Cactusfestival 2011 – dag 2




Brugge, 9 juli 2011

Op de druillige zaterdagochtend had het Amerikaanse Fool’s
Gold
de twijfelachtige eer om een nieuwe dag op het
Cactusfestival in te leiden. Hun best genietbare afropop (denk een
uitgelaten Vampire Weekend op een muzikale reis door de Caraïben)
werkte aanstekelijk: het niet al te talrijk opgekomen publiek kon
op gang komen (of verder ontwaken) met een zomerse, vrolijke
soundtrack die even later ook effectief zon door het wolkendek leek
te doen breken.

“I know it’s early, but let’s have some fun(k)”. Met
dergelijke gevleugelde woorden een optreden aanvangen, het is enkel
Keziah Jones gegeven. Het was zijn nobel doel de
weide volledig wakker te schudden, en met zijn funky Afrikaanse
ritmes slaagde hij meer dan volledig in zijn opzet. Hoorde u daar
funk? Meer zelfs, Jones verzon een eigen etiket voor zijn
eigenzinnige, meeslepende vorm van het genre: blufunk
wordt het beestje genoemd. Dat hij de term met hart en ziel aan
zijn publiek wou overbrengen, was ook wel te merken aan zijn
nummers. Meer dan eens leken die over niet meer dan het genre zelf
te verhalen. Ook wanneer hij andere invloeden aanhaalde, zoals een
bootlegnummer als ‘Cash’ (ofte, ‘The Wisdom Behind the Smile’), kon
hij het niet laten om steeds aan te halen dat het om “the bootleg
version! The bootleg version!” ging. Dat is echter de enige vorm
van kritiek die we op de man kunnen geven. Zijn muzikale bezieling
nam zodanige proporties aan dat hij als het ware de liefde aan het
bedrijven was met zijn gitaar, om vervolgens een kunstnummertje op
te voeren door achter zijn rug te tokkelen. Evenzeer waagde hij
zich aan een cover van ‘All Along the Watchtower’ en bij dezen is
de vergelijking met wijlen gitaargod Jimi Hendrix compleet. Het
niveau van het ter ziele gegane icoon bereikt hij voor geen meter,
maar inspirerende geluiden wist hij warempel bijzonder vlijtig uit
zijn instrument te krijgen.

Eensklaps werd elke verwijzing naar het oorspronkelijke
lemma van Cactusfestival – met name het aanbieden van wereldse
klanken aan een fijnzinnig publiek, zoals we die in de nummers van
bovenvermelde openers kunnen vinden – opzij geschoven toen
indiesuccesverhaal Cold War Kids zijn plaats op
het podium opeiste. Twee jaar eerder waren zij reeds in Brugge te
bewonderen, evenzeer in de namiddagzon. Net als destijds kwam het
geheel niet helemaal over, al zouden de bronstige fans aan onze
linkerzijde het hier vast oneens over zijn. Bij aanvang klonk het
allemaal nog veelbelovend. Deze bloedjes van kinderen uit de Koude
Oorlog leverden hun publiek aanstekelijke rockliedjes, die een
halfuur lang bijzonder boeiden. Maar daar bleef het ook wel bij. Na
een tijdje kon je bijna zeggen dat elk nummer zo’n beetje op het
vorige leek, en weinig variatie zorgt voor weinig
dynamiek. ‘Saint John’ was, net zoals twee jaar geleden
overigens, de afsluiter die ons tot zingen moest aanzetten. Het
enthousiasme bleef echter geheel uit. Helaas moeten we concluderen
dat het optreden de middelmaat niet overschreed en dat Cold War
Kids, om echt genietbaar genoemd te worden, beter een halfuur
vroeger de pijp aan Maarten gegeven had.

