Cactusfestival 2011 – dag 1




Brugge, 8 juli 2011

Cactusfestival is hot. En mocht u het niet aan de drukte
op de wei gemerkt hebben, dan wel aan de stormloop bij de ingang.
Zodoende was enola slechts op tijd om de tweede helft van de op
zijn minst bizarre performance van Kate Nash mee
te pikken. Wat dat ding in haar haar moest voorstellen, we breken
ons er het hoofd niet over, wel konden we gezapig meefluiten op de
bipolaire vertoning die het voormalige prototype van de
rondborstige girl next door ons in haar Cockney-accent te
bieden had. Kate Nash is niet langer het brave meisje met de
heerlijk scherpe songteksten van op ‘Made of Bricks’, maar brengt
bitsige nummers uit ‘My Best Friend is You’ tot uiting, vervormt
haar excentriek uitgesponnen stemgeluid met een megafoon, waadt
zich door het Brugse publiek en wordt terstond (want zo beveelt de
titel van het album haar) beste vriendjes met haar aanhangers. In
de tussentijd roept ze ook nog eens in een fel protest tegen de
ongelijke behandeling van holebi’s op naar universele
verdraagzaamheid, “love who you wanna love”, “it’s fucking 2011”.
Alsook declameren zij en haar all-girl band een modern
feminisme in de lange speech die het laatste liedje mocht
aankondigen. En opnieuw passeert het woord “fucking” meer dan eens
de revue. Braaf? Allerminst. En toch schemeren zoetzure liedjes als
‘Merry Happy’ en ‘Foundations’ in de slotnoten van dit schouwspel,
en zijn we terug bij af. Kate Nash schippert tussen beide albums en
ondanks het feit dat zij zich een genietbare podiumdiva vertoont,
blijft de identiteitscrisis het optreden volkomen dwarsbomen en
kunnen wij ons afvragen wanneer we eindelijk eens een pure en
onversneden Nash op ons bord gaan krijgen.

Eerlijk? Toen we ons realiseerden dat Mark
Lanegan
het podium zou bestijgen onder een warme
vooravondzon, hadden we ergens verwacht dat hij met een langgerekte
oerschreeuw zou ontbranden tot een smeulend hoopje gitzwarte as
voor de hemelsblauwe ogen van zijn muzