DOSSIER GRUNGE: Rain When I Die :: Hoe sterrendom junks niet kon redden

Ze kregen wat ze wilden: ze konden van hun muziek leven. Ze kregen meer dan ze gevraagd hadden: sterrendom. En toen ontstond er kortsluiting. Een dodelijke cocktail van drugs, schuldgevoel en wantrouwen kreeg Seattle er op korte tijd onder. Het einde van grunge was pijnlijk, maar werd vooral al erg snel onvermijdelijk.

“Eigenlijk was grunge een grap, maar het heeft me heel veel geleerd over hoe media en cultuur met elkaar omgaan”, zegt Art Chantry, lay-outer van de plaatselijke krant, The Rocket, en ontwerper van tal van concertaffiches. “Vanuit antropologisch en sociologisch standpunt is het een van de meest verbluffende dingen die ik ooit heb aanschouwd; hoe iets zo fragiels en stoms — een hoop jongentjes die lawaai maakten zonder te weten wat ze deden — invloedrijk en legendarisch, deel van ons collectief onderbewustzijn werd.”

Kramp

Twee jaar en een half, zo lang heeft het feestje in Seattle geduurd: van de release van “Smells Like Teen Spirit” in augustus 1991 tot de zelfmoord van Kurt Cobain in april 1994. Maar dat is de optimistische visie. In werkelijkheid begon het al veel vroeger fout te lopen, en kon het bijna niet anders uitdraaien. Met een beetje zin voor drama kun je het hele verhaal van grunge zelfs gedoemd noemen van bij de dag dat “Smells Like Teen Spirit” de nummer één-spot bereikte.

Immers: niémand in heel die Seattlescene was voorbereid op het soort bekendheid dat hen in de nek viel. Wie daar wel van droomde — Duff McKagan van Guns n’ Roses, bijvoorbeeld — was al veel eerder naar L.A. afgezakt. Zij die overbleven waren al lang blij als ze een plaat konden opnemen voor één van die plaatselijke labels, en er wat volk naar de concerten kwam. Meer was gewoon ondenkbaar. “Dat succes was veel meer dan we ooit gevraagd hadden”, zegt Nirvanabassist Kirst Novoselic. “Natuurlijk wilden we kunnen leven, eten en reizen van onze muziek”, gaf ook Cobain toe. “Maar dit? In de top tien staan interesseert me echt niet.”

Elk reageerde op zijn manier op de plotse statuswijziging. Eddie Vedder van Pearl Jam was zich pijnlijk bewust van zijn plotse status als rolmodel en de niet gevraagde positie van woordvoerder-van-een-generatie; werd doodserieus in interviews, kon de fun van de hele zaak niet meer inzien, en schoot helemaal in een kramp toen Kurt Cobain hen er van beschuldigde niet genoeg indie te zijn en eigenlijk corporate rock te maken. Het zou de volgende tien jaar van Pearl Jams carrière tekenen: elke actie van Vedder zou er op gericht zijn te bewijzen dat ze wel degelijk for real waren, van de weigering om nog clips op te nemen, over het verbod aan zijn platenfirma om van “Black” een single te maken — ze zouden maar eens een nummer één kunnen halen — tot het onmogelijk te winnen gevecht met concertmastodont Ticketmaster.

De opnames van Vs, de opvolger van hun bejubelde debuut Ten, werden dan ook een moeilijke zaak. Vedder voelde zich immers niet op zijn gemak in de nogal comfortabele studio. “Zelfs al deden we ons uiterste best om het hem moeilijk te maken”, zou gitarist Jeff Ament zich jaren later herinneren: “hell, hij sliep zelfs in de fucking sauna.”

“Succes is niet iets om naar te streven. Zo’n hype kan alles kapot maken. Het vernietigt wat echt lijkt: muziek, je leven,… Het maakt er een product er van, ten koste van jezelf. En je wordt nog verondersteld daar blij om te zijn, want het maakt je succesvol”, klaagde Vedder. Mark Arm van Mudhoney vond het allemaal maar onzin. “Plots leefden al die gasten het schone leven, konden ze het geld als water laten vloeien,… Komaan, Kurt en Courtney leefden in vijfsterrenhotels in plaats van een huis te kopen. Ze hiélden van dat leven.”

Pestkoppen

Maar was dat niet deel van het probleem? Dat Vedder et les autres, vanuit de achtergrond waarin ze waren groot geworden, dat niet echt durfden of konden omarmen zonder schuldgevoelens? De regels van de indiebijbel zijn immers even dwingend als de catechismus van weleer, het “handjes boven de lakens” vervangen door “gij zult niet genieten van succes”. En dus wrong het langs alle kanten, kon het niet juist voelen voor iemand als Cobain.

Die zag in zijn nieuw verworven publiek immers vooral de pestkoppen uit zijn schooltijd, en ging over zijn nek. Aangezien zij er in zijn ogen niets van begrepen, moest er wel iets mis zijn met Nevermind. De schuldige was rap gevonden: Andy Wallace die de plaat te glad had gemixt. Dat de frontman hem zelf voor die job had uitgekozen, vergat die gemakshalve even, net als het feit dat zijn songs onmiskenbaar met het oog op een groot publiek waren geschreven.

En dus dienden de schapen van die bokken gescheiden met dat derde album. In Utero moest rauw en oncompromisloos worden, en daar zou producer Steve Albini voor zorgen. Uiteindelijk was het zijn Big Black geweest dat met zijn allerlaatste concert een onuitwisbare indruk op Kurt Cobain had gemaakt. De man uit Chicago was dé poortwachter van de onafhankelijke muziekscene: met hem aan het roer zou er zeker niet gezondigd worden tegen de geboden van de alternatieve scene.

