LES NUITS: Rebekka Karijord :: ”Als je je dood in overweging neemt, kan je voller leven”

In Noorwegen kennen ze haar al langer, maar hier is het voor Rebekka Karijord nog maar net begonnen. Vorig jaar roerde de overdonderende aardsheid van We Become Ourselves menig hart. Op Crossing Border schaarde zich een hele horde nieuwsgierigen rondom haar. Monden vielen open, haren gingen recht overeind staan. Binnenkort bieden Les Nuits nogmaals de kans om van deze intrigerende mystiek deel uit te maken. Tijd om even op schoot te kruipen bij de krachtige stem uit het woeste hoge noorden. Een gesprek over vrouwen & mannen, over leven & dood en over liefde, uiteraard.

enola: In België is de bal nog maar aan het rollen gegaan. Hoe zou je deze plaat pitchen aan wie nog niet vertrouwd is met je oeuvre?
Rebekka Karijord: Waarschijnlijk zou ik zeggen dat het au fond een plaat over liefde is. Op het eerste gehoor merk je veel duisternis op, maar in de teksten zit ook veel hoop en kracht. Het is de eerste plaat in een concept van twee dat rond mannelijkheid en vrouwelijkheid draait. In dit mannelijke luik zitten veel drums, veel orgels, jongens- en mannenkoren. Ik denk dat het zowel heel stil als heel luid is; heel dynamisch. Het draagt het hart op de tong, is romantisch en krachtig.

enola: Als ik ernaar luister, voel ik in de muziek een manifest voor menselijkheid en sterfelijkheid.
Karijord: Die gevoelens ziten er inderdaad in verweven. Bij het maken van deze plaat was ik vurig verliefd en daardoor kwamen heel wat onverwachte gevoelens boven. De euforie van het begin gaat hand in hand met het gevoel dat de tijd te snel gaat en je alles verliest. Ik denk dat je hetzelfde kan hebben als je iemand verliest die je dierbaar is, of als je kinderen hebt. De grootste keuzes in het leven gaan samen met een enorme angst voor verlies. Ik denk dat angst om geliefden te verliezen een van mijn voornaamste kwetsbaarheden is. Ik heb geen schrik om zelf te sterven, maar vrees hevig dat diegenen rondom mij gaan verdwijnen.Toen ik aan het schrijven was, zat ik te midden de natuur. Het gaf me een sterk gevoel van op dat exacte moment in mijn leven aanwezig te zijn en dat dierbare moment te delen met die man die ik ontmoet had. Een intens gevoel van levend te zijn, dat wou ik uitdrukken. Neem nu “Use My Body While It’s Still Young”, geen nummer over sterfelijkheid, maar een memento mori: als je je dood in overweging neemt, kan je voller leven.

Enola: Aan het eind van dat nummer weerklinkt het festieve mantra “We’ll all be dead in a hundred years.” Streven we te veel naar onsterfelijkheid?
Karijord: Ik denk dat onze maatschappij niet genoeg in contact staat met dood. Mensen sterven niet langer thuis. Vroeger zorgden we thuis voor onze ouderen en zagen we hen verdwijnen. Nu proberen we dat op elke mogelijke manier van ons te weren; jong en mooi blijven is het doel. Het tempo van onze gemeenschap ligt ook ver van dat van de natuur af. We weten niet meer hoe de dieren die we eten gestorven zijn. We hebben geen beeld van de dood. Ik denk dat dat ons verknipt maakt. Het maakt ons meer gefocust op en bang van details. Ik ben zelf van veel dingen bang, ik ben nogal hypersensitief. Moedig in muziek, maar heel gevoelig als het op mensen aankomt. Ik heb over mezelf geleerd dat ik minder bang hoef te zijn als ik in mijn achterhoofd hou dat we allemaal weg zijn over honderd jaar. Komaan, doe het nu: schrijf dat nummer! Pleeg dat telefoontje! Zeg die persoon van wie je houdt hoe je je voelt! Het is een herinnering aan mezelf.

