Jazz Classic – Jimmy Smith :: Back at the Chicken Shack


Blue Note, 1960

Waaruit bestaat het klassieke jazzkwartet? De algemene consensus
houdt waarschijnlijk het volgende in: een drummer, een bassist, een
pianist en een koperblazer (al is de saxofoon strikt gezien een
houtblazer). Door velen wordt dit beschouwd als een fijne
combinatie die in het verleden zijn succes meermaals bewezen heeft.
Al deelt ongetwijfeld niet iedereen diezelfde overtuiging: Jimmy
Smith, geboren als James Oscar Smith, heeft zich bijvoorbeeld nooit
aan een dergelijke klassieke bezetting gehouden. Moeilijk ook, want
oorspronkelijk begonnen als pianist, maakte hij rond 1953 zijn
definitieve overstap naar het orgel.

Smiths lange carrière (tot zijn overlijden in 2005) geraakte
nauw verweven met het gelijklopende succes van de Hammond B-3, een
orgelmodel dat vanaf 1955 in productie ging en al snel grote
aantrek genoot bij beroepsmuzikanten. Het instrument vond niet
enkel zijn weg in de jazzmuziek maar verwierf later ook een eigen
plaats in de rockgeschiedenis. Het succes was voornamelijk te
danken aan de mogelijkheid om een apart tone cabinet te
gebruiken. Het gevolg was dat veel muzikanten de B-3 gebruikten in
combinatie met een Leslie speaker, een amplifier (of
versterker) die speciale geluidseffecten kon creëren.

Met zijn eigenzinnige instrumentenkeuze verkende Jimmy Smith een
volledig nieuw domein binnen de traditionele jazz. Hij maakte zich
al in de vroege jaren vijftig meester van het orgel, door het
ontwikkelen van een eigen improvisatietechniek voor het instrument.
Daarnaast begon hij ook als een van de eerste nadrukkelijk gospel-
en bluesinvloeden in zijn composities te incorporeren (wat
uiteindelijk zou resulteren in hard bop en soul jazz). Smith was
een van de weinige, maar ongetwijfeld ook de beste orgelspeler van
zijn generatie. Die status leverde hem in 1956 onder andere een
contract op bij Blue Note. Deze samenwerking leidde tot ongeveer
veertig opnamesessies tussen 1956 en 1962, waarvan ‘Back at the
Chicken Shack’ zeer waarschijnlijk de meest succesvolle is.

De keuze voor het orgel maakte ook de nood aan een bassist
overbodig. Smith was in staat om zowel melodie- als bastonen uit
het klavier te toveren – het orgel verving de ritmische puls van
het snaarinstrument – waardoor er ruimte ontstond voor een extra
muzikant. Smith zou bijgevolg geregeld samenwerken met gitarist
Kenny Burrell, die ook op ‘Back at the Chicken Shack’ verschillende
malen zijn opwachting maakt. Op die manier werd een van de
hoekstenen van de archetypische jazzformatie weggelaten, met de
intentie een nieuw improvisatiekader te creëren.

Toch geeft ‘Back at the Chicken Shack’ bij een eerste
beluistering een vertrouwd gevoel, vooral omdat het orgel stilaan
gemeengoed is geworden voor de eigentijdse luisteraar (als erfgoed
in jazz, blues en rock). In het midden van de jaren vijftig bleek
Smith echter een buitenbeentje in het jazzmilieu, toen hij het
orgel boven de piano verkoos als solo-instrument.

Het vertrouwde gevoel tijdens het luisteren is echter ook terug
te voeren tot de aard en de vormgeving van de composities. De
gelijknamige openingstrack is gekenmerkt door een rationale,
symmetrische structuur: het ritme is ingebed in een swingende
binaire maat. Het orgelgeluid klinkt prikkelend zonder zijn
toegankelijkheid te verliezen. Smith werkt met tal van kleine
schakeringen in zijn melodieuze spel en verzorgt daarnaast de
ritmische onderbouw met zijn baspedalen. Gitarist Kenny Burrell en
drummer Donald Bailey worden aanvankelijk naar de achtergrond
gedrukt, in een meer harmonische en aanvullende functie. Bij de
gitaarsolo van Burrell komt echter zijn grootsheid helemaal naar
boven: een afwisseling van getokkel en strums, die
fluweelzacht aanvoelen en toch snedig klinken. Daarnaast is het ook
tenorsaxofonist Stanley Turrentine die verrast met een zeer
levendige en emotievolle solo. Hij zet zich voornamelijk in de verf
als gevoelsmens, eerder dan als snelheidsduivel.

