, wel wonderlijk mooi, is het bevreemdende meisje Angel Olsen. Hoewel ze nog maar halfweg de twintig is, klinkt haar bijwijlen erg merkwaardige stem – soms is het net geen jodelen — als die van een veel oudere vrouw, uit lang vervlogen tijden. De Garden Stage lijkt plots wel érg groot, zoals ze daar staat, met alleen haar gitaar, stug voor zich uitkijkend, maar van zodra ze zich naar de microfoon richt voor hartverscheurende songs als “Safe In The Womb” of “The Sky Opened Up”, kun je niet anders dan zwijgen en opletten. Ze vertelt, laat haar stem galmen en buitelen, en doet dat schijnbaar moeiteloos en onbewogen. Countrysleper “Miranda” en het van minimale instrumentatie maar des te indrukwekkendere zang voorziene “If It’s Alive It Will” doen geen klein beetje pijn om naar te luisteren – het botst nogal met de zon die hier érg zijn best aan het doen is – maar net dat geeft haar kilometers voorsprong op de andere lievige folkies van deze driedaagse.

Leisure Society is daarna de perfecte band om dit geweldige optreden te verwerken met wat oppeppende vrolijkheid. (lt) probeert een Cwrw’r Ddraig Aur (Volle smaak van mout en hop, 4.1%) te bestellen, maar geeft het na vijf pogingen tot degelijk uitgesproken Welsh op, om terug te plooien op haar ondertussen vertrouwde Hobgoblin. (mvs)? Ach, u kent de lafbek ondertussen; hij laat de Duitsers winnen. De End Of The Road-chous uit Burton-Upon-Trent leveren een charmante, maar schizofrene set vol onnozele mopjes af: klinken ze in “Last Of The Melting Snow” als zeemzoete koorknapen met een dringend af te leren voorliefde voor dwarsfluit, dan gaan ze even graag loos in “The Tearing The Arches Down”. Op het einde van de set wordt het podium volgepropt met nog wat extra vrienden (bandleden van Laish, dat hier eerder op de dag speelde), en maakt de braafheid finaal plaats voor een klein feelgoodfeest. Niets dat ons lang zal bijblijven, maar erg leuk zo lang het duurde.

Daarna is enola weer den bos in, want daar, op de Piano Stage, waar elke festivalganger zijn ding desgewenst mag doen, geeft Ed Harcourt een kort, geheim optreden. De bard kiest voor een toepasselijk en puik gebracht “Back Into The Woods” en sluit samen met één van zijn achtergrondzangeressen af met een verbluffend “Church Of No Religion”. Het zijn dit soort fijne, spontane dingen, die End Of The Road zijn ongedwongen karakter geven.

Warpaint verzuipt even later echter hopeloos in het nog felle avondlicht aan de Woods Stage. Dat de groep te lang heeft gewacht om het veelbelovende debuut The Fool uit 2010 op te volgen is ondertussen duidelijk; na drie zomers snakt het publiek naar nieuwe nummers, maar die vallen hier in open lucht dood als druppels op een hete plaat. Enkel “Undertow” — altijd hun sterkste nummer — blijft overeind, en je kunt alleen maar denken: “gemiste kans”. Deze groep heeft de duisternis nodig.

Anna von Hauswolf is in de lichte Tipi Tent het zelfde lot beschoren, maar houdt zich steviger staande. Haar nieuwste plaat Ceremony levert een indrukwekkend huwelijk tussen Kate Bush-achtige zang en atmosferische, donkere soundscapes, en die mystiek botst met het beeld van vier doodgewone Zweedse jongens en een giechelig meisje die dat op de planken proberen te construeren. Von Hauswolf is op deze manier aandoenlijk aanraakbaar, maar met de ogen dicht levert de zangeres wel een knap optreden af, dat ons ooit in betere omstandigheden helemaal mag wegblazen. Voorlopig zijn het echter de almaar zakkende temperaturen — er is voor vannacht een gezellige zeven graden voorspeld — die ons zorgen baren.