enola: Die muzikale moed hoor je duidelijk op deze plaat. Er zijn zo veel invloeden die één groot geluid vormen. Wat waren je referenties?
Karijord: Niet zo veel artiesten zijn duidelijke referenties. Mijn smaak en mijn geluid zijn voornamelijk een mish-mash van mijn geschiedenis. Ik groeide op in het noorden van Noorwegen, in een familie van sterke vrouwen die storytellers waren. Ze vertelden steeds mythes over de natuur en zongen daar ook over. Dat zit in mijn bloed. In muziek ben ik ook een grote fan van de verhalende songs. Van sterke stemmen met integriteit die een missie hebben met een soort van humanistische, ethische wil zonder politiek te willen zijn. Ik groeide op met Patti Smith en Buffy Sainte-Marie. Talk Talks “Spirit of Eden” is een van mijn favoriete platen. Misschien is mijn album daar wel op een of andere manier door beïnvloed: de manier waarop alles live opgenomen is, met de dynamiek, de pauzes en de kwetsbaarheid die daarbij horen.

enola: Ik hoor ook veel verwijzingen naar gospel en etnische muziek.
Kaijord: Deze muziek moest een kantje hebben dat tegelijkertijd religieus en hedonistisch was. Niet als in: christendom of islam, maar liefde of het menselijke lichaam als religie. Ook al klinkt het heel pompeus en pretentieus, ik denk echt wel dat liefde het enige is wat ooit tussen mensen blijft bestaan. Je erft liefde. Als ik die niet gekregen had van mijn ouders, kon ik ze niet doorgeven. Dat is een mooie gedachte: we raken elkaar allemaal op die manier, en dat wilde ik vieren. Maar dan is er ook iets hedonistisch. Ik denk dat ik met deze plaat weg wilde van mijn geest en in mijn lichaam blijven hangen. Het live opnemen droeg daar heel wat toe bij.

enola: In “Ode To What Was Lost” zit een duidelijke referentie aan je voorouders. Wat is het muzikale erfgoed?
Karijord: Ik denk dat ik een achtergrond heb in zowel klassieke muziek als rock. Mijn moeder luisterde vaak naar klassieke en alternatieve muziek, mijn vader hield van Neil Young en The Rolling Stones.

enola: Met je vader communiceerde je lange tijd enkel via lyrics. Hoe ging dat in zijn werk?
Karijord: Ik groeide lange tijd enkel op met mijn moeder en die vrouwen waar ik het over had. Mijn vader was afwezig, was ziek en had persoonlijke problemen. Hij was een muzikant en daar droomde ik van. Zo had ik een heel romantische gedachte over die man die zo artistiek was en het talent dat hij mogelijk aan mij doorgegeven had. Toen ik twaalf was, vond ik op zolder wat lyrics. Het bleken de zijne te zijn en ik raakte erdoor geobsedeerd. Ik wilde hem ontmoeten en over zijn muziek praten, maar dat mocht niet omdat ik te klein was. Toen ik hem enkele jaren later kon opzoeken, ging ik erheen met twee zakken vol zelfgeschreven teksten. Voor mij was dat iets enorms, want ik kende hem niet en hij was enkel via die teksten een echte persoon geworden. We begonnen elkaar tapes te sturen. Onze band ontstond dus door muziek. Op die manier speelde hij een enorme rol in mijn leven, ook al was hij geen aanwezige vader.

enola: Gebruik je die teksten in je eigen werk?
Karijord: Niet meer. Toen ik 20 was, heb ik ze gebruikt in een monoloog in het theater, maar nadien voelde ik dat ik er klaar mee was. Het was verwerkt, maar het was een belangrijk stukje van de puzzel.

enola: Je werkt wel vaker voor film en theater.
Kaijord: Ik zie het als een extreem gepriviligeerde parallellijn van mijn werk. Alleen platen maken en toeren is zwaar, zowel financieel als om de focus op je persoonlijkheid te bewaren omdat het project aan mijn naam gelinkt is. Ik vind het leuk om soms ook eens als een deel van een project te werken, niet het grotere geheel te zijn. Bovendien is het ook bevrijdend om instrumentaal te werken. Woorden hebben tijd nodig, kunnen gevaarlijk zijn. Via soundscapes kan ik experimenteren en nieuwe paden vinden die in mijn eigen albums kunnen doordringen.

