Passion

De naam Brian De Palma durft in de filmwereld nog wel eens tegengestelde reacties teweegbrengen. Voor de ene is hij een Hitchock plagiërende, mysogine trash-fabrikant, voor de andere een cinematografisch virtuoos die altijd de grenzen van het medium probeert te verleggen. De laatste jaren lijkt het eerste kamp echter steeds omvangrijker te worden na enkele zeer slecht onthaalde films. De manier waarop De Palma zowel de citrici als het publiek eindeloos probeert te sarren met cinematische spelletjes, zijn drang om immer controverse op te zoeken (in 2007 kwam hij out of the blue aanzetten met de gechargeerde anti-oorlogsprent Redacted, met alle Republikiense ontsteltenis van dien) en vooral de zeer wisselvallige recettes van zijn films aan de box office, hebben er toe geleid dat hij anno 2013 in Hollywood zowat als persona non grata wordt beschouwd. Passion, zijn nieuwste film, is dan ook gefinanciërd met Frans-Duits geld. De Fransen zijn er natuurlijk als de kippen bij om een zogenaamd misbegrepen Amerikaanse kunstenaar in hun armen te sluiten.

Tijdens het eerste deel van Passion ligt de nadruk vooral op de interne machtspelletjes binnen een electronica multinational in Berlijn. Het is een elegante, maar bijzonder klinische wereld waar opper-bitch Christine (Rachel McAdams) de lakens uitdeelt en kruiperige assitentes zoals de makkelijk imponeerbare Isabella (Noomi Rapace) maar al te graag voor haar kar spant. Christine is iemand die zowel op haar werk als in haar persoonlijk leven complete controle over haar omgeving eist, wat respectievelijk ontaardt in corporate backstabbing en (gedwongen) lesbisch geflikflooi. Maar hoe lang zal Christine deze schaamteloze manipulatie kunnen volhouden?

Wie tijdens dit eerste uur een genuanceerde aanklacht tegen de geglobaliseerde wereld of een complexe inkijk in de menselijke psyche verwacht, komt bedrogen uit. Sommigen zullen dan ook stellen dat de dramatische verwikkelingen maar al te gemakkelijk in te dik aangezette plattitudes vervallen. Maar het is De Palma volledig om stilisme te doen. De intrige van Passion is een broeierig, over-the-top melodrama dat je zou kunnen vergelijken met Paul Verhoevens onderschatte Showgirls of misschien zelfs met het werk van Douglas Sirk (al is die laatste vergelijking sowieso wat kort door de bocht en zullen fans van Sirk het misschien niet graag horen). Als je de film op die manier bekijkt, valt ook het nogal matige acteerwerk beter te verteren. De Palma staat er voor bekend dat hij niet per sé geïnteresseerd is in naturalisme, noch in zijn filmstijl, noch in de acteerprestaties. Hij hecht eerder belang aan het expressieve: wanneer een castlid de juiste uitstraling heeft voor de welomlijnde fantasie die De Palma voor ogen heeft, is dat eigenlijk meer dan voldoende. Neem nu Noomi Rapace: duidelijk een eerder beperkte actrice, maar met haar aandoenlijke frou en grote bruine ogen past ze perfect in het plaatje als muizig type en weet ze vaak een treffende verschijning te zijn.

Wanneer de psychologische hutsepot die er borrelt tussen de twee rivaliserende dames zijn kookpunt bereikt, evolueert de film plots in een rasechte whodunnit van waanzinnige proporties. Hier trekt De Palma alle registers open en zorgt hij voor een hallucinante koortsdroom van een finale, zoals alleen de ongekroonde grootmeester dat kan. Zeker deze laatste scènes neigen sterk naar het ‘style over substance’, maar toch geloven we niet dat de prent enkel een stijloefening is zonder meer. Hoewel het inhoudelijke aspect (de logica van de plot, de geloofwaardigheid van de dialogen en karakterontwikkeling) redelijk verwaarloosbaar is in Passion, weet De Palma niettemin zijn eigen fascinaties op een heel persoonlijke manier in de film te verwerken. Ten eerste is het al uit de meerderheid van zijn films gebleken dat de man geobsedeerd is door ‘beelden’ en in Passion probeert hij op speelse manier wederom zoveel mogelijk verschillende visuele media in het geheel te betrekken: bewakingsbeelden, GSM-opnames en zelfs een reclamefilmpje uit ‘ass-cam’ perspectief komen zoal aan bod. Ten tweede speelt ook voyeurisme weer een grote rol. De Palma zorgt ervoor dat hij in zijn composities de personages vaak als toeschouwers voorstelt (dat wordt eigenlijk al duidelijk in de openingsscène), vergelijkbaar met hoe Hitchcock Jimmy Stewart in Rear Window in de toeschouwersrol plaatste en de relatie tussen kijker en beeld verkende.

En de film kent daarnaast wel meer verwijzingen naar Hitch – zo heeft één van de moorden aardig veel weg van de iconische scène uit Dial M for Murder. Vreemd genoeg lijkt De Palma echter vooral naar zichzelf te verwijzen. Sommige cinematische trucjes en vooral de shock effecten lijken haast kopieën van scènes uit onder andere Raising Cain, Carrie en Sisters. Je zou dan ook kunnen zeggen dat De Palma formulair is geworden, niet groeit als filmmaker en vastgeroest zit in oude stramienen. Sommigen gaan zelfs zover om de man een wandelend anachronisme te noemen, aangezien hij die typische 80’s esthetiek (of zeg gerust maar kitsch) bij momenten moeilijk los kan laten. De score van Pino Donaggio, bestaande uit melancholische saxofoondeuntjes in de liefdesscènes en hectisch Bernard Hermann-achtig strijkersgeweld in de moordscènes, is daar een goed voorbeeld van. Er zit dus misschien wel een kern van waarheid in die kritiek, maar langs de andere kant is het ook aangenaam om te zien hoe Palma soms een nieuwe draai weet te geven aan zijn vertrouwde stijlkenmerken: de beruchte spit screen techniek bijvoorbeeld is ook weer van de partij, maar wordt op een verfrissende en totaal andere manier gebruikt dan in De Palma’s eerdere werk. Hoewel De Palma geen stappen onderneemt om echt innovatief uit te hoek te komen of zichzelf heruit te vinden, slaagt hij er telkens weer in om met stilistisch meesterschap een op papier volstrekt ridicuul ogende thriller ongekend spannend en belachelijk indrukwekkend te maken. Dat alleen al is iets zéér bijzonders.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 2 =