‘When I Grow Too Old to Dream’ gaat van start met een gedempt
tempo, waarbij de diepe bastonen op het orgel zich sterk afzetten
tegenover de koele, korrelige klanken van Turrentine. Het strakke
en introspectieve geluid heeft iets weg van spiritualisme, maar
bevat ook verwijzingen naar de cool jazz uit die periode.
Turrentines sobere en spaarzame stijl doet zelfs een beetje denken
aan Paul Desmond, al is die laatste zijn geluid nog een pak
helderder. Vervolgens gaat het tempo de hoogte in en meet
Turrentine zich een meer bevlogen en rauwere speelstijl aan.

Opvallend hier (en in de volgende track) is de afwezigheid van
Kenny Burrell. Die kon slechts een beperkt deel van de sessies
bijwonen, waardoor de groep tijdelijk tot een trio is
teruggebracht. Dat voelt echter niet aan als een tekortkoming, want
Turrentine houdt de luisteraar met spreekwoordelijk gemak geboeid.
Vooral de tandem met Smith werkt doeltreffend: de rijke klankkleur
van het orgel gaat wonderwel samen met de scherpte en viriliteit
van de saxofoon.

De pittige start van ‘Minor Chant’ ontplooit zich wederom in een
interessante dynamiek tussen Turrentine en Smith. De compositie is
geschreven door de saxofoonspeler (en ook opgenomen op een eigen
album) maar wordt in herwerkte vorm gespeeld. Smith speelt zijn
melodie in staccato, terwijl de bastonen eerder vloeiend en
beweeglijk aanvoelen. Turrentine haalt alles uit de kast, in een
solo die veel meer de klemtoon legt op snelheid en beweging. De
scherpte van het geluid is hier echter niet alleen de verdienste
van de muzikant, maar ook van de productieopname (Rudy Van Gelder
stond achter de geluidsknoppen en is eveneens verantwoordelijk voor
de recente remastering van het album).

Het geheel schuift geregeld in de richting van de blues. Zeker
wanneer Smith begint te improviseren, komen zijn roots en
interessesfeer duidelijker bloot te liggen. De verschillende
invloeden botsen niet, maar creëren eerder een sprankelende fusion
van stijlen waar alle muzikanten in opgaan: Bailey laat zich gaan
in de tussenstukken, terwijl Smith de hartslag van de compositie
onder controle houdt en Turrentine de melodie een eigen identiteit
geeft.

Kenny Burrell maakt bij ‘Messie Bessie’ opnieuw zijn opwachting,
in een compositie die gevoelsmatig meer aansluiting zoekt met de
openingstrack. Het start aanvankelijk met een wandeltempo, waarbij
Burrell heel subtiel op de achtergrond de mood bepaalt met
slechts een geregelde gitaarslag. Turrentine blijft gevarieerd
spelen: bruisend en tegelijk altijd het overzicht bewarend. Met
veel gezwindheid beweegt hij zich tussen de swingende harmonieën
van Smith. Toch is het vooral Burrell die aantoont waarom hij een
meerwaarde betekent in het kwartet: een hoge snelheid van
uitvoeren, een stijl waaruit een invloed van Reinhardt en
Montgomery blijkt en een grote verbondenheid met de bluesmuziek.
Smith heeft er goed aan gedaan om mensen te kiezen die net als
hijzelf bluesmuziek ademen. De muzikanten zitten volledig op
dezelfde lijn, wat het resultaat enkel maar ten goede komt.

In de oorspronkelijke uitgave bestaat ‘Back at the Chicken
Shack’ slechts uit vier composities, maar in een latere uitgave is
daar een compositie met de titel ‘On the Sunny Side of the Street’
aan toegevoegd (afkomstig uit dezelfde opnamesessie). De vijfde en
laatste track laat zich niet echt kenmerken door grote
verrassingen, en is vooral een verdere uitwerking van de stijl die
in de overige tracks is uitgewerkt. Vooral te vermelden zijn de
bijzonder genietbare solomomenten van Burrell en Turrentine.

‘Back at the Chicken Shack’ is de geschiedenis ingegaan als de
grootste klassieker van Jimmy Smith. Het toont een artiest op een
vroeg hoogtepunt in zijn carrière, wanneer hij de vruchten plukt
van zijn eigenzinnige instrumentenkeuze en diepgewortelde band met
bluesmuziek. Overigens is ook de keuze van de muzikanten
uitstekend: vooral Kenny Burrell en Stanley Turrentine geven deze
opname een extra laagje kleur en diepgang. Een must-have
voor orgelliefhebbers.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + 4 =