Onze man ging naar de junket van Cowboys & Aliens! (2/2)




Terug naar pagina
1

Business is business

Favreau begroet me vriendelijk en is, zo zal ik later merken, er
het meest op uit om zijn film te promoten. Het zal er wel iets mee
te maken hebben dat hij als regisseur meer financiële
verantwoordelijkheden draagt, én dat ‘Cowboys & Aliens’ in de
VS de eerste plaats van de box office niet heeft gehaald.
In zijn openingsweekend was hij nummer twee, na ‘The Smurfs’; de
film doet het behoorlijk goed en zal sowieso ruimschoots zijn geld
terugverdienen, maar dat is niet genoeg naar Hollywoodnormen om van
een succes te spreken. Dus Favreau wil verkopen, en dat doet hij
met antwoorden die van zijn tong gerold komen met een
indrukwekkende snelheid en luciditeit. Hij praat over het mixen van
de genres, hoe Steven Spielberg hem benaderde met het project, hoe
hij ervan houdt dat de ironie van de premisse niet al te openlijk
wordt uitgespeeld, dat hij geen 3D wilde voor deze film omdat de
klassieke westerns ook niet in 3D waren, en dat hij Harrison Ford
en Daniel Craig tegen elkaar wilde uitspelen als twee
vertegenwoordigers van verschillende tijdperken in het
westerngenre: John Wayne tegenover Clint Eastwood. Hij lijkt een
intelligent persoon, die zelf ook heel goed weet wat voor soort
film hij net heeft gemaakt. In een hoek van de kamer zit iemand van
de productie vanaf het begin van het interview met één hand in de
lucht: eerst houdt hij zijn vijf vingers omhoog, daarna vier, drie,
twee, één. Hij telt letterlijk de minuten af, opdat ik zou weten
wanneer ik moet afronden. Dat doe ik door, gegeneerd tot in mijn
botten, een station call te vragen. Favreau knippert niet
eens met zijn ogen, kijkt in de camera en zegt: “Hi, I’m Jon
Favreau, the director of Cowboys & Aliens. Thank you for
watching…”
Alsof hij weet over welke zender het gaat.

Het eerste interview was een opluchting – ik heb bruikbaar
materiaal en ik kreeg niet de indruk dat Favreau me een totale
idioot vond omdat ik die station call moest vragen. Ik
moet toegeven dat ik er wel minstens drie keer heb bijgezegd dat ik
het moést vragen van mijn werkgever – dat hij niet dacht dat het
mijn eigen idee was. Een station call vragen is voor mijn
part even onprofessioneel als bedelen om een handtekening, en nog
minder eerzaam. Mensen die een handtekening willen, pretenderen
tenminste niet dat ze iets anders zijn dan fans.

Craig. Daniel Craig.

Anyway, na een korte pit stop in de journalistenruimte
is het mijn beurt om Daniel Craig te spreken. Wanneer ik de
interviewkamer binnenkom, legt hij snel een exemplaar van het
Britse filmblad Empire terzijde. Hij staat recht om me de hand te
schudden – de enige van de vier die van zijn stoeltje komt – en
begroet me op een manier die me, zonder dat ik meteen kan zeggen
waarom, op mijn gemak stelt. Ik kijk naar de Empire die onder zijn
stoel ligt en zeg: “Ah, dan toch iemand die zijn eigen recensies
leest.” – “Nee hoor,” antwoordt hij. “Je mag het nooit geloven
wanneer mensen iets negatiefs over je zeggen. En ook niet als ze
iets positiefs over je zeggen.” Daarmee ben ik vertrokken voor wat
het plezierigste gesprekje van de dag zal blijken, al was het maar
omdat Craig de enige is die geen zorgvuldig van buiten geblokte
antwoorden lijkt te geven. Hoewel mijn vragen niet bepaald
uitblinken door hun originaliteit, gaat hij er op in alsof het de
eerste keer is dat hij ze hoort. Tot op het moment dat ik in een
ooghoek de laatste vinger van de productieassistent zie en het tijd
is om mijn station call te vragen. Ik moet uitleggen wat
dat is, en ik zie Craigs gezicht veranderen wanneer hij de uitleg
hoort. “I’m so rubbish at those things,” zegt hij. Hij
verwijt me niet dat ik het hem vraag, maar het vooruitzicht zoiets
te moeten doen, vervult hem met een zichtbare walging, alsof ik hem
gevraagd heb zijn broek af te steken en z’n blote kont te tonen
voor het algemene goed van “onze kijkers”. Ik verzeker hem dat hij
niet hoeft als hij niet wil, en dat ik het hem niet graag vraag.
“I’d really rather not,” zegt hij. Op het moment zelf
geneer ik me – ik wou het hem sowieso al niet vragen en nu heb ik
het deksel op mijn neus gekregen – maar tegelijkertijd respecteer
ik hem nog meer omdat hij nog niet zodanig glad gelikt is door het
Hollywoodsysteem dat hij dit soort debiele verzoeknummertjes zonder
nadenken opvoert.