Dat was toch de theorie. Uiteindelijk zouden een aantal songs onder druk van platenfirma Geffen toch een oppoetsbehandeling door R.E.M.-producer Scott Litt krijgen, en zou In Utero meteen — belachelijk snel — de top van de hitlijsten halen. Eenmaal uit zijn stal, krijg je het beest der populariteit er niet snel opnieuw onder, besefte Cobain, en hij besloot — na een afscheidsbrief vol wroeging en zelfmedelijden — voor de radicaalste aller uitwegen te kiezen.

Junkhead

Maar natuurlijk had dat niet alleen maar met de tol van de roem te maken — zo’n huilebalken waren het nu ook weer niet, en zelfs Eddie Vedder zou later leren glimlachen en een gelukkige veertigjare worden — er was meer aan de hand. Drugs, natuurlijk, die in Seattle als invoerhaven uit het Zuid-Oosten niet moeilijk te krijgen waren. Als uithoek was het voor een junkie ook goedkoop leven in de stad, dus alles zat mee om een stevig probleem te krijgen, en ook in de muziekscene was het aantal mensen met “een probleem” niet op één hand te tellen. Er zijn weinig muzikale bewegingen geweest die zoveel drugsdoden op zo’n korte periode te verwerken hadden.

Kurt Cobain is natuurlijk de bekendste, maar hij was verre van de eerste. Die twijfelachtige eer gaat naar Andrew Wood, zanger van Mother Love Bone — waaruit later Pearl Jam zou ontstaan — die in 1990, dagen voor de release van hun debuut-LP Apple , stierf aan een overdosis. Twee jaar later zou ook Stefanie Sargent van 7 Year Bitch hetzelfde lot wachten. Misschien het meest tragische verhaal is echter dat van Lane Staley van Alice In Chains, die al op Dirt uit 1992 verslag uitbracht van zijn dans met dame heroïne in songs als “Sickman” en “Junkhead” (“What’s my drug of choice/Well, what have you got?”). Het was zo grunge als maar kon: donker en wanhopig, maar net zo goed ijskoud cynisch. Staley bezong zijn verslaving met de verkillende luciditeit van een verslaafde die zijn lot ziet, maar het niet kon ontwijken: “I can feel the wheel, but I can’t steer/When my thoughts become my biggest fear/Ah, what’s the difference, I’ll die/in this sick world of mine”.

Het waren profetische woorden. Alice In Chains zou in 1994 een aantal concerten met Metallica afzeggen omdat Staley na een cleane periode opnieuw was hervallen. Een jaar later zou de groep nog een titelloze opvolger opnemen. Nooit zou de groep officieel splitten, maar een nieuw begin kwam er ook niet. Na de dood van zijn vriendin aan een drugsgerelateerde ziekte, zonk Staley volledig weg in ellende en kluizenaarschap. Uiteindelijk zou hij in april 2002 worden aangetroffen in zijn appartement: overdosis natuurlijk. “‘s Werelds langste zelfmoord, zo leek het wel”, zou Alice In Chainsdrummer Sean Kinney het nadien omschrijven.

Uit een interview dat slechts enkele weken voor zijn dood werd afgenomen, bleek dat Staley het ontkennende “if you let yourself go and opened your mind I’ll bet you’d be doing like me and it ain’t so bad” uit “Junkhead” eindelijk voorbij was. “Ik wéét dat ik zo goed als dood ben”, vertelde hij de journalist, “ik heb jarenlang crack en heroïne gebruikt, maar ik heb mijn leven nooit op deze manier willen beëindigen. Ik gebruik al lang niet meer om high te worden. Ik weet dat ik een grote fout heb begaan toen ik hiermee begon: mijn lever werkt niet meer, ik kots voortdurend, en kak in mijn broek. De pijn is meer dan ik aankan; de ergste pijn ter wereld. Drugspijn doet je hele lijf pijn.”

Love me, me me

Domme experimenteerdrift en acute overgevoeligheid voor het helle licht van de spots: dat lijkt de grungevoormannen uiteindelijk tot de rand te hebben gebracht. Een gebrek aan relativering ook, het vasthouden aan starre regels van de indiekliek in een wereld die daar geen moer om gaf; sier maken in de grote stad, maar de verwijtende ogen van het boerendorp in je rug maar al te goed voelen. En dus maakte Cobain zich wel dik tegen zijn managers dat nummers niet genoeg gedraaid werden op MTV, maar ging hij wel dood van schuldgevoel dat hij niet elke avond de entertainer kon uithangen.

Uiteindelijk: misschien drukt dat ene fragment uit de dagboeken van Kurt Cobain de hele grungeknoop nog het beste uit:

“God damn, Jesus fucking Christ almighty, love me, me, me, we could go on a trial basis, please? I don’t care if it’s the out-of-the-in-crowd, a gang, a reason to smile, I won’t smother you, ah shit, shit, please, isn’t there somebody out there? Somebody, anybody, God help, help me please. I want to be accepted. I have to be accepted. I’ll wear any kind of clothes you want! I’m so tired of crying and dreaming, I’m so alone. Isn’t there anyone out there? Please help me. HELP ME.”

Het is de hartekreet van de loner die er wil bij horen, en jaren later ontdekt dat zoiets niet bestaat. Dat zelfs als je het centrum van de aandacht bent, als iedereen een stukje van je wil, je nog steeds fundamenteel alleen blijft.

En dan wordt het donker, natuurlijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 1 =