enola: Vind je het je moeilijker om muziek te schrijven voor een vastliggend beeld of om er zelf één te creëren?
Karijord: Het zijn twee verschillende gevoelens. Het enige was ze gemeen hebben, is dat het buikgevoel goed moet zitten. Tevoren zal ik het nooit afronden. Als je werkt met het verhaal en de beelden van iemand anders, dan heb je een stem die je kan vertrouwen. Ik moet meestal op mezelf bouwen als ik een plaat maak en dat is lastig. “Ode To What Was Lost” was een van de meest uitdagende nummers om op te nemen. Ik vond het heel moeilijk om dat lawaai, die explosie, te verwezenlijken op een manier waarop ik voelde dat ik er nog in paste. Het is gemakkelijk om een breed dak te bouwen, maar je moet het nog kunnen bevatten. Ik deed dat vaak toen ik jonger was: een groot geluid creëren dat ik zelf niet meer kon invullen. Met dit project voel ik voor het eerst ik daarin slaag. Deze plaat heb ik helemaal opnieuw opgenomen. Ik maakte hem in zes weken tijd en nadien dacht ik: het klinkt geweldig, maar ik voel er niets bij. Sommigen hebben dat meteen, maar ik had een paar jaar nodig om mijn buikgevoel te voelen en durven volgen. Dat heeft voornamelijk met zelfvertrouwen te maken. Ik ben een laatbloeier, altijd al geweest.

enola: Hoe zal het vrouwelijke luik van dit project klinken?
Karijord: Dat weet ik nog niet echt. Het enige waarvan ik zeker ben, is dat er enkel vrouwelijke stemmen zullen te horen zijn. Naar hen ben ik nu op zoek, wat heel uitdagend is. Ik denk ook dat de menselijke stem nog centraler gaat staan. Eerst dacht ik dat het een stille plaat zou worden, want “We Become Ourselves” gaat over een relatie en speelt zich dus af in een dialogische situatie. Gezien ik een vrouw ben, zal de plaat rond vrouwelijkheid waarschijnlijk maar rond één uitgangspunt draaien, maar daar moet ik nog over nadenken. Wel wil ik de intensiteit van deze plaat bewaren; dat staat vast.

enola: Scandinavië lijkt de voorbije jaren door een nouvelle vague van de vrouwelijke stem te gaan: Lykke Li, Ane Brun, Jenny Wilson, Jonna Lee, Frida Hyvönen … Voel je die beweging zelf?
Karijord: Zeker, en ik denk dat het een grote rol speelt dat we elkaar steunen. Mannen zijn altijd goed in bands vormen en elkaar een schouderklopje geven: “You can do this”. Vrouwen zitten vaker in hun kamer opgesloten om hun werk te perfectioneren voordat ze het aan de wereld tonen. Ik doe dat nog steeds — en ik weet dat Ane en Jenny ook zo werken — maar we wisselen meer competenties uit en daardoor ontstaat er een heel vrijgevige vibe in Scandinavië. We nodigen elkaar uit op tour, spelen op elkaars platen. We spreken met elkaar, helpen elkaar en daardoor ligt de lat hoger. Dat is volgens mij de reden waarom deze opmars merkbaar is.

enola: Welke Scandinavische vrouwenstemmen moet de wereld dringend leren kennen?
Karijord: Er zijn geweldige projecten die wij eerst horen en die dan de kanalen niet vinden om buiten te raken, voornamelijk in Noorwegen. De Zweden zijn er goed in om hun muziek te promoten. Noren niet, terwijl er ongelooflijke zangeressen zijn. Er is een meisje, Linnea Olsson, die zichzelf op cello begeleidt en met mij op tour gaat. Er is Susanne Sundfør, een ijzersterkte stem. We hebben Sibille Attar, die uit Zweden komt: een beetje punk, wat Patti Smith. Er zijn er zoveel en ze zijn fantastisch!

Alvorens je deze nieuwe namen opzoekt, is het tijd om Rebekka verder te ontdekken. Dat kan op 7 mei in de Rotonde van Botanique.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − veertien =