“I need the money!”

Enkele minuten later hoor ik mijn naam opnieuw afroepen en de
wat al te enthousiaste, al te jonge en al te blitse assistent van
daarnet zegt me dat: “We’ve got you for Harrison.” Yup,
daar gaan we dan. Meneer de brompot, helemaal voor mij alleen, vijf
minuten lang. Het probleem is niet dat ik bang ben voor een
knorrige man van bijna 70. Het probleem is dat ik sommige
kinderillusies simpelweg niet wil kwijtspelen. Ik wil
geloven dat Harrison Ford Indiana Jones is. Dat hij een held is. En
het maakt geen donder uit hoe onrealistisch of naïef die wens dan
wel mag zijn. Daar ben ik bang voor: desillusie.

Het eerste dat ik van Harrison Ford hoor, is een korte, maar
krachtige hoestbui. Ik loop de kamer binnen achter het scherm dat
het licht moet weerkaatsen, zodat hij nog heel even aan mijn zicht
onttrokken is. Ford kucht luid, ik duik van achter het scherm, en
daar zit hij: Indy. Han Solo. Deckard. Dokter Richard Kimble. Voor
iemand die bijna zijn achtste decennium ingaat, ziet hij er nog
uitstekend uit – stevig gebouwd, voorzien van kort geknipt grijs
haar en een eeuwige ironische blik in zijn ogen, die suggereert dat
hij, ondanks zijn slecht gehumeurde reputatie, nog wel de humor van
deze hele dag inziet. Het beroemde litteken op zijn kin zit ook nog
steeds op zijn plaats, en, minder flatterend, zowaar een
oorbelletje in zijn linkeroor. Noem mij gerust een conservatieve
zak, maar mannen van zijn leeftijd moeten niét met een oorbelletje
rondlopen.

Na de hele build-up rond Fords humeur, blijkt hij in
een opvallend milde bui. Hij spreekt stilletjes, beantwoordt
beleefd mijn vragen, maar heeft duidelijk ook geen zin in bullshit.
Hebt u veel naar John Waynefilms gekeken om u voor te bereiden?
“Nee, ik laat me nooit inspireren door anderen.” Zijn er nog veel
mensen met wie u wil werken, of rollen waarvan u spijt hebt dat u
ze nog niet hebt gespeeld? “Nee, daar hou ik me niet mee bezig.”
Als u de mensen één reden moet geven om naar de film te gaan
kijken, wat zou die dan zijn? “I need the money.” Ik denk
er heel even over na om te zeggen dat ik dat laatste betwijfel,
maar ik besluit om toch maar geen risico’s te nemen. Een
station call vraag ik deze keer niet. Fuck ’em,
Daniel Craig wilde al niet, en nu ga ik een matig succesje met de
moeilijkste interviewee van de dag niet op het spel zetten
door hem te vragen zichzelf te kijk te zetten. Ford schudt me de
hand, zegt pro forma dat het allemaal his pleasure was, en
dat was dan dat. Mijn ontmoeting met Indiana Jones eindigt op een
sisser – hij werkte mee, hij deed niet lastig, hij antwoordde op
alles, maar ondertussen was het duidelijk dat hij mentaal ergens op
zijn ranch zat, of bij Ally McBeal. Als je 69 bent, en Harrison
Ford, dan hoeft helemaal niets meer.

“Great!”