Verrassen kan Sigur Rós daarna al lang niet meer. (mvs) schuift ondertussen al voor de veertiende keer in twaalf jaar aan deze dis aan, en ziet hoe de IJslanders één van de sterkste shows van hun zomertour afleveren. Verrassingen zijn er niet — of het zou moeten zijn dat de lange speelduur hen de kans geeft om “Svefn-G-Englar” nog eens van stal te halen — maar de groep imponeert weer in deze voor hen perfecte omstandigheden.

Van bij opener “Yfirborð” tot het traditioneel afsluitend “Popplagið” treft elk nummer doel, op een hortend “Glósóli” na: éven lijkt de machine te haperen, maar een pakkend “Vaka” en een stormachtig onthaald “Saeglopur” later is dat al lang weer vergeten. De nieuwe nummers van het iets brutere Kveikur blijken ondertussen ook goed in de set geïntegreerd, al is na afloop toch te horen dat deze set vooral véél luider had mogen klinken. Dat is terecht. Zou Joke Schauvliege een al even tuttig Engels nichtje hebben?

Geen klachten over het volume van de Garden Stage, waar we voor de tweede keer vandaag Ed Harcourt tegenkomen. Mét volledige band deze keer, en dus ook met een geluid dat een stuk potiger klinkt dan tijdens zijn intermezzo van vanmiddag. Harcourt blijkt een rasechte showman, die zijn rustige nummers grotendeels in de kast laat en in “God Protect Your Soul” met veel plezier zijn piano net niet aan stukken hamert, om vervolgens gretig het publiek in te duiken voor een vermakelijk rondje armwuiven tijdens crooner “Until Tomorrow Then”. “Whatever these Icelanders do, I can do too”, klinkt het bij het begin van de set. Niet helemaal, maar hoogst entertainend is het wel.

Met de mezze van daarnet verteerd, kiest uw Team Enola voor een smakelijke tomaten-courgettesoup van de Dorset Blue Soup Co, en daar komt nog een croque met kaas en chutney bovenop; alweer uitmuntend festivalfood, en samen met een afsluitend biertje — Ook voor (lt) volstaat een Becks nu wel — wordt deze dag uitgeleide gedaan. Wordt het straks bibberen in de tent?


Zondag 1 september

Neen! Drie lagen pyjama blijken te volstaan om de bijna-vriestemperaturen van Zuid (haha)-Engeland te weerstaan. Uw team staat alweer akelig vroeg op post, en hoort Belle & Sebastian alvast even warmdraaien voor vanavond. En wat eet men daarbij? Waffles, verdorie! Want ja, ze hebben hier wafels! En een yoghurtgerecht dat “The Mess” heet. Niet dat die waffles met scrambled egg en chorizo van (mvs) er minder als een rommeltje uitzien, maar u hoort geen klachten; dit is alweer een goed ontbijt.

Net als Crocodiles dat muzikaal voorziet. “Eindelijk deftige elektrische gitaren!”, juicht (mvs) en hij gaat loos op de aan de lethargische drugrock van Dandy Warhols verwante songs van de Californische band. Goed, het is niet bijster origineel, maar deze groep heeft melodieën te over, en met Brandon Welchez een frontman die weet hoe je dat moet zijn. Frankly; dit verdient meer dan een set die om kwart voor twaalf begint.

De affiche van deze zondagmiddag lijkt hierna opnieuw maar flauwe folkpap, en dus melden (lt) en (mvs) zich aan de Piano Stage aan voor de Ringo: Music Bingo. Het gezelschapsspel met bandnamen blijkt voor de Ierse Ronan Leonard vooral een excuus voor de meest flauwe muziekmoppen ever —

Bonbon Jovi, Massive Attic, u ziet het wel… — en een hoop entertainment. Of zag u recent nog een ruime kudde hipsters loos gaan op “You’re The One That I Want” uit Grease? Een half uur later gaat uw duo prijsloos naar huis; geen vier hoeken afgekruist, geen vijf-op-een-rij gescoord, wel goed gelachen op een dood moment; kan dat vierde podium van Rock Werchter geen permanente Music Bingo worden?

