Six Organs Of Admittance + James Blackshaw + Sir Richard Bishop :: 14 mei 2012, De Kreun

“I hope you like guitar music” laat James Blackshaw ergens in het midden van zijn set met een ironische grijns vallen terwijl hij een van zijn lange herstemsessies inzet, “you might be at the wrong concert if you don’t.” Met een triple bill die enkele van de interessantste sologitaristen van het moment belichtte, zat zijn opmerking er inderdaad niet ver naast.

Ben Chasny, beter bekend als Six Organs Of Admittance, mocht de spits afbijten en deed dat met een gemoedelijke setlist die aanvoelde alsof Chasny gewoon wat zat te jammen in zijn achtertuin. Hoewel zijn platen muzikaal nogal uiteen durven lopen, was dit concert vrij eenvormig opgebouwd uit composities met veel ruimte voor improvisatie, diep geworteld in de American Primitivism traditie, maar met genoeg eigenheid om niet als een John Fahey-kloon over te komen. Echt indruk maken deed Chasny niet, dat doet hij meer wanneer hij zijn klanktextuur verbreed met andere geluiden dan zijn akoestische gitaar, maar de toon was wel meteen gezet voor de rest van de avond.

Hoewel James Blackshaw ook erg beïnvloed is door Fahey, Kottke en consorten, heeft hij, door die traditie te gaan vermengen met de repetitieve patronen van het minimalisme, zich een stijl eigen gemaakt die uit de duizend te herkennen is. Daarenboven legde hij zich tot voor kort quasi volledig toe op de twaalfsnarige gitaar waaruit hij geluidszeeën vol overtonen en galm toverde, die in de juiste setting (als u geen kerk binnen bereik hebt, werkt een koptelefoon ook goed) haast transcendentale effecten kan teweeg brengen.

Maar Blackshaw is geen artiest die stil blijft zitten: hij liet de twaalfsnarige gitaar op zijn meest recente plaat Love Is The Plan, The Plan Is Death in de kast en verving hem door een klassieke. Dat is een hele klankverschuiving, die hij echter live niet maakte. Het is dus weer even aanpassen om de nummers, opgenomen op klassieke gitaar, live plots op 12 string te horen. Anderzijds werd op die manier wel duidelijk dat een verschuiving die erg groot kan lijken dat niet noodzakelijk is, want de nieuwe nummers vielen nauwelijks op en pasten perfect binnen Blackshaws algemene klankvorming.

Van de nieuwe plaat passeerden zowat alle nummers de revue (enkel de twee met piano werden achterwege gelaten), aangevuld met één oudje als afsluiter: “Cross”. Als enige nummer dat ook daadwerkelijk voor twaalfsnarige gitaar gecomponeerd werd, wist het ook het meeste indruk te maken. Niet dat de andere nummers niet de moeite waren, maar doordat hij voor elke song een volledig andere tuning gebruikte, werd de vaart wel steeds minutenlang uit het concert gehaald en moest hij de sfeer opnieuw nummer per nummer opbouwen, daarbij dan nog eens gehinderd door de gitaar die geregeld lichtjes ontstemde.

Toch blijft duidelijk dat Blackshaw een meester is op zijn instrument (al zou hij er misschien niet slecht aan doen om met meer dan één gitaar te touren) en dat hij bovendien een indrukwekkend gevoel voor melodie heeft waardoor hij ook live de aandacht gemakkelijk kan vasthouden van wie de moeite wil doen om zich onder te dompelen in ’s mans repetitieve notenwatervallen. Toegegeven, op plaat wil dat al wat beter lukken, maar al bij al weet Blackshaw ook live zeker indruk te maken.

Sir Richard Bishop, ooit nog een helft van het legendarische Sun City Girls maar nu al enkele jaren solo, bewandelde in zijn afsluitende set heel andere paden dan zijn voorgangers door met subtiele effecten te werken en vooral door een bijzonder eclectische set te spelen. Openen deed hij nog met een lange improvisatie ergens tussen flamenco, psychedelische rock en Arabische luitmuziek in, sterk geïnspireerd op lichtend voorbeeld Omar Khorshid, een Egyptische muziekster die in de jaren zeventig enkele opmerkelijke , virtuoze platen opnam waarin hij de muziek van zijn vaderland met die van de Westerse sixties vermengde. Ook het korte “Abydos” uit Fingering The Devil, ondertussen als het ware een Bishoptraditional, ligt in die traditie van oriëntalistisch getokkel en vormde een hoogtepunt van jewelste in de set.

Tegen alle verwachtingen in legde Bishop in de andere nummers echter heel andere nadrukken en toonde hij ook van andere markten thuis te zijn, met vloeiende improvisaties en variaties in een stijl die veel dichter bij Django Reinhardt en andere epigonen van de jazzgitaar ligt dan bij Khorshid of Fahey. Daarbij bewees Bishop vooral zijn instrument op indrukwekkende wijze te beheersen (de man liet werkelijk geen enkele steek vallen) en wist hij zich zelfs het zeemzoeterige “Somewhere Over The Rainbow” helemaal eigen te maken.

Hoewel de nadruk deze avond dus voluit op de gitaar lag, legden de drie artiesten toch heel andere nadrukken die het tot een goed gevarieerde en soms hoge toppen scherende concertavond maakten. Had De Kreun de setting echter verplaatst naar een van de kleinere kerken in Kortrijk waarin dergelijke muziek een veel dankbaardere akoestiek vindt, dan was het wellicht een topavond geworden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + 15 =