Last up: Olivia Wilde, een interview dat, na al wat
vooraf ging, hooguit nog een dessertje lijkt nu. Oké, Wilde ziet er
bijzonder appetijtelijk uit, dat ga je me niet horen ontkennen,
maar ik heb haar nog nooit in iets gezien dat een indruk naliet. Ik
heb ooit de eerste zes, zeven afleveringen van ‘House’ gezien, tot
ik me realiseerde dat die allemaal krèk hetzelfde waren. ‘Tron:
Legacy’ was crap, en ook in ‘Cowboys & Aliens’ geeft
ze me weinig reden te geloven dat ze meer is dan een zoveelste mooi
gezichtje, waarachter maar al te weinig schuilgaat.

En inderdaad: haar antwoorden zijn zo mogelijk nog banaler dan
mijn vragen, en duidelijk het resultaat van jarenlange zorgvuldige
mediatraining. De Olivia Wilde die ik voor me heb zitten, krijg ik
meteen de indruk, is een projectie van een echt persoon; iemand die
een imago uitstraalt, waarachter – hopelijk – ergens een individu
schuilgaat. Ze ratelt standaardantwoorden af en verzekert me dat
alles en iedereen op deze aardkloot even great is. Ze
spreekt in soundbytes, die ongetwijfeld nog erg behulpzaam
zullen zijn voor de monteur die er achteraf een promofilmpje van
moet maken. Ik hoop alleen maar dat ze na dit soort publieke
optredens opnieuw in zichzelf verandert, en in staat is om met haar
vrienden een pint te gaan pakken zonder zich zorgen te maken over
haar PR. Dit is de reden waarom mensen eigenlijk pas rond hun 35
beroemd mogen worden: roem vreet je persoonlijkheid weg als je niet
oppast.

Maar nogmaals: voor de doeleinden waarvoor ik daar zit, gaat het
allemaal opperbest. Het voorziene eindresultaat is een promotioneel
making of-filmpje, en daar past dit soort blabla perfect
in. Het moedigt me aan om toch maar een station call te
vragen, en ja hoor: mijn woorden zijn nog niet koud of Wilde heeft
al vlekkeloos haar zinnetje ingesproken. Het gaat zelfs zo vlot,
dat ik voor het eerst vandaag echt in de fout ga: de
productieassistent zat al met één vinger in de lucht op het moment
dat ik Wilde om de station call vroeg, maar nu hij gedaan
is, hoor ik niet het verwachte “time to wrap up”. Ik besef
dat ik nog tijd heb voor een laatste vraag, en begin haastig op
mijn papier naar de vragen voor Olivia Wilde te zoeken. Drie
tergend lange seconden duurt dat, maar ik ben niet snel genoeg: de
productie-assistent schiet alsnog wakker en ik moet mijn gesprek
beëindigen. Ervaren junket junkies hebben snellere
reflexen. Ik heb nog veel te leren.

Wrapping up

En daarmee heb ik ze alle vier gehad. Ik eindig de dag met acht
Beta-tapes in een papieren draagtas: vier interviews, en telkens
een camera op mij gericht, en één op de interviewee.
Daarna let niemand nog op me. Ik knik onwennig naar de studiomensen
die de één of andere onduidelijke functie vervullen op de
junket en zeg dat ik iedereen heb gezien, dus dat ik dan
maar vertrek. “See you soon,” zeggen ze, alsof die kans
reëel is. En dat was het dan – dezelfde piccolo voert me weer naar
beneden en zo sta ik de straat weer op. Hoogstwaarschijnlijk zal ik
Claridge’s nooit nog vanbinnen zien, of het moest al zijn dat ik er
ooit opnieuw ben voor een junket.

Tijdens de reis naar huis laat ik de dag bezinken – een dag
gewijd aan het soort vrolijke non-journalistiek waar ik doorgaans
een hekel aan heb als het de extra’s van een dvd bevuilt. Veel
fragmenten uit de film, onderbroken met sporadische opmerkingen
over hoe geweldig iedereen wel was. Maar ik zou niet durven klagen:
ik heb één van mijn jeugdhelden ontmoet, nog meer respect gekweekt
voor Daniel Craig (die ik na ‘Casino Royale’ toch al behoorlijk
hoog inschatte), gemerkt dat Jon Favreau echt wel oké is en dat
Olivia Wilde… er ook in het echt erg leuk uitziet.

Ooit wil ik Ford en Craig eens een uur lang voor een camera
zetten. Hen reële vragen stellen over reële onderwerpen. Tot dan
zal ik blij moeten zijn dat ik op zijn minst nog altijd kan geloven
in de mythe van Indiana Jones.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen + 12 =