Johnny Dowd :: No Regrets

Weinigen hadden waarschijnlijk durven vermoeden dat die rare kwast Johnny Dowd, die debuteerde met Wrong Side Of Memphis toen hij de vijftig naderde, vijftien jaar later nog steeds zo eigenzinnig aan de weg zou timmeren. Dat het zo’n parcours opgeleverd zou hebben, daar had zelfs Dowd ongetwijfeld niet op gerekend. Op studioalbum #9 wordt het spel nog altijd volgens de regels van de vreemde vogel gespeeld.

Toch is het ook een beetje vreemd dat de liefde tussen Dowd en België wat bekoeld lijkt. De tijden dat we hem meerdere spetterende, halfbezopen shows zagen geven in de AB Club (én grandioos op z’n bek zagen gaan in de Botanique) lijken definitief voorbij. Dowd komt dezer dagen veel meer aan de bak in Nederland en als hij toch nog eens opduikt in deze contreien, dan gebeurt dat in kleinere clubs die buiten het door de mainstreamers gevolgde circuit liggen. Dowd is helaas gereduceerd tot een snoepje voor loyale fans of liefhebbers van excentrieke outsider Music. Jammer, want recente albums als Wake Up The Snakes (2010) en vooral A Drunkard’s Masterpiece (2008) konden makkelijk mee met z’n beste werk (voor ons nog altijd z’n tweede, Pictures From Life’s Other Side).

Leek hij op z’n vorige plaat eindelijk weer een stabiele band rond zich verzameld te hebben met toetsenist Michael Stark, drummer Matt Saccucimorano en de naar gitaar overgestapte drummer Willie B, dan is die laatste nu alweer op het drumstoeltje terechtgekomen. Alhoewel: omdat hij voor een groot deel van de opnames onbeschikbaar was, werd heil gezocht bij elektronica. Meer dan de voorgangers bulkt No Regrets dan ook van de synthetische klanken, plastieken beats en ritmes en een verouderde potten- en pannensound die het geheel een ambiance van kitscherig experiment geeft. Ideaal voor de soms wat vunzige, vaak hilarische en altijd memorabele verzen van Dowd, die deze dertien songs wijdt aan vijftien vrouwen waar hij in z’n leven van gehouden heeft.

Vast ontsproten aan een overactieve verbeelding (Dowd is immers al jarenlang getrouwd en bedrijfsleider), maar desalniettemin een rode draad die de artiest met ongedwongen verve tot een goed einde brengt. Opmerkelijk is daarbij vooral hoe compact alles gebleven is. Meanderden de vorige twee albums over de grens van een uur, dan blijft alles hier beperkt tot het hoogstnoodzakelijke en klokt de plaat af onder de veertig minuten. Door de toenemende nadruk op goedkope beats en het gulle gebruik van stemvervormingen lijkt het aanvankelijk alsof No Regrets een hoog gimmickgehalte heeft, maar dat zou als samenvatting de waarheid geweld aandoen. De plaat heeft z’n charme voor een groot stuk aan die invalshoek te danken, maar geen mens die kan ontkennen dat dit perfect past in de steeds excentriekere Dowdpuzzel.

Opener “Betty” bevat meteen zo’n typische stukje Dowdhumor: een beetje onnozel (hij belt een ex-liefje op om z’n verloren leren vestje te claimen), maar net zo goed een beetje ziek (wat wil je ook, dat stemgeluid en accent) en wat pervers (de dreiging als hij meegeeft dat hij haar weet wonen). Om de vrouwen ook een stem te geven, want zo leep is hij wel, schakelde Dowd bovendien een paar vrouwen uit zijn omgeving in: zo zijn er passages van Ithaca-artiesten als Mary B. Lorson (de aandachtige luisteraars herkennen haar misschien nog van Saint Low of, eerder nog, Madder Rose), Jennie Stearns en oude bekende/voormalige muze Kim Sherwood-Caso, al maakt zij pas haar opwachting aan het einde van de plaat. De vrouwen leveren commentaar als buitenstaanders, geven hun standpunt mee of gaan in op ? het dwarse verhaal van Dowd.

Intussen wordt er gerotzooid met fake ritmes en een soort elektrofunk die The Addams Family probeert te verenigen met Mike Hammer en Fisher Price (“Emily/Meryl”), vertelt Dowd z’n vunzige verzen tegen een achtergrond van fake-exotische gladstrijkerij (“Billie”) of gaat hij langs bij de kitscherige pop van de vroege 60’s (“Sherry”). Van de country noir en kromme blues waar hij zich oorspronkelijk van bediende, blijft intussen niet veel meer over. In plaats daarvan komt de nadruk op het kermisgevoel in lelijke portretten (“Rita”), grotesk vervormde vocalen (“Nancy”), verrassende vreemde invloeden (“Abigail”) en nu en dan geflirt met conventioneler terrein (“Candy”). De stuiterende beats, vette voodoogrijns en uitvergrote personages en verhalen benadrukken de uitzinnigheid van Dowds wereld. “You say I’m a rat… but you’re OK with that”, gaat het in “Sherry”. Dat vat het zootje mooi samen.

Oorspronkelijk wilde de man de plaat Regrets, I Have A Few noemen. Dat hij meegeeft eigenlijk helemaal geen spijt te hebben, nergens van, is dan weer typisch. Een instant classic is het niet geworden en een nieuw publiek zal hij er niet mee aanboren, maar dat er maar één Johnny Dowd is, is nu wel heel erg duidelijk geworden. Een onnozelaar om te koesteren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − zes =