Voedsel! (mvs) beoordeelt zijn garnalencurry wat zuur: “de garnalen zijn smakeloos, de rijst net niet te weinig gekookt”, terwijl (lt) worstelt met haar falafel; het broodje scheurt, onhandig gehannes haar deel. Alweer een Mess, verdomme. Geen klachten voorts, laat onze wannabe-veggie weten: lekker veel groentjes. Als ze maar gezond kan doen. Cayucas staat op de Woods Stage ondertussen iets te nadrukkelijk te weten dat het zondagmiddag is: als een wel héél erg stonede Jack Johnson wiegt Zach Yudin niet alleen zichzelf maar een hele wei in slaap. En dat kan niet de bedoeling zijn. Nu nog niet.

Want wat willen we? Entertainment! Wanneer willen we het? Nu graag, want er staat voorlopig nog altijd alleen maar saaie folktruut op het programma en (lt) vindt het te vroeg om nog een bier te samplen. Oplossing: de Where Is My Mind? Music Quiz waar uw team wordt samen gegooid met een ander duo (“Zodat meer mensen kunnen meedoen”). Gelukkig blijkt Alistair een fijne mens die foutloos Yo La Tengo op de foto herkent, en heeft Naomi een geoefend oor dat “In Between Days” van The Cure zelfs herkent als het op xylofoon wordt gehamerd. Toch mag het niet baten; waar Ishi’s Leaving Home (Don’t ask, maar nu u dat toch doet: teamnamen moesten bands verwerkt in Beatlessongs zijn) één ronde voor het einde nog op de tweede plaats staat (die gratis tickets voor End Of The Road 2014 zijn binnen handbereik), blijkt die xylofoonronde de ronde te veel. Een met vier teams roemloos gedeelde derde plaats is ons deel.

Van zo’n nederlaag gaat een mens op de dool, en zo gaat dat ook met (mvs) en (lt), die in het voorbijgaan een Becks (“Wat moet een mens anders hier?”) en een Mermaid (“Eentje voor de hopheads”, 4.1%) meegrabbelen vooraleer ze achtereenvolgens The Staves (“Laïs voor bejaarden”, aldus (mvs) en Marika Hackman (“Ik wil hier weg”, (lt)) checken. Uiteindelijk wordt er net op tijd gekozen voor het epische slotnummer van de set van Bo Ningen.

Dantekse taferelen immers in de Big Top waar de vier Japanners hun geluidsstormen op de massa loslaten. “Net vier vrouwen die ontsnapt zijn uit The Ring“, fluistert (lt), maar al dat langharig tuig blijkt wel degelijk mannelijk, en ja, dat is acid punk; hysterische, psychedelische jams waar de waanzin van af druipt. Het is welkome gekte op een festival waar de beleefdheid soms net iets te hard van af druipt.

Om te bekomen moet (mvs) even een shot rum bestellen, terwijl (lt) opteert voor het briljant genaamde The Usual (Koperkleurig, vol en complex, 4.4%). Caitlin Rose zorgt voor een aangename soundtrack. De nieuwe koningin van de moderne americana is immers een meid met sass, die niet alleen giechelige bindteksten zonder einde debiteert, maar daartussen ook charmante countrysongs serveert waar een mens niet boos van kan worden.

Het wordt ondertussen langzamerhand alweer ijzig koud, maar Jens Lekman zorgt voor een shot warmte op de Garden Stage. Wat een entertainer is de man immers! Zelfs al brengt hij al drie jaar hetzelfde verhaal over zijn gemankeerde ontmoeting met Kirsten Dunst — (mvs) voelt zijn pijn — hij blijft een meesterverteller, die muzikaal probleemloos van het ingetogen “Every Little Hair Knows Your Name” naar de halve disco van “The Opposite Of Hallelujah” gaat. Oudjes “Black Cab” en “Maple Leaves” zijn nog altijd het ideale hulpmiddel om een meezingmomentje uit te lokken, maar het is alweer bijna-disco — en zelfs een flard “Lambada” die voor een euforische eindspurt zorgt.

