DOSSIER GRUNGE: Sub Pop Rock City ::Iedereen wil een stukje Seattle

Je had het Liverpool van de Mersey Beat, het London van de Swinging Sixties, het New York van de punk. En toen was het na een lange stilte aan de grootste uithoek van de Verenigde Staten. Eenmaal Nirvana de mainstream had overgenomen, kenden pers en platenfirma’s maar één woord meer: "Seattle". Een nooit geziene hysterie streek neer over de stad, en zoog alle leven uit de bloeiende scene.

"The Seattle Sound", dat was de bijnaam die grunge al snel kreeg. Want dat hebben de muziekbusiness en de pers graag: scenes die zich op één plek concentreren, zodat niet te veel denkwerk moet worden verricht rond verbanden of invloeden, laat staan verschillen tussen bands die het ongeluk hebben uit dezelfde stad te komen. En dus was iedereen die begin jaren negentig in het noordwesten van de Verenigde Staten iets met gruizige gitaren deed lid van de grungebeweging. Of ze dat nu wilden of niet.

De volgende Nirvana

Het verschijnen van Nevermind had de impact van een atoombom. Niet alleen op de gemakkelijk in de knoop draaiende neuronen van hormonaal instabiele tieners, maar net zo goed op de ogen vol dollartekens van platenlui en managers allerhande. Bleek dat zootje ongeregeld uit de rijke Amerikaanse underground, dat zij jarenlang als "onverkoopbaar" hadden weggelachen, plots even de regels hebben herschreven en hun goudhaantjes van de troon hebben gestoten.

Wat volgde kan misschien nog best worden omschreven als het muzikale equivalent van de Oklahoma Land Run. Met de verkoopscijfers van Nirvana als luid en duidelijk startschot, was een stormloop begonnen op alles wat een gitaar en lang haar had in Seattle. Hier werd een voorschot uitgedeeld, daar een contract vol dubieuze clausules, ginder troepten ze samen voor een concert van wat algemeen als dé in de gaten te houden naam werd getipt. Missie: de volgende Nirvana ontdekken, zelfs al was de oude nog niet opgebruikt.

Die haalde ondertussen immers onverschillig de schouders op. "Ach, hetzelfde gebeurde al eind jaren zeventig in de tijd van de punk, toen groepen na hun eerste optreden een contract bij een major aangeboden kregen omdat het nu eenmaal een trend was", zuchtte Kurt Cobain. "Weet je wat dit bewijst? Dat er in de muziekindustrie nog altijd een hoop old school dinosaurussen rondlopen die uitgeroeid moeten worden."

Producer Steve Fisk haalt zijn vergelijking uit de kinderverhalen over reuzenbaby Huey: "oh, hij ziet iets gebeuren in Athens, hobbelt daarheen, gaat zitten en plet per ongeluk drie bands, betaalt iedereen wat lunches — want hier is het feestje —, kijkt over zijn schouder en oeps, ’t is ondertussen in Minneapolis te doen, gaat daar drie bands verpletteren, wat lunches betalen,… Seattle was dus maar gewoon een nieuwe stop in dat verhaal."

Megan Jasper, een toenmalige Sub Popwerkneemster vatte het zo samen in de puike documentaire Hype!: "Seattle voelde als een shoppingcentrum om kwart voor zes op kerstavond. Gevuld met idioten die te laat zijn, nog een kwartier hebben om te kopen, en dan maar alles pakken wat ze kunnen vast krijgen."

Goudkoorts

"Seattle, dat was goudkoorts", zou Peter Buck van R.E.M., een latere inwoner van de stad, zich herinneren. "Je kon gewoon geen vlucht van L.A. naar Seattle meer boeken", zegt Ray Farell van SST Records: "alles was volgeboekt met gasten van de grote platenfirma’s, op zoek naar de nieuwe Nirvana. Ik meen het: had je één van die toestellen doen crashen, je had eigenhandig de dood van de platenbusiness bewerkstelligd."

En ook de pers liet zich niet onbetuigd. "Er was een dag, op het hoogtepunt van de gekte, dat we vijf mediaploegen op bezoek hadden in onze kantoren om alles te interviewen wat twee benen had", weet hoofdredacteur Art Chantry van lokale krant The Rocket nog: "The Christian Science Monitor, een Italiaans modeblad, iemand uit Japan, Rolling Stone, The New York Times,… En allemaal maar foto’s nemen. Nu kun je er op terugkijken als iets dat echt is gebeurd, maar toen? We vonden het de grootste grap aller tijden."

Het was belachelijk, en zo reageerden ook de leden van de zo geadoreerde scene. Sommige bands en lokale indielabels weigerden nog vragen over de "Seattlescene" te beantwoorden, anderen trokken het in het belachelijke, met als meest legendarische voorbeeld het grungelexicon dat The New York Times publiceerde: volledig uit de duim gezogen door Jaspers, die toevallig de telefoon opnam bij Sub Pop. "Toen ik de hoorn oplegde dacht ik ’dit wordt nooit gepubliceerd’, zou ze later volhouden. Een paar dagen later stond het op de voorpagina van hun modesectie.

