Jason Ajemian + The HighLife :: Riding The Light Into The Birds Eye

Je hebt platen waarvan je gewoonweg niet weet wat je ermee moet aanvangen. Ze hebben karakteristieken waardoor je je haast verplicht voelt om het zootje slecht te vinden maar dan denk je ineens een glimp te kunnen opvangen van waar de artiest naartoe wilde en te begrijpen waarom het niet klinkt zoals het zou moeten klinken. Die afwijking is vaak net wat het verschil maakt en ervoor zorgt dat zogenaamde mislukkingen pas veel later eerherstel krijgen. Niet om te zeggen dat dit album een gigantische flater is, maar het is er eentje waarvoor heel wat regels niet lijken te gelden.

Nochtans is bassist Jason Ajemian niet zomaar een einzelgänger die naarstig werkt aan een hoogstpersoonlijke, wereldvreemde klankentuin. Hij werkte al aan de zijde van kleppers als Rob Mazurek, Ken Vandermark en Matana Roberts, en pakt in 2010 ook zelf uit met een ijzersterke plaat (Protest Heaven) van z’n project Daydream Full Lifestyles (met o.m. Tony Malaby en Tortoise-gitarist Jeff Parker in de gelederen). HighLife is een van zijn andere projecten, een gezelschap dat al een paar bezettingswisselingen onderging maar intussen garant bleef staan voor een eigenzinnige invulling van het begrip freejazz en regelmatig de brug legde naar de wereld van de popmuziek.

Het meest opmerkelijke is dat Ajemian zich hier laat leiden door een wel heel erg bijzondere manier van componeren. Hij is zeker niet de eerste om te werken met een grafisch notatiesysteem (bij Matana Roberts werd het ook al gedaan om het verloop van een compositie of performance te bepalen) maar Ajemian baseert het bovendien op het AutoCAD-programma, waardoor er een link wordt gelegd tussen muzikale compositie en architectuur, en een geheel als Riding The Light Into The Birds Eye vergelijken wordt met een wandeling door een huis waarvan de verschillende kamers geen vaste identiteit hebben en zich soms anders tot elkaar gaan verhouden.

Dat ruikt verdacht naar onzin, maar dat het op de een of andere manier werkt, wordt bewezen door het feit dat dit kwintet — naast Ajemian ook saxofonist Peter Hanson, trompettist Jacob Wick, gitarist Owen-Stewart Robertson, en drummer Marc Riordan (o.m. bekend van bij Josh Berman) — dit album in zijn geheel opnam, in één take en zonder overdubs. Enkel voor de korte, vocale introductie “My Name On records” werden verschillende sporen over elkaar gelegd om voor een desoriënterende start te zorgen. Daarna gaan freejazz, funk, rock en soul een huwelijk aan dat op papier erg artificieel lijkt, maar bovenal een organische flow lijkt te volgen en bijna veertig minuten vooral erg levendig is.

Tweede opvallende element is Ajemians zang. Ten eerste omdat hij al een erg vrouwelijk stemgeluid heeft en ten tweede omdat hij eigenlijk niet kan zingen. Hij zit er de helft van de tijd naast, terwijl z’n teksten soms lijken op de dagboeknotities van een voor zich uit murmelende zot die net iets te veel tv gekeken heeft. Samen met de vloeiende, over, onder en door elkaar gevlochten lijnen van sax, trompet en gitaar (“Bliss Is This” lijkt aanvankelijk op een ontspoorde repetitie) zorgt het voor een excentrieke melange die de freejazz-via-volksmuziek van Ayler lijkt te koppelen aan de gekte van Parliament/Funkadelic en een theatrale schwung die uniek is.

De muziek zit het ene moment vol koppig stompende marsritmes, maar durft spontaan omslaan naar ingetogen passages waarbij het ritmische element volledig buitenspel gezet wordt, om even later toch weer te transformeren in verdomd aanstekelijke funk. Zo mag Robertson een mooi stukje funkgitaar uit de vingers persen en blijven de roffels van Riordan het nummer bepalen. “His Name On Records” zorgt na en pruttelstart dan weer voor een gospelachtige wisselwerking waarbij de zangpartijen rechtstreeks uit de katoenplantage lijken te komen. Het is rauw en klinkt bij momenten erg rommelig, maar van afstandelijk intellectualisme is geen sprake: dit is muziek die vanuit buik en heupen komt.

De overgangen tussen de songs lijken vaak erg willekeurig gekozen, want de finale waarmee het vurige “Feels A Ton” afsluit, is meteen ook de aanzet van het erop volgende “Decked With Diamonds”, dat een omslag kent naar een ska-achtige beat en eigenaardig dansbare ritmes. Idem voor “Precious” dat haast stompzinnig de grens met de chaos blijft bewandelen en ineens omslaat in amper hoorbaar gefriemel. “Slide Life”, tenslotte, pikt de uitgesponnen draad weer op en sluit het boeltje af met een gitzwarte brok soulfunk. Riding The Light Into The Birds Eye is geen spek voor de bek van de liefhebbers van klassieke free jazz en kan door de merkwaardige zang en de schijnbare rommeligheid soms wat lijken op een idee waar misschien wat beter over nagedacht was, maar anderzijds heeft het ook een onverstoorbare soul die het genre nog al te vaak ontbeert.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + twaalf =