Burns :: De korf

In De korf, het tweede deel van de trilogie die begon met X, volgen we nog steeds de merkwaardige lotgevallen van Doug, een potsierlijke kunststudent die door een gat in de muur (of in zijn hoofd?) in zijn eigen nevenwereld terecht komt. Wie het allesbehalve lineaire karakter van het eerste deel niet kon smaken, laat de nieuwste Burns best ook links liggen.

Charles Burns, de grootmeester die we allemaal kennen van Zwart gat, blijft zijn strips steeds complexer opbouwen. Vroege reeksen als El Borbah en Big baby bleven met hun filmische karakter ergens toch schatplichtig aan traditionele horrorverhaaltjes. De ingrediënten werden vaak herhaald: weirdos, Amerikaanse buitenwijken en een van de pot gerukt plot. Zwart gat was een gigantische stap voorwaarts met zijn eigengereid parallel universum. Met X en De korf daagt de auteur zijn lezers nog meer uit: losse fragmenten lijken in eerste instantie niet meteen enige samenhang te vertonen. Een enkele leesbeurt voldoet wellicht niet om het verhaal ten volle te laten doordringen, als dat al een einddoel hoeft te zijn.

In X kwamen we te weten dat Doug zijn vriendinnetje na een performance in een kraakpand inruilde voor de mysterieuze Sarah, wiens ex-vriendje niet bepaald verfijnd uit de hoek kon komen. Daarnaast verdween Doug in het begin en op het einde van de strip in een bevreemdende nevenwereld, een soort Alice in Weirdoland, bevolkt door een hoop misvormde schepsels. De korf gaat verder waar X eindigde: Dougs alter ego, Nitnit, heeft een baantje gekregen in de korf, een spiraalvormig, Babylonesk gebouw in die nevenwereld, waar vrouwen eieren uitbroeden.

Doorheen de reeks worden allerlei thema’s en referenties veelvuldig herhaald. Sommige trokken de aandacht al in het eerste deel; andere komen nu pas echt tot uiting. Een van de opvallendste motieven doorheen de twee albums is dat van de geboorte. Zowel seks als nieuw leven lopen als rode draden doorheen dit heerlijk wazige relaas. Van Sarah die denkt over tijd te zijn, tot een in bloedrood gedrenkte nachtmerrie waarin ze zichzelf aborteert. Verder duiken dierenfoetussen, een pseudo-Maestà en de verborgen foto van een vrouw — een minnares? — op. Mogen we het begin van X — waarin Nitnit, ontdaan van enige herinnering en balast, wakker wordt en door een gat in de muur kruipt — zien als een wedergeboorte? Het thema wordt in De korf alvast hernomen: Doug strooit de assen van zijn overleden vader vanop een brug in een rivier. Enkele bladzijden eerder — mogelijk later in de tijd, dat blijkt niet meteen — drijft hij zelf onder de brug door, als een jongvolwassen versie van de pasgeboren, aan de dood ontsnappende Mozes.

Vanaf de tweede helft van De korf wordt een andere verhaallijn aan de hand van een werk van Louise Bourgeois nadrukkelijk uitgediept: de zware tegenstellingen tussen Doug en zijn nieuwe liefje Sarah. Het kunstwerk in kwestie is Femme maison (1947), een tekening van een vrouw met een huis als torso. Doug neemt tal van foto’s waarop Sarah de afbeelding imiteert met een modelhuisje. Het tafereel is aandoenlijk. Doug ziet een (t)huis, een geborgen omgeving voor zijn misbegrepen zelf (“Kon je maar in mijn hoofd kijken”, zegt hij ergens in X). Voor Sarah verbeeldt het de opsluiting, het onttrokken zicht. Moeten we de reden van hun reeds aangekondigde maar nog niet verklaarde breuk daarin zoeken?

Dougs gebrek aan begrip en bij uitbreiding de mank lopende communicatie tussen de geliefden, weerspiegelt in zekere zin het hermetische, gefragmenteerde karakter van de strip zelf. Hetzelfde kan gezegd worden van Dougs eigen optredens waarin hij op Burroughs geïnspireerde cut-ups declameert, of van de vreemde taal die in de nevenwereld wordt gesproken (je kan ze zelf ontrafelen aan de hand van Johnny 23, een apart verhaal met Nitnit in de hoofdrol, uitgebracht bij het Franse Le Dernier Cri). Zelfs in het ontbreken van enkele delen uit een vervolgstrip die Nitnit opvist uit de bibliotheek van de korf (en waarin Dougs wedervaren hertaald wordt), laat Burns de eigen strip echoën. Zo ontstaat een naar zichzelf refererend stripalbum waarin ook de invloeden van de auteur meteen voor een extra laag zorgen. De verwijzingen naar Kuifje zijn legio: cameo’s voor covers, Dougs Kuifje-masker, de motieven op de eieren (naar analogie van de paddestoelen in De geheimzinnige ster), Nitnit (draait u dat maar eens om), Dougs zwarte kat als tegenhanger van Bobby, het woestijnstadje (duidelijk geïnspireerd op dat van De krab met de gulden scharen)… Ook Burns’ herkenbare, strakke lijnvoering in uitermate gebalanceerde composities herinnert door de inkleuring aan de klare lijn van de Belg. De verwijzingen krijgen echter pas gewicht in de nevenwereld waarin Nitnit verzeilt en Dougs realiteit alsmaar luider resoneert. Die is namelijk een scheefgetrokken versie van de stripwereld van Hergé. Alle min of meer menselijke personages lijken er plots op Kuifje: bolle eierkopjes met een kleine neus.

Mogelijk kunnen we het thema van de geboorte in het licht van dat meta-aspect zien als symbool voor creatie. Bij uitbreiding zouden we de strips als autobiografisch kunnen beschouwen. Per slot van rekening baseerde Burns het hoofdpersonage, dat temidden de ontluikende punkscene met zijn bandrecorder staat te experimenteren, op zichzelf.

In het derde en laatste deel (in het Engels aangekondigd als Sugar Skull) zien we de losse eindjes niet meteen verbonden worden. Deze strip haalt zijn betekenis uit het associatieve karakter van de verhaallijnen en de sfeer die uiterst stijlvol aan het blad is toevertrouwd. Met andere woorden: dit is een ragfijn, zorgvuldig uitgerold tapijt van verweven thematieken dat pas door herhaling — in de strip én door de leeservaring — openbloeit tot een indrukwekkend, introspectief epos.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × een =