Tot Altijd

Het was een mooie avond, die achttiende januari.
Voor de première van Nic Balthazars nieuwe film, ‘Tot Altijd’, werd
de verzamelde cast en crew opgetrommeld voor een obligate acte de
présence, gevolgd door één of twee vraagjes van een interviewer die
daar ook alleen maar stond omdat hij er voor betaald werd. De één
had er al meer zin in dan de andere – Ann Miller had écht liever
ergens anders gezeten – maar dat kan ook veel te maken hebben gehad
met het niveau van de vragen die ze voorgeschoteld kregen. Het leek
wel een mantra van de interviewer: “Het verhaal is op zich nogal
zware kost. Hoe hebben jullie geprobeerd om de film toch een beetje
luchtig te houden?” Een vraag die meer onthult dan eender welk
antwoord ooit zou kunnen. Je mag namelijk gerust een prent maken
over mucoviscidose (‘Adem’), verlamming (‘Hasta la Vista’) of MS
(zoals hier), maar zoek alsjeblieft wel manieren om het luchtig te
houden. ‘t Is niet omdat er mensen dood gaan, dat we eens niet
kunnen lachen, hè. Dat is een tendens die steeds nadrukkelijker
aanwezig is in de recente Vlaamse output: we boren ernstige thema’s
aan, en dan gaan we er alles aan doen om de kijker toch maar in
zijn comfort zone te houden. Niet te zwaar, met genoeg
grappen er tussen en dan mogen ze aan het einde even janken. Maar
niet te lang. Voorzichtig, voorzichtig.

‘Tot Altijd’ vertelt het ware verhaal van Mario
Verstraete (Koen De Graeve), een lid van het kabinet van de
burgemeester van Gent, die midden jaren negentig te horen krijgt
dat hij lijdt aan MS, een ongeneeslijke ziekte van het centraal
zenuwstelsel. Langzaam maar zeker takelt hij fysiek en mentaal af,
en al snel maakt hij de beslissing dat hij niet wil verder leven
als een plant. Zoals hij het zegt tegen zijn beste vriend en arts
Thomas (Geert Van Rampelberg): “Ik wil weten dat als het kot ooit
écht in de fik staat, iemand mij naar de uitgang helpt.” Hij wordt
een voorvechter voor de euthanasiewetgeving, en eens die er door
komt, is hij de eerste om er gebruik van te maken. Op 30 september
2002 sterft hij, net geen veertig jaar oud.

Zoals de beste interviewer ter wereld al schrander
opmerkte: dat is zware kost. En ik zal dan wel een verzuurde
spelbederver zijn, maar stilletjes zit ik toch te hopen dat er
binnenkort eens een filmmaker opstaat met de ballen om een
dergelijk verhaal gewoon zwaar te laten zijn. Iemand die misschien
eens kiest voor soberheid in plaats van het compulsieve opleuken.
Het probleem is niet dat Nic Balthazar zijn film slecht gemaakt
heeft; in tegendeel, de humor die dominant is in het eerste
anderhalf uur is oprecht grappig en de acteurs voelen zich
duidelijk op hun gemak bij elkaar. Ze hebben een
bewonderenswaardige naturel, de dialogen klinken
overtuigend en zelfs kindacteur Felix Maesschalk (als het zoontje
van Verstraete) is perfect geloofwaardig. De regisseur heeft
duidelijk de film gemaakt die hij wilde maken, en hij heeft dat
professioneel gedaan. Het probleem is eerder dat er in ‘Tot Altijd’
een andere film verscholen zit, die ik liever had gezien. Eentje
die meer ingetogen is, en minder manipulatief.

Want jongens toch, wat zit Balthazar twee uur lang
op onze emotionele knopjes te drukken, dat heeft geen naam. Tijdens
de eerste 90 minuten gebruikt hij humor waar hij maar kan om de
broodnodige publieksvriendelijkheid veilig te stellen; een
kinesitherapeut die Verstraetes opstandige spieren onder controle
moet houden, blijkt een clichénicht te zijn die ooit werd buiten
gesmeten uit een SM-club omdat hij de mensen te veel pijn deed. En
wanneer Mario en Thomas ruzie maken over de keuze tussen euthanasie
of verder leven, wordt die dramatische situatie ogenblikkelijk
ontmijnd: de twee gaan naar een Chinees restaurant waar ze de ober
koeioneren door een “nummel dlieëndeltig en een glas watel” te
bestellen. (Nee, serieus, zo’n Suske en Wiske-Chinees zit er écht
in!) In zekere zin spreekt ‘Tot Altijd’ met dat soort “laten we
maar snel moppen tappen”-mentaliteit zijn eigen thema tegen. In dat
zelfde restaurant zegt Verstraete immers: “Mensen hebben te veel
schrik om over de dood te praten. Mensen van in de tachtig hebben
het over het weer of hun eten, maar over de dood wordt gezwegen.”
Maar ondertussen vlucht de film zelf weg van dat thema, in een
soort van lachdwang.

Tot aan de laatste twintig minuten, natuurlijk,
want dan trekt Balthazar alle registers open om je toch maar aan
het huilen te krijgen: dramatische flarden opera op de soundtrack,
lange scènes waarin de personages afscheid nemen van elkaar en
zelfs een huilerige monoloog van een vriend van Mario, niets blijft
ons bespaard. Werkt die sentimentaliteit? Ja hoor, absoluut. Er
zaten heel wat mensen te snotteren. Maar is het niet een beetje…
tja, een beetje makkelijk scoren? Onwillekeurig moest ik
terugdenken aan films als ‘Le Temps Qui Reste’ van François Ozon en
zelfs Clint Eastwoods ‘Million Dollar Baby’, die elk op hun eigen
manier een blik op een nakende dood wierpen, en dat allebei op een
ingetogen, stilletjes hartverscheurende manier deden. Die films
hadden een sereniteit, een ingetogenheid, die scherp in contrast
staat met de ostentatieve manier waarop Balthazar met zijn volle
gewicht aan je emoties sleurt.

Maar goed, eerlijk is eerlijk: ‘Tot Altijd’ is een
goed gemaakte film. De beeldvoering, onder leiding van director
of photography
Danny Elsen, is meer dan degelijk, met een
kleurenschema dat steeds killer en duisterder wordt naarmate de
film vordert (een shot van Verstraete die wakker wordt op de
ochtend van zijn euthanasie had net zo goed in zwart wit kunnen
zijn, zoals zijn gezicht opduikt uit het donker). En dan zijn er
ook nog de acteurs: Koen De Graeve speelde een slordige twintig
kilo kwijt voor zijn hoofdrol, maar wat belangrijker is, hij weet
ook de angst, frustraties en occasionele arrogantie van Mario
Verstraete perfect geloofwaardig te maken. Zijn rapport
met Geert Van Rampelberg komt enorm sympathiek over, en ook
stand up comedian Iwein Segers levert een knap
acteerdebuut af. Lotte Pinoy heeft de belangrijkste vrouwelijke
rol, en speelt die met warmte en oprechtheid.

Dus ja: wat ‘Tot Altijd’ doet, doet hij goed. Maar
de film blijft comfort food. Niet te zwaar, niet te lang
wenen, dikwijls genoeg lachen. Voorzichtig, voorzichtig. Misschien
moet een prent over dit thema gewoon eens écht kwaad of triestig
durven zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − 6 =