De eer om Janelle Monáe aan te kondigen
was niet voor gastheer van dienst Nic Balthazar weggelegd maar voor
een eigenaardige man in een poepchique kostuum dat makkelijk zou
kunnen doorgaan voor pinguïnpak. De keurige presentator-ad-interim
maakte met veel furore duidelijk dat Monáe een diva was die vanaf
de allereerste seconde uw handengeklap verlangde. Enthousiast
applaudisseren zonder dat daar reeds specifiek reden toe is, is nu
niet bepaald onze meug, maar de soulliefhebbers in het publiek
zetten de handen op elkaar alsof hun leven ervan afhing. Monáe vond
het alleszins invitatie en erkenning genoeg om eindelijk het podium
te betreden. Net zoals de introductie, was ook de performance zelf
doorspekt van buitensporige franjes. Monáe stal de show en hoewel
haar genre velen niet meteen aanspreekt, was iedereen het er wel
over eens dat de potsierlijke juffrouw en haar uitgebreid gevolg
van wanten wisten. Miss Janelle uit Kansas City beschikt met
‘Tightrope’ (een samenwerking met Big Boi) over een bijzonder
aanstekelijke r’n’b-hit, die ze met veel plezier losliet op haar
publiek. Een tweede climax werd naar het einde toe bereikt, toen
zij met een lalalalala-refreintje zelfs het achtersteven van het
park tot meezingen aanzette. Het optreden van Monáe bevatte iets te
veel tierlantijntjes om echt kwalitatief hoogstaand genoemd te
worden, maar begeesterend was het wel.

“This ain’t for the faint-hearted,” zingt Ruben Block in
openingsnummer ‘I’m Coming for You’. Gelijk bleek hij te hebben:
een optreden van Belgische trots Triggerfinger is
allesbehalve bestemd voor gevoelige zielen. Voor liefhebbers van
wat harder materiaal des te meer. Na de pletwals op Rock Werchter
(in elke krant vier sterren waard), was nu het anders zo rustieke
Brugge aan de beurt. Het contrast met het frêle soulkapsel en de
overdreven franjes van Janelle Monáe kon alvast niet groter.
Triggerfinger raasde en ronkte, overtrof zichzelf in explosiviteit
en verdedigde de Belgische driekleur met verve. Block blonk uit in
eloquentie en zette zijn gulzige publiek zowel in het Nederlands
als in het Engels aan tot een collectief oorgasme. Met
zijn grijze haarbos en pikzwarte pornosnor bezat hij dan ook
duizendmaal meer sexappeal dan de Richard Gere in zijn hoogdagen
waar uw moeder krols van werd. Het was echter drummer Mario
Goossens die de populariteitswedstrijd met overtuiging won, toen
het publiek zijn naam na afloop bleef schallen. Monsieur Paul, de
breedgeschouderde bassist, bleef immer cool onder de druk.
Misschien was het omdat zijn moeder aan de zijlijn fier stond te
kijken? Ook het moeke van Goossens, evenzeer in het
publiek te lokaliseren, zal wel apetrots geweest zijn op haar
oogappel toen Triggerfinger een liedje opdroeg aan ieders mama.
Daarnaast werd ‘My Baby’s Got a Gun’ gespeeld ter ere van de strak
zittende klederdracht van de achtergrondzangeressen van Monáe, en
hiermee toonde Triggerfinger zich meer meester van de
groove dan het soulcollectief zelf. Het klinkt ons
ironisch in de oren dat op een festival dat gegroeid is uit een
werelds concept als Cactus, een Belgische band zich koning mag
kronen. Alle lof voor Triggerfinger, die met een geslaagde cocktail
van blues, hardrock en ronduit schunnige mokerslagen zijn
toeschouwers zich eventjes op Graspop liet wanen.

De volgende om het podium te betreden, was de Texaanse
singer-songwriter Lyle Lovett en zijn akoestische
begeleidingsband: een kwintet cowboygentlemen, allen strak in pak
en omringd door een aura van waardigheid. Gedurende een dik uur
werd het Brugse Minnewaterpark omgetoverd tot een dorre prairie
waarover het gezelschap hun stijlvolle countryblues liet
weergalmen. Een demonstratie van vakkundigheid en klasse, waarbij
het zichtbare respect tussen Lovett en zijn muzikanten zich uitte
tot schitterende vertolkingen van ‘L.A. Country’, ‘If I Had a Boat’
of bisnummer ‘She’s no Lady’, waarbij de laatste, kreunende (en
niet geheel zuivere) ‘she’s My Wife’ een einde maakte aan dit
bijzonder gesmaakte optreden.