Terwijl Frightened Rabbit op de achtergrond speelt, doet (mvs) sociaal. End Of The Road betekent immers ook: aan de praat raken met een oude Brit over Belgische bieren, Brussel, en de slagvelden aan de IJzer. “Never again”, besluiten we samen hoofdschuddend, om vervolgens in de Big Top Public Service Broadcasting een kans te geven. Een wijze beslissing.

Net als I Like Trains of British Sea Power is Public Service Broadcasting immers zo’n gezelschap dat zich wentelt in de Britse excentriciteit. Met behulp van samples uit oude propagandafilms, banjo, drums, gitaar en veel elektronica bouwt de groep een fascinerend krautrockgeluid. In hun nette pakken zien de groepsleden er uit als deugdelijke BBC-ambtenaren uit 1953, maar hun dansmuziek biedt eerder een blik op wat Kraftwerk in de 21ste eeuw had kunnen zijn. “Wire and lights”, vat één nummer hun modus operandi samen; wij protesteren. Hier was ook magie in het spel.

“Ach, Belle & Sebastian, ze zijn een instituut; je kunt ze zo vaak zien”, schokschouderde die Brit van daarnet over de headliners van vandaag. In België is het vier jaar geleden dat we de Schotse groep nog eens aan het werk mochten zien, dus we zijn maar wat verrast om te zien hoe Stuart Murdoch zich heeft ontpopt tot een frontman met allures; gaat zonder veel omhaal dramatisch door de knieën in “I’m A Cuckoo”, loopt het podium af in het epische “Your Cover’s Blown”. Jammer dus dat hij al eens stevig van de toonladder durft te donderen.

Ook de band rond hem is gegroeid. Niet alleen in aantal — het oorspronkelijke zevental is aangedikt met strijkers tot een kloek voetbalteam — maar ook in geluid. “Stars Of Track And Field” klinkt veel potiger dan in dat verre 1996, toen Belle & Sebastian nog een groepje hopeloze werklozen was, maar in “Piazza New York Catcher” blijkt dat het toch nog steeds in dat soort “kleine” liedjes te zijn dat de band het meest excelleert. Het is dan ook een beleefd meegezongen “Judy And The Dream Of Horses” dat het echte hoogtepunt van de set is; wat niet wil zeggen dat het beeld van de jonge fans op het podium tijdens “The Boy With The Arab Strap” niet aandoenlijk was. Met nog twintig minuten op de teller, beperkt de groep zich nog tot één bisnummer, maar met een pakkend nummer als “Get Me Away From Dying” volstaat dat ruimschoots.

Daarmee zit End Of The Road er officieel op. In de Forest Disco zullen dj’s nog tot de vroege uurtjes doorgaan, maar u wil natuurlijk maar één ding weten. Helaas. Ook hier. Terwijl we aan de Tipi Tent van een afsluitend bier zitten te genieten — “Wat”, vraagt u? Ah natuurlijk: (lt) geniet van een Fuggle-Dee-Dum (Intens, moutig en sterk, 4.8%) — waait ons van aan de immens populaire ciderbus een flard “Blurred Lines” aan. Zucht. Dan maar naar binnen gevlucht, waar we in extremis nog hét moment van het festival geserveerd krijgen wanneer de Barr Brothers, die hier eerder vandaag de Garden Stage bestegen, tijdens een onaangekondigde set “Like A Rolling Stone” inzetten, en een volle tent als één man “How does it feeeel” meebrult.

Het is End Of The Road in een notendop: misschien iets te folky, maar immer goedgehumeurd en gezellig, en sfeervol in termen waar bij gewone festivals niet eens aan gedacht kan worden. Zeker, de programmering kende overdag een iets te eentonig kleurgebruik — zoals een lid van Team België verzuchtte: “Ik kan geen muzikant met een akoestische gitaar meer zien” — maar met een pallet aan randanimatie — Hebben we u al verteld dat Pucket een erg fijn volksspel is? — dat geen einde kende, was ook dat hoogstens “Klein gebrek geen bezwaar”. Nu nog wat meer douches, en misschien een deftige Belgische pils voor (mvs) op de kaart, en u krijgt van ons volgend jaar alleen nog maar superlatieven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 + 9 =