WERCHTER 2013: Blur :: vrijdag 5 juli, Main Stage

“We’ve been waiting backstage for eight hours. So we’re ready for this”, roept Damon Albarn net na verwoestende opener “Girls & Boys”. Klaar was Blur inderdaad, om het beste concert dat Werchter de laatste jaren zag te geven.

Wat vraagt een artiest zich af, als hij tien jaar na de hoogdagen ziet wat zijn herenigde groep teweeg brengt? “Zonde van de verloren tijd”? Of eerder: “Nu of nooit?” Welk van beide gevallen voor Blur ook opgaat; de Britpopband speelde met de energie van jonge veulens die zich nog op de kaart moeten weten te zetten.

Nu is Albarn altijd een vinnig baasje geweest, met een meer dan gezonde vechtlust, maar ook zijn band volgt vanavond. Gitarist Graham Coxon jaagt de band met de karwats door een bijna uit zijn hengsels vliegend “Popscene”, waarin feestelijke blazers voor extra pret zorgen. Oudje “There’s No Other Way”, uit de tijd dat de groep nauwelijks zijn puberpuistjes was ontgroeid, en “Beetlebum” maken een openingskwartetje, dat de lat meteen hoog legt, vol.

Verder valt dit concert uiteen in ongeveer twee gelijke delen. Eerst put de groep immers diep uit het later, meer experimenteel werk van toen Coxon de rijen pubermeisjes beu werd, en de blik naar Amerika richtte. “Trimm Trabb” en “Caramel” blijken in al die jaren echter hun grilligheid te hebben afgeschud; meer dan dromerige liedjes zijn het niet, net als Albarns door Afrikaanse invloeden bewasemde “Out Of Time”. Waarna “Tender” even pure gospel wordt als het publiek samen met een achtergrondkoortje massaal dat “Come on, come on!” meezingt.

Bij de openingsnoten van “Country House” duikt Albarn de frontstage in, waar hij van op de hekkens de chaos mag aanschouwen; waanzin hoeveel enthousiasme een parodie op belegen Britse music halltradities losmaakt; het is hoempa met een knipoog, en daar gaat dit — overigens ietwat ouder — publiek met graagte van over de rooie. “Parklife” heeft erna maar binnen te koppen.

Dit is niet meer of minder dan een triomf: het omarmen van een status die in al die afwezige jaren dat Britpop dood was in stilte werd opgebouwd. Blur mag eindelijk incashen, en doet dat met een bisronde waar het zelfs tussen de sterren stil van werd. “Under The Westway”, die pianoballad die vorig jaar albumloos als single werd uitgebracht, is bloedmooi; alsof het al eeuwen tot de canon van de groep behoort. “Song 2” mag drie songs later knallend afsluiten, maar het is “The Universal” dat daar net vóór de kers op de taart vormt; het is bizar te bedenken hoe een donkere beschouwing over een griezelige toekomst het tot volkslied van de Blurnatie heeft geschopt, tot je dat refrein hoort. “Yes, it really, really, really could happen”, galmt het uit duizenden kelen, en daar gaat het om. Het ondenkbare is toch gebeurd: Blur bestaat opnieuw, en dat is niet meer of minder dan een klein wonder, waar een mens bijna emotioneel van durft worden.

“‘Allelujah”, zong Albarn even eerder in “Under The Westway”. Een beetje potsierlijk, maar wel toepasselijk. Want “hallelujah” nog aan toe; Blur heeft zich op Werchter de legende ingespeeld. Dit concert is met gouden kroontjespen in de boeken neer te schrijven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − 13 =