Bruce Springsteen & The E Street Band :: 28 mei 2012, Pinkpop

Twee-en-een-half uur lang een overwinning van de passie op de pose. Twee-en-een-half uur lang een overwinning van de onsterfelijkheid, die geen pyrrhusoverwinning hoeft te zijn.

De E Street Band heeft op vier jaar tijd twee forse klappen geïncasseerd. In 2008 overleed Danny Federici. Vorige zomer luidden nog de doodsklokken boven de band bij het overlijden van Clarence Clemons, de steunpilaar in de sound van de groep zoals op die ene hoesfoto werd vastgelegd. Deze zomer worden die klokken geen seconde minder dan legendarisch weggehoond.
Deze band sterft wanneer haar publiek sterft. En de kleinkinderen aan wie dat publiek over concerten als dit zal vertellen.

Springsteen, bijna 63 ondertussen. In mensenjaren dan toch. Mensen als hij hebben een eigen tijdrekening. Crowdsurft (!), rent in het rond om tijdens “Waiting For A Sunny Day” plots vijf meter voor je in het publiek op te duiken. Predikt, verbijt, grijnst, dolt. Ontroert tot tranens toe met een versie van “The River” alsof hij het voor de eerste keer buiten de studiomuren brengt. Speelt gitaar met een smile van een 16-jarige wanneer de band jeugdvriend Garland Jeffreys begeleidt op “96 Tears” van ? And The Mysterians.

En dat geldt voor elk bandlid, dat de automatische piloot, contractueel verplicht ongetwijfeld, thuis heeft gelaten. “I’m On Fire”, prachtig tourprimeurtje, krijgt een grotere impact door de melancholische blik waarmee Nils Lofgren de weide in tuurt. Tijdens “Radio Nowhere” krijgt hij met een stomende solo een te zeldzaam moment de gloire. Little Steve is opvallend onopvallend deze tour, al gebeurt er telkens iets wanneer hij en Springsteen in dezelfde microfoon schreeuwen. Van Zandt jaagt bovendien banbliksems door een fel de micro in gespuugd “Born In The USA”. De onverstoorbare Max Weinberg roffelt het nummer halverwege aan flarden alsof het z’n eerste of laatste solo is.

En Clemons leeft verder in vijf blazers. “Do I have to say his name?” schreeuwde Springsteen al eens talloze keren op een concert wanneer hij de Big Man moest voorstellen. Nu doet hij hetzelfde, twee keer tijdens “My City Of Ruins”, alleen is het een “Are we missing anybody tonight?” en “I can hear him in your voices.” Gejuich zwelt telkens harder aan, als een gegrijnsd “fuck you” naar de dood, ware het niet zo extatisch positief. Schoonheid blijkt op zulke momenten sterker dan die dood: janken is het, wanneer Clarence’ neef Jake Clemons tijdens “Thunder Road” een kus naar boven werpt en vervolgens de splijtende saxsolo inzet. Kippenvel? Was het dat maar.

Een jongen op de drempel van de puberteit die luidkeels “Waiting On A Sunny Day” op de schouder van z’n vader aan het meebrullen was, mag het podium op. Krijgt de microfoon als door z’n eigen breed lachende opa toegestopt, en een ontwapenend “Come On E Street Band!” ingefluisterd door Springsteen. Nog even de schouders van The Boss op. Springsteen leeft door de kleinkinderen van dat gastje alleen al nog twee generaties verder.

Het zijn allemaal anekdotes in een hoogmis van passie en “soul” in alle betekenissen van het woord. Een bende zestigjarigen die muziek- en levenslessen geven aan ons, en aan alle bands die hierna nog eender welk podium bestijgen. Altijd oprecht, nooit pedant, altijd ontwapenend, nooit zelfverheerlijkend.
Zo nodigt Springsteen tijdens “Hungry Heart” Mumford And Sons uit, die de hele set in de coulissen hadden gevolgd — eerder op de avond was het nog omgekeerd. Aandoenlijk hoe ze zich als kinderen op een snoepkraam lijken te storten. Het maakt een opmerking over waardeverhoudingen al te goedkoop.

Zoals elk superlatief, dat deze (pn) de afgelopen zeven jaar voor dit goddeau heeft gebruikt. En dat zijn er veel. Steeds even oprecht als relatief. Steeds even passioneel als juist, al was het maar op dat moment. Dat is wat muziek moet doen, toch. Maar net daar doet Springsteen meer. Het gaat in zijn categorie niet om het moment zelf, het gaat om dat moment te overstijgen. Dat kan heus met het meest geavanceerde 360°-podium. Maar een concert van Springsteen daagt de vergankelijkheid uit met niks meer dan woorden en melodieën, in plaats van met het meest geavanceerde LED-scherm. Authenticiteit overleeft de dood. En misschien draait het daar om bij Springsteen en z’n band tijdens deze tournee: eeuwigheid hoeft geen illusie te zijn, al was het maar voor even.

Misschien daarom ook de laatste woorden aan Springsteen zelf laten. Hoe hij Clemons omschreef, geldt ook voor hemzelf en hun band: “Too fucking big to die.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + zeven =