McCoy Tyner, Chris Potter & José James

AB, Brussel, 31 oktober 2011

Gedurende
een periode van zes jaar maakte McCoy Tyner deel uit van het
befaamde John Coltrane kwartet. De pianist was naast Jimmy Garrison
en Elvin Jones een van de vaste getrouwen van de saxofonist. De
jarenlange samenwerking bracht niet enkel een intense persoonlijke
band tot stand, maar betekende ook dat McCoy Tyner een zekere
impact op het werk van Coltrane uit die periode had. De
verbondenheid tussen de twee muzikanten voelt na al die jaren nog
steeds diepgeworteld aan en het hoeft dus ook niet te verwonderen
dat het concert van McCoy Tyner voor een groot deel is opgedragen
aan Coltrane. De pianist bracht een hommage aan zijn oude
bandleider, door fragmenten uit het album ‘John Coltrane en Johnny
Hartmann’ voor het Brusselse publiek te brengen. Chris Potter kreeg
de eer om de grootmeester opnieuw tot leven te weken, terwijl José
James zich kon uitleven in de rol van zanger Johnny Hartman. Op
papier een concert met grote ambities, dat uiteindelijk niet
volledig de verwachtingen kon inlossen.

Onder het goedkeurend oog van menig jazzliefhebber, betraden Chris
Potter (sax), Fransisco Mela (drums) en Gerald Cannon (bas) het
podium. Oudgediende McCoy Tyner kreeg een aparte entree, terwijl
van José James op dat moment nog even geen spoor was. Het eerste
deel van het concert was volledig instrumentaal en werd aangevat
met een indrukwekkende live-opvoering van ‘Fly With the Wind’. Een
uitgeklede versie, zonder cello of violen, die het kwartet echter
vanaf de eerste seconde op de kaart zette. Tyner gaf aanvankelijk
nogal een trage en manke indruk, maar werd op slag vijftig jaar
jonger toen hij een eerste maal de pianotoetsen beroerde. De man
bleek niets aan frisheid ingeboet te hebben. Ook Chris Potter liet
onmiddellijk een postieve indruk na, met een diepe warme ondertoon
in zijn aantrekkelijk saxofoonspel. De groep startte met een
lijvige compositie die zonder al te veel franjes en met veel klasse
werd afgerond.

‘Ballad for Ashia’ ging op eenzelfde teneur verder. McCoy Tyner
liet zich opmerken door bijzonder vlotte melodieuze overgangen, die
het geheel bijna als kinderspel deed uitschijnen. Zelfs het geluid
voelde bijzonder eigentijds aan, al was dat gedeeltelijk ook te
danken aan het luisterrijke klankspel van Potter. ‘s Mans
speelpatronen waren bijzonder afwisselend en zijn snelheid van
uitvoering was om duimen en vingers van af te likken. Toch bleek
het kwartet ook nog vrij klassiek van opzet: het rijtje werd netjes
afgelopen en iedere muzikant mocht naar hartelust even een
solofragment vertolken. Cannon liet zijn vingers over de contrabas
glijden, terwijl Mela over de volledige lijn een hoopgevende
impressie naliet. De groep gewaagde zich ook nog aan een compositie
van Coltrane, wat uiteindelijk een kolfje naar de hand van Potter
was. Zijn grote technische vaardigheid kwam uitstekend van pas in
het avontuurlijke meloritmische web van de meester. McCoy legde
stevig zijn accenten en toonde dat hij nog steeds een grootmeester
van het klavier is.

Alles leek dus vrij indrukwekkend te passeren, maar in het midden
van het concert tekende zich een opvallende knik af. Niet geheel
toevallig viel dat samen met het deel waar José James mocht
opdraven om zich te meten met Hartmann. ‘Autumn Serenade’ (het
slotnummer op het album) mocht de spits afbijten en als snel bleek
dat James iets doffer dan gewoonlijk klonk. Misschien was het de
geluidsinstallatie, of het feit dat het geluid niet helemaal
doordrong, maar het geheel voelde als snel nogal routineus aan. De
groep leek even het evenwicht verloren te hebben en speelde een
nogal makke versie van het nummer. Enkel Potter kon nog wat vuur
brengen. Ook ‘Dedicated to You’ was van hetzelfde laken een pak:
opnieuw voelde alles wat fletser dan gewoonlijk aan, en James’ stem
straalde weinig warmte uit. McCoy Tyner beperkte zich – net zoals
op het album – tot een rol op de achtergrond, terwijl Potter nog
enigszins het evenwicht poogde te herstellen.

James mocht nog een aantal nummers brengen, maar leek toch voor een
stuk wat licht uit te vallen in vergelijking met de andere
muzikanten. Het leek alsof de overige muzikanten zich opzettelijk
wat moesten intomen. Of misschien was het eerste deel zo
overrompelend qua tempo en bevlieging, dat het in schril contrast
afstak met de vrij rustige ballades die James mocht zingen. Potter
was eigenlijk de enige muzikant die erin slaagde om een positief
vervolg aan zijn performance te breien – een mooie manier om
Coltrane te eren.

Naarmate het concert vorderde, leek de groep opnieuw zijn draad
terug te vinden. Met ‘African Village’ klonk het opnieuw een stuk
pittiger. James was intussen weer van het podium verdwenen en de
groep leek beter op elkaar in te spelen. McCoy Tyner stuurde
nogmaals zijn krachtige ritmische signalen uit op zijn piano
terwijl de andere muzikanten voor voldoende vuur en karakter
zorgden. De groep klonk indrukwekkend op momenten waarop alles bij
elkaar kwam.

Het gezelschap ging onder er onder luid applaus vandoor maar zou
niet meer terugkeren. Het publiek vertrok nogal verward uit de
zaal. Een bisronde hoorde er niet meer bij en zo kwam een concert
met twee gezichten alsnog abrupt tot zijn einde. Een hoopgevend
openingsstuk en een wervelend slot, met daartussen een hommage aan
Coltrane die wat licht uitviel. James kon zich nauwelijks staande
houden tussen al die jaren aan ervaring op het podium.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 3 =