Portico Quartet :: Portico Quartet

Real World Records, 2012

Het durft soms wel eens aan originele ideeën ontbreken. Je wilt
een album maken dat de jazzwereld op zijn kop zet, tot je beseft
dat het bijzonder moeilijk is om nog iets aan het bestaande
repertoire toe te voegen. Alles lijkt wel al eens gedaan.
Oplossing? Je zoekt gewoon de sleutel tot vernieuwing in een
volstrekt andere richting. Door een atypisch en vreemd klinkend
instrument in een beproefd recept te verwerken bijvoorbeeld.

De hang, een percussie-instrument dat uit twee stalen
schalen bestaat, is een uitvinding – niet ouder dan het jaar 2000 –
maar maakt al enige jaren deel uit van het karakteristieke geluid
van het Britse Portico Quartet. De groep heeft als basis het
klassieke jazzkwartet genomen, maar uit hun keuze van instrumenten
(naast de hang tevens een drumcomputer en een sampler)
valt snel af te leiden dat ze niet bij de klassiekers in het genre
zijn blijven steken. Van gebrek aan originele ideeën durven we hen
voorlopig niet echt betichten, maar de groep onderscheidt zich van
de rest veelal door de instrumentale en atmosferische inkadering
van de composities.

De vier muzikanten hebben bij de ontstaan van vorige hun albums
telkens lang nagedacht hoe ze de muziek aan het publiek zouden
presenteren. Als je ‘Isla‘ beluistert, de
voorganger uit 2009, dan is geen geheim dat Portico Quartet liever
een afgelijnde compositie maakt dan gewoon bruut en ongebreideld
improviseert. Hier en daar zelfs een vleugje esthetiek, omwille van
de esthetiek. Geen traditionele jazz maar dat is allesbehalve een
hinderpaal. Bovendien is het zelfs lovenswaardig dat ze de term
(jazz) quartet een eigen invulling durven geven.
Alleen is de hamvraag hoe ver ze die ontwikkeling voeren en hoe dat
als eindresultaat uitpakt. Het derde en laatste album ‘Portico
Quartet’ geeft daar een ietwat ambigue antwoord op.

Uitgangsbord en single van het album is ‘Ruins’, dat de
karakteristieken van het album goed in één nummer weet samen te
vatten. Het feit dat we over een single spreken, heeft enigszins te
maken met het resultaat: bij ‘Ruins’ is niets aan het toeval
overgelaten en het geheel is productiegewijs tot in de puntjes
uitgewerkt. Van de eigenzinnige intro, met een strak klinkende
double bass en drumcomputer, tot het
saxofoongeluid dat zowel spaarzaam als doortastend klinkt. De
contrastovergangen zijn vederlicht, alsof ze bedoeld zijn om
gestroomlijnd in elkaar over te gaan. Zelfs het pittige slotstuk
lijkt volledig in die aerodynamische vorm te zijn verwerkt.

Die gestileerde aanpak zien we meermaals in de andere
composities terugkeren. In ‘Spinner’ gebeurt dat met een zoet
klinkende double bass en ijle klanken op de saxofoon in combinatie
met veel bibs and bleeps op de
drumcomputer. Als je het zo beschrijft, klinkt het als kitsch, maar
op het album voelt het aan als een perfecte combinatie. Het acht
minuten durend ‘Rubidium’ doet daar nog een schepje bovenop, door
de traag voortkabbelende onderstroom in de muziek. Toegegeven, de
muziek van Portico Quartet heeft een hoog tao-gehalte.

Een joker waar de groep vaak mee uitpakt, is de flinterdunne
samenhang tussen elektronische geluiden en organische klanken. Dat
weerspiegelt zich ook perfect in de samenstelling van Portico
Quartet: klassieke instrumenten gaan samen met een resem aan
tools uit een digitaal tijdperk. ‘Rubidium’ toont dat
perfect tussen de derde en vierde minuut waar het gestileerde
gestrijk overgaat in een digitalisering van alle muziekgeluiden.
Portico Quartet plaatst alles voortdurend in een juxtapositie, om
dat instrumentale contrast in de verf te zetten. Alhoewel we soms
het gevoel hebben dat zo’n dingen veel te nadrukkelijk gebeuren
(niet zozeer omwille van de muziek), wordt het toch heel fijnzinnig
uitgevoerd.

Het gestileerde verhaal en de aanpak zijn aanvankelijk de
sterktes van ‘Portico Quartet’ maar blijken een aantal nummers
verder ook de achilleshiel te zijn. Want hoewel we van het geluid
houden dat de groep produceert, groeit daarmee ook het besef dat
het weinig doortastend of diepgravend is. Het vluchtige pianostuk
‘Export for Hot Climates’ had bijvoorbeeld op een album van
Nils Frahm
thuisgehoord maar voegt weinig toe aan het album. ‘Lacker Boo’
werkt iets te vaak met hetzelfde contrast dat al een aantal keer
als blauwdruk is gebruikt, waardoor Portico Quartet in herhaling
durft te vallen. Daarnaast helt het nummer ook iets te veel over
naar beats en te weinig naar music, wat enigszins
het tegendeel is van wat de groep wil bereiken.

De groep doet ook weinig moeite om zijn invloeden te verbergen
en grijpt er in het tweede deel van het album iets te vaak naar
terug. ‘Lacker Boo’ neigt iets te hard naar de techno van Justus
Köhnke en consorten, terwijl ‘4096 Colours’ eerder past in de
discografie van Autechre. Al bij al
iets te fragmentarisch en onsamenhangend voor een groep als Portico
Quartet. Slechts één enkele keer werkt dat leentjebuur spelen
wonderwel: ‘Steepless’ had zo op ‘Heligoland‘ van
Massive Attack of ‘King of Limbs‘ van
Radiohead kunnen staan. Het is hermetische maar knisperende triphop
van de bovenste plank, ook dankzij de guest
vocals van Kornelia. Alleen hoort het niet echt thuis op
een album van Portico Quartet.

Voorts zijn we van mening dat er iets te veel vulsel op ‘Portico
Quartet’ staat. ‘City of Glass’ en ‘Trace’ zijn fijne stukjes maar
laten slechts een flinterdunne impact na. Na tien nummers hebben we
geen flauw benul welke richting de groep nu precies wilt uitgaan.
Het verdict is dan ook duidelijk: een paar nummers hors
catégorie maar als geheel wel onder de verwachtingen.
Portico Quartet zijn nog steeds de cool kids met
een bewonderenswaardige voorliefde voor jazz en elektronica, alleen
zien we hen nog niet direct de competitie aangaan met the
big league.

http://www.porticoquartet.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 1 =