Zelfs de modewereld speelde immers in op de grungetrend, en stuurde anorectische, "heroin chic" uitademende modellen de catwalk op in Marc Jacobs-houthakkershemden die plots 89 dollar waard bleken. In Seattle haalden ze hun schouders op en speelde ze het spelletje mee. "De hoofdredacteur van Vogue belde me met de vraag om een stuk te schrijven over grungemode", herinnert platenbaas Jonathan Poneman van Sub Pop zich. "Natuurlijk deed ik dat. Het was performance art, het idee dat een mode-analfabeet als ik iets zou schrijven voor dat magazine! En het betaalde ook een paar duizend dollar: ook aangenaam. Ik heb het uiteindelijk luttele uren voor de deadline geschreven, en het is bijna ongeredigeerd verschenen: om wat witruimte te vullen, vermoed ik. ’t Was slecht geschreven rommel. Het was dan ook niet meer dan ’kijk mama, ik sta in Vogue!’"

Stijgende zuurtegraad

Ook bands gingen mee in de algemene gekte. Je moest in Seattle zijn, dus zat de stad plots met een horde inwijkelingen die hoopten een contract uit de brand te slepen. "En verloren zonen", zegt producer Jack Endino: "er waren groepen uit Seattle die in de vroege jaren tachtig nog verhuisd waren naar L.A. ’om het te gaan maken’, die nu terugkeerden met exact dezelfde hoop." Zo ging het immers: wie "uit Seattle" achter zijn groepsnaam kon zetten, wist dat hij niet genegeerd zou worden. Zelfs al leek zijn muziek nergens naar.

De impact op de scene was niet te onderschatten. Plots werd het menens, en waren er echte contracten en geld in het spel. De zuurtegraad in de stad steeg. "Dat was het vervelendste: van die ingevlogen groepen die denken dat ze bij ons een optreden konden versieren met de zin ’hé, we zijn van hier’. Neen dat zijn jullie niet. Jullie komen uit L.A.", bitst Claudia Gehrke, die concerten regelde in de Vogue Club.

Het vergiftigde iets. Bands braken het woord dat ze aan kleine labels hadden gegeven met het grote geld in ’t verschiet. "Ik werd woest van wat de muziekbusiness met onze scene deed", zegt platenbaas Daniel House van C/Z Records: "Het veranderde de reden waarom mensen in een bandje speelde. Er waren bands op ons label die mij uitscholden omdat ze nog niet door een major waren getekend."

Zelfs groepen die nog nauwelijks hadden opgetreden, kregen gigantische voorschotten voor een plaat. En natuurlijk dacht iedereen de volgende Nirvana te zijn. "De algemene sfeer was er een van ’waarom ben ik verdomme nog niet mega?’", herinnert U-Men (een van de oerbands van de Seattle scene)-bassist en stichter van Amphetamine Reptile Records Tom Hazelmeyer zich: "onverdraaglijk."

Bitterheid overheerste. "We haatten heel wat bands, vooral zij die wat ons betreft uit het niets leken te komen, zoals Candlebox", zegt Dave Krusen, ex Pearl-Jamdrummer die toen alweer bij het obscure Son Of Man speelde en in 1997 bij zijn toenmalige schietschijf in dienst ging. "Wij hadden met onze groep heel wat voorprogramma’s voor Soundgarden en Mother Love Bone gespeeld, zonder veel effect, en daar waren ze: getekend op het label van Madonna. Wie waren die gasten? Rijke jongetjes van de andere kant van de stad, wat ons betreft."

Niet helemaal terecht, dat laatste. Als Candlebox — allen opgegroeid in Seattle — iets te verwijten viel, dan enkel dat ze een paar jaar jonger waren dan de grote grungehelden, en het feestje dus te laat binnencrashten. "Madonna hebben we pas anderhalf jaar nadat we bij haar Maverick tekenden, ontmoet. Niemand van ons heeft sex met haar gehad", merkt zanger Kevin Martin cynisch op.

Het verhaal tekent de verziekte sfeer. "Al die businesslui die naar hier verhuisden, hier kantoren opzetten… Het vergiftigde het water. Plots had alles zo’n vies olie-achtig laagje: je wilde niet eens meer van Seattle zijn", moppert Grunttruckgitarist Tom Niemeyer. Conrad Uno van Popllama Records relativeert het echter. "Natuurlijk was het nogal bizar hoe de media elke beweging documenteerde. Het was zelfs enerverend: de spots stonden op ons gericht, en dat helle licht scheen in onze ogen. Ook ik wilde terug de kelder in, waar mijn studio was. Maar eerlijk? We hebben ons met heel die gekte ook erg geamuseerd."

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + acht =