J. Bernlef :: Voorgoed

Met Voorgoed maakte Bernlef ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag een nieuwe selectie uit zijn poëzie. De gedichten omspannen, vanaf zijn debuut in 1960 tot zijn laatste bundel in 2010, tegelijk vijftig jaar schrijverschap. Hoewel Bernlefs poëzie wel eens kritiek krijgt, is deze verzameling primair een getuigenis van de ijzersterke momenten.

Bernlef is vooral bekend omwille van zijn proza. Zijn bekendste roman is Hersenschimmen (1984), over de aftakeling door de ziekte van Alzheimer. Het boek werd verfilmd en door Guy Cassiers weergaloos op theater gebracht. In feite is de nu vijfenzeventigjarige Nederlander een heel productief schrijver, die zowat jaarlijks een meer dan licht verteerbaar boek uitbrengt. Dit jaar is dat de verhalenbundel Help me herinneren, waarin de ongrijpbaarheid van het verleden centraal staat. Naast het vertellen van verhalen werpt Bernlef zich ook op als vertaler, onder andere van de gedichten van de vorige Nobelprijswinnaar, de Zweed Tomas Tranströmer. Niet alleen in proza betoonde Bernlef zich een veelschrijver. Toen hij in 1994 de P.C. Hooft-prijs won, zei de jury over zijn poëzie dat ze “het hart is dat het bloed door zijn hele oeuvre doet stromen”. Reeds drie maal werden zijn gedichten verzameld en uit de meer dan twintig oorspronkelijke dichtbundels is er nu een nieuwe selectie: Voorgoed.

De beeldrijk-intimistische poëzie die we nu met Bernlef associëren, is pas ontstaan vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw. In de tien jaar daarvoor, waarin Bernlef ook meewerkte aan het tijdschrift Barbarber, vormt de werkelijkheid het uitgangspunt, maar steeds op een ongewone manier: de neo-dadaïstische observatiekunst. De quasi fotografische weergave van de realiteit zou uiteindelijk plaatsmaken voor meer suggestieve en reflecterende poëzie. Dit gaat samen met wijzigingen in de vorm: minder woorden, hechtere bundels, thematisch op de grens van wat zich in het bestaan laat capteren: de schemerzone. Zeker in de latere gedichten gaan het afwezig-stille en hermetische aan veld winnen. De toon is hierbij steevast nuchter; Bernlef schuwt het etaleren van grote gevoelens. De miniaturen kenmerken zich dan ook bijna niet door lyriek of verhevenheid, laat staan door ornamenten. Bernlefs taal is meer economisch dan zangerig. Hiermee is voor sommigen tegelijk een vorm van kritiek gegeven, in de zin van vluchtigheid en misschien van een minder directe ontroerende kracht.

In zijn mijmering over het vergankelijke of afwezige, de herinnering, perceptie nodigt Bernlef de lezer tegelijk uit om anders naar de wereld te kijken, als vreemd: een pleidooi voor verwondering. Vraag is of de elliptische en contemplatieve manier waarop hij dit, vooral in zijn latere poëzie, doet Bernlefs grote prozapubliek kan aanspreken. De poëziefanaat echter, komt met deze mooie jubileumeditie in elk geval meer dan aan zijn trekken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − 4 =