André Baillon :: Waanzinnen

Het gevecht met het witte blad: weinig schrijvers hebben die strijd zo verbeten gevoerd als André Baillon. Voornamelijk actief tijdens de eerste helft van de 20e eeuw heeft het tot een aantal jaar geleden geduurd vooraleer de schrijver werd herontdekt. Met als onderwerpen psychiatrie, prostitutie en bij uitbreiding al wat zich situeert aan de schaduwzijde van de samenleving, is Baillon lezen nog altijd hoogst oncomfortabel.

Er zijn schrijvers die zich met een tas koffie aan de schrijftafel zetten en vijf maanden later opstaan met een manuscript onder de arm. Anderen hebben dezelfde roeping maar kunnen zich er niet zonder problemen toe brengen om hun dagen aan het bureau door te brengen. Welke woorden, welke zinnen, welke verhalen hebben immers zin? Wat doet er toe? Wie het tabula rasa wil overstijgen, moet het niet volkladden met woorden, maar moet integendeel spaarzaam met de letters omgaan. Hoe meer woordenkramerij, hoe moeilijker het wordt om een ondubbelzinnig inzicht te genereren. Het instrument taal laat zich immers niet ondubbelzinnig gebruiken, en precies daarom is een bewustzijn van haar mogelijkheden (en haar macht over de schrijver!) essentieel om tot kwalitatieve literatuur te komen. Ondanks zijn bijna neurotische angst voor het witte blad zou André Baillon, een in het Frans schrijvende Vlaming, negen romans en novellen schrijven — een bijna ontzagwekkende prestatie voor iemand die voortdurend streed met de taal, haar beperkingen met hart en ziel bevocht, haar beklemmende neiging om altijd maar weer context te creëren aan banden probeerde te leggen.

Op zesjarige leeftijd wees geworden heeft de Antwerpenaar altijd een min of meer jachtig bestaan geleid. Gemoedsrust was hem zelden gegund en zijn literair werk werd geregeld verstoord door dwingende gedachten aan vrouwen en de daar voor hem onlosmakelijk mee verbonden seksualiteit. De kanalisatie van driftmatigheden, die literatuur voor Baillon kon zijn, kwam soms in het gedrang wanneer de driften zelf de kop op staken. Literatuur, dat uitgekristalliseerd verlangen, had Baillons lichaam nodig om er te zijn, maar precies dat lijf was de eenzame bron die het schrijven in de weg stond. Geen wonder dat Baillons geschriften heel dubbelslachtig lezen, bijna als het relaas van een psychopaat die de 26 letters van het alfabet probeert te grazen te nemen. Het opzet van dit schrijven is aan te tonen hoe problematisch dat schrijven is, de waanzinnen proberen voorbij de fictie van de waan te geraken en daar iets “echt” aan te raken. Uiteindelijk pleegt Baillon op 57-jarige leeftijd zelfmoord. Een andere uitweg was er voor hem niet. In de dood, blanco als het onbeschreven blad, vindt de schrijver eindelijk de overwinning op zijn eindeloze opdracht: het blad bevlekken, bevuilen, beteugelen met woorden die minstens even banaal zijn als het punt aan het einde van deze zin.

Een verhaal in de traditionele betekenis van het woord kent Waanzinnen niet. Het is een essayistisch stuk over wat taal losweekt bij een mens, zowel bij diegene die haar gebruikt, maar impliciet ook bij diegene die haar tot zich neemt. Niet het uiteindelijke idee waarin dit korte stuk resulteert, maar vooral het talig proces daar naartoe is wat Waanzinnen een interessante brok lectuur maakt. Niet de beste Belgica uit de reeks bij Uitgeverij Voetnoot, wel een van de vele waardevolle ontdekkingen die het tot een reeks om te volgen maakt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + achttien =