The Samuel Jackson Five :: 11 april 2012, Cactus Club

Voor sommige bands wil het maar niet lukken om een beetje door te breken. Het Noorse The Samuel Jackson Five timmert ondertussen al bijna tien jaar en vier platen lang aan de weg, wordt door velen erkend als een van de meest creatieve en melodieuze bands in het bredere postrockgenre,maar grote(re) zalen vullen, wil maar niet lukken.

{image}

Afgelopen jaar zagen we de band bijvoorbeeld nog voor een luttele twintig man spelen in jeugdcentrum Den Eglantier in Antwerpen, en ook nu was de Cactus Club (Magdalenazaal) niet met veel meer dan een vijftigtal toeschouwers gevuld (toegegeven, erg veel meer kan dat zaaltje nu ook weer niet aan). Op Dunk! Festival speelden ze weliswaar wel voor een groot publiek, maar dat was eigenlijk niet echt voor hen gekomen. Het siert The Samuel Jackson Five dan ook dat ze dat niet aan hun hart laten komen en steeds spelen met een energie en goesting die weinig andere bands (zeker in het genre) opbrengen. Zelden zagen we een muzikant zo bezweet het podium verlaten als gitarist Thomas Kaldhol, wiens hemd volledig van het zweet droop na een dik uurtje muzikaal plezier. Die brok adrenaline en catchiness zou in de ideale omstandigheden een feestje moeten kunnen opstarten, al is dat een beetje buiten het eerder tamme Belgische (Vlaamse?) publiek gerekend.

Nochtans was het meteen vanaf opener “Face The Fax”, openingstrack van hun uitblinker Goodbye Melody Mountain uit 2008, een gevlam en gescheur dat het vijftal (mooi ook dat ze deze keer hun naam waar maakten en er als kwintet stonden, in Antwerpen was dat nog met z’n vieren) aan de dag legde. De zwierige vioolpartijen uit het origineel werden dan wel weggelaten en gespeeld door een gitaar, maar dat compenseerde de band dan ruimschoots door het te spelen met een drive die het origineel ver achter zich liet. Ondanks die rauwe kracht lette de band er toch ook goed op om hun kenmerkende melodielijnen (doorgaans folky en bijzonder catchy riedeltjes gespeeld met een soort ironische kwinkslag) niet onderbelicht te laten.

Die evenwichtsoefening tussen viscerale energie en het subtiele melodieuze zou dan ook een constante worden in het concert. Op plaat grossiert de band er in om hun nummers rijkelijk te beladen met ettelijke bijkomende partijen, vaak ingespeeld door muzikanten die helemaal niet tot de band behoren. Saxofoon, viool, cello en klarinet zijn zo bijvoorbeeld instrumenten die steeds terugkeren op plaat, maar die de live-optredens moeten ontberen. Geen probleem, zo stelt bandleader-of-sorts Thomas Meidell (hij speelt het merendeel van de instrumenten in op plaat en is ook steevast opnametechnicus en producer), dan spelen we die melodieën gewoon op gitaar of synths en compenseren we het gemis door steeds te spelen alsof ons leven ervan afhangt en alsof die luttele tientallen toeschouwers die naar ons komen kijken het verdorie geweten zullen hebben dat we gepasseerd zijn. Neem nu het korte “Race To The Self-Destruct Button”, nochtans geen hoogvlieger uit hun catalogus wegens lichtjes doordeweekse math rock, maar hier wel een splinterbom van formaat die ons bijna deed duizelen.

Een andere optie is dan om alles wat niet live gespeeld kan worden te laten afspelen door samples (zie bijvoorbeeld 65daysofstatic die daarin nogal uitgebreid grossieren), een keuze die SJ5 echter maar één keer maakte, namelijk in het begin van “Never-Ending Now” waarin een elektronische gamelan de toon aangeeft voor de rest van het nummer. Al snel werd het nummer echter alweer volledig gedomineerd door het semigepolijste gitaargeweld dat ook elders de plak zwaait. Want in essentie is SJ5 gewoon dat, een gitaarband die vooral luid wil rocken, grooven, scheuren en vooral, plezier maken. Dat ze die urgentie en dat plezier dan kunnen koppelen aan intelligente composities vol haperende ritmes in bizarre maatsoorten, waarbij de drummer er zelfs z’n hand niet voor omdraait om wat zwierige stick tricks uit z’n mouw te schudden tussendoor, draagt alleen maar bij aan de sfeer van gelatenheid die de band rond zich opbouwt (zie bijvoorbeeld ook de bandnaam en songtitels). Neen, wij kennen maar weinig andere postrockbands (misschien Vessels uitgezonderd) die met een dergelijke attitude en zelfrelativering hun composities live speelt.

Aangezien de band juist een nieuwe zelfgetitelde plaat uitheeft, hoeft het niet te verbazen dat het merendeel van de setlist uit die plaat geplukt werd. Zelfs twee van de drie nummers met vocals, “Ten Crept In” en “Tremulous Silence” werden uit de doos gehaald, en feitelijk op een aangenamere manier gezongen dan op plaat (de vocalisten die de band inhuurde in de studio blinken allemaal vooral uit in een uitgesproken stemgeluid). Hoogtepunten van het concert kwamen echter vooral uit de twee voorgaande platen (uit de iets minder sterke debuutplaat Same Same, But Different werd niets gespeeld), met een bijzonder vurig “If You Show Off The Milk, Who’s Gonna Buy The Cow?” en een episch “How To Evade Your Obsessive Shadow”, dat mogelijk gezegend is met de meest geschifte melodie die de band totnogtoe schreef.

Niet dat de set zonder fouten was, hier en daar werd het wat rommelig en valse nootjes kwamen ook geregeld om de hoek gluren, vooral in de vocals, maar al bij al leverde SJ5 hier een sterk concert af dat nog maar eens aantoonde dat deze band veel meer erkenning verdient dan ze nu krijgt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

6 + 18 =