Digital Primitives :: Soul Searchin’

Probeer die hele freejazz en vrije improvisatie eens aan de nietsvermoedende man/vrouw te brengen, en je zal snel merken dat je amechtige verkoopspraatjes vooral onthaald worden op nauwelijks verholen afkeer of, in het beste geval, onbegrip. Te moeilijk, te intellectueel, te weinig structuur en soul. In veel gevallen is dat best te begrijpen als je vertrekt vanuit een bepaalde achtergrond, maar er zijn wel degelijk bands die kunnen fungeren als glijmiddel om de kennismaking te vergemakkelijken. Een daarvan is het trio Digital Primitives, dat we gerust durven rekenen tot de meest soulvolle bands die we ooit op een podium zagen.

Vreemd zootje nochtans, met een uit Chicago overgewaaide drummer die zowel thuis is in zorgvuldig afgemeten composities als in moddervette grooves, een Israëlische rietblazer (die al ruim twee decennia in New York gevestigd is) en een mysterieuze instrumentenbouwer/pianist die in de jaren zeventig speelde met David S. Ware, deel uitmaakte van William Parkers In Order To Survive en vorig jaar nog deelnam aan Marc Ribots Really The Blues-project, maar daarnaast steevast in de marge terug te vinden is. Het recept voor een grandioze mislukking? Niets is minder waar. Bij Digital Primitives is de spontaniteit voorzien van een gloeiende vanzelfsprekendheid waaraan moeilijk te weerstaan valt.

Eigenlijk zeggen die releases van het Hopscotch-label al genoeg. Met die eenvoudig getekende hoezen, pretentieloze lettertypes en DIY-look kondigen ze al aan dat je van deze schijfjes geen mathematische insteek moet verwachten, geen cerebrale krachtpatserijen, geen hoogdravende blabla over textuur, timbre, contrapunten en polyfonie. Hum Crackle & Pop (2009), het tweede album van het trio, was een hoogtepunt voor het label en de betrokken muzikanten, met een excentrieke sound die hand in hand ging met prachtig songmateriaal. De eerste albumhelft alleen al liet een vloeiende beweging horen tussen diepe funk, breekbare melancholie, kinderlijke directheid en opruiende rebellie.

Dat is meteen ook waarom het altijd twijfelen was of dit nog wel freejazz was. Er waren immers duidelijke ritmes en melodieën en van die beruchte onvoorspelbaarheid was amper sprake. Nochtans was die spontaniteit er, durfden Assif Tsahars solo’s alle richtingen uit kliederen en was het allemaal te veel bric-à-brac om de doorsnee soul- en funkliefhebbers tevreden te stellen. Net als heel wat freejazz grossierde Digital Primitrives echter in oerblues met de overtuigingskracht van een gospelsessie en de onaflatende ritmische bevlogenheid van een Afrikaans dansfestijn. Het verschil was dat het er eerder songgericht aan toe ging.

Die koers wordt nu wat opzijgeschoven voor dubbelaar Soul Searchin’, waarop de band resoluut inzet op grooves, ritme en… nog veel meer ritme. Was Hum Crackle & Pop het festijn waarmee zieltjes gewonnen werden, dan voelt deze plaat soms aan als de afterparty: minder focus, minder structuur, maar nog meer spontaniteit en naturel. Dat zorgt er enerzijds voor dat het album een zeer coherente luisterervaring biedt, maar anderzijds ook dat het, ondanks de duur van anderhalf uur, de focus vernauwt en minder diversiteit in de aanbieding heeft.

Het blijft echter een plezier om deze drie aan het werk te horen. Tsahar is een bevlogen blazer, die een lekker gerafelde klank voortbrengt op de tenorsax en erin slaagt om een enorme emotionaliteit te laten horen op de basklarinet. Jammer dat hij dat niet vaker doet. De ritmes van Chad Taylor zijn nu eens verrassend eenvoudig (opener “Beastit” is verplichte kost voor beginnende drummers), maar soms ook zo funky (“Spyzee”, “Spider’s Sap”) dat het moeilijk is om niet aan de glorietijd van James Brown & co. te denken.

En dan is er natuurlijk nog Cooper-Moore. Met z’n diddly bo, twinger, mouth bow en fretloze banjo breng hij geluiden voort die wel verwant zijn aan bas, gitaar en mondharp, maar toch hun eigen karakter hebben. En ze klinken vooral aards, vol en romig, met een haast lijfelijke sensualiteit, waardoor stukken als “Lipsomuch”, “Louminous Gnomes”, “Grass Blade” en het keihard swingende “Eye Perceive” meteen op de heupen mikken en het lichaam tot ongecontroleerde bewegingen willen dwingen. Hoe hij het allemaal precies doet, is ons ook niet altijd duidelijk, maar feit is dat hij met z’n kompanen een soort jazzfunk in elkaar brouwt die onweerstaanbaar is. Verleidelijk, donker, sexy. Hierop stilstaan gaat zelfs de hardnekkigste zoutpilaar niet kunnen.

Het is dus enkel jammer dat het trio zijn focus wat vernauwd heeft. De zangpartijen van Cooper-Moore zijn altijd goed voor een bijzonder moment, net als de soms aandoenlijke melodieën en schurende uitdagingen, en hier worden ze dus een beetje gemist. Met “India” wordt er wel een bloedmooie ballade gebracht (met, niet onverwacht, een laat-alles-vallen-zo-mooie basklarinetpartij), “Ol’ Blu” duikt diep in de blues en er zijn een paar bijdragen die een grilliger, meer ‘traditioneel’ freejazzparcours volgen (“Flat Footing”, het titelnummer), maar in vergelijking met de voorganger biedt deze release minder variatie en minder directe hoogtepunten. En eigenlijk wordt pas in “Talking In Tongues”, bijna aan het einde van de tweede cd, het volledige bereik benut.

Dat alles maakt van Soul Searchin’ opnieuw een prima plaat, eentje die geen enkele andere band had kunnen maken, maar dan wel eentje die net iets minder indrukwekkend of snel z’n punt maakt als de voorgangers. Anderzijds is dit het spul dat live wel eens voor een groovefestijn van jewelste zou kunnen zorgen, zeker omdat kerels van dit kaliber net in die context pas volledig open bloeien.

Digital Primitives speelt op zaterdag 2 maart in de Costa (Antwerpen) en stelt er zijn nieuwe album voor. De avond wordt geopend door het Christophe Albertijn/Thomas Campaert/Gino Coomans Trio. Het is de tweede avond in de concert reeks New York Jazz Connection. Meer informatie op de website.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vier =