Je zal maar door het leven gaan als Noémie Wolfs. De
roodharige deerne mag dan een zuivere stem en een elegant voorkomen
hebben, echt makkelijk wordt het haar niet gemaakt als
splinternieuwe frontvrouw van Hooverphonic. Het
bittere lot dat haar muzikale carrière altijd zal blijven
teisteren, is de constante vergelijking met Geike Arnaert. In
plaats van het kind een schone lei te gunnen en slechts de nieuwe
nummers uit ‘The Night Before’ op de fans los te laten, moet ze
zich ook heer en meesteres maken van het populaire oeuvre van
Hooverphonic, dat tentoongesteld wordt als kwantitatieve
hitmachine, in navolging van bovenvermelde blonde vamp. En eerlijk,
Wolfs raakt zelfs met geen druppel aan de ondoorbreekbaar
mysterieuze bolster van haar voorganger. Edoch wordt zij, op het
patroniserende af, steevast op een pedistal geplaatst door Alex
Callier, het extravagante brein achter de band. “Ons Noémie was
toen zelf ook nog maar een klein meisje,” vertelt hij vaderlijk als
inleiding tot het vroegste werk van Hooverphonic. Zijn retoriek
haalt compleet de schwung uit het hele gebeuren, hoewel
het net zijn bedoeling was als ‘cactusmaagd’ om net de boel
helemaal op te fleuren. Zo riep hij eveneens Mario Goossens en
Ruben Block, de helden van Triggerfinger, te gast op het podium
tijdens ‘The World is Mine’. Uiteindelijk bleek het een mislukte
verbroedering, aangezien Block zijn microfoon veel te stil stond en
Goossens, tja, wat stond die daar in feite te doen? Een beetje met
zijn kont te schudden, en verder? Voorts was Monsieur Paul helemaal
nergens te bekennen – ongelijk konden we hem echter niet geven.
Ieder lied leed onder het poppenspel van Callier, en zo bereikte
deze levende jukebox een afgrijselijke anticlimax. ‘Sometimes’ was
zelfs niet meer dan een pure circusvertoning. Hooverphonic anno
2011 is zijn doel volledig voorbijgestreefd.

De Britse triphopformatie Lamb valt
daarentegen helemaal niet onder de noemer ‘cactusmaagd’ te
plaatsen. Meer zelfs, het hese stemgeluid van Lou Rhodes en haar
samplekunstenaar Andy Barlow vonden het in 2009 zo fijn om hun
reünie tijdens uitgenomen dit festival op poten te zetten, dat ze
prompt opnieuw afzakten naar de Brugse binnenstad met fonkelnieuw
materiaal onder de arm. Eind mei kwam ‘5’ op de markt, een plaat
die geheel gefinancierd werd door de wil van hardnekkige fans. Het
is dan ook maar common decency om het album eens beleefd
te komen voorstellen. Met slechts één uur slaap achter de kiezen en
een bassist wiens eega op het punt stond het levenslicht te geven
aan hun tweede zoontje, toonden deze lammeren zich kranig, vitaal
en bovenal bijzonder experimenteel. Een concert bijwonen van Lamb
houdt altijd een soort zielsverhuizing in, en het is meer dan
logisch dat niet iedereen daarvoor openstaat. Indien dit
onconventioneel geluid je toch in zijn greep krijgt, mag je je
eraan verwachten dat je ledematen plots een ander leven beginnen te
leiden. De elektronische messenhalen werken dermate aanstekelijk,
zoals bijvoorbeeld op ‘Little Things’ uit ‘Fear of Fours’ (je weet
wel, dat album waarbij liedje nummer vier slechts uit een stilte
van zeven seconden bestaat), één van de openingsnummers van de
vertoning. Even drastisch gaat het er kort nadien evenwel niet meer
aan toe, wanneer Barlow zijn meest extreme geluidsexperimenten even
aan de kant schuift voor wat gemoedelijker materiaal uit het
jongste album en bekende hits uit de annalen als ‘Gorecki’ en
‘Gabriel’. Tijdens de dubbele bisronde die het publiek terecht van
deze triphoppers vroeg, lieten Rhodes en Barlow dan weer alle
remmen los en vreesden ze er niet voor hun publiek zowel letterlijk
als figuurlijk compleet omver te werpen. Onvergetelijk op zijn
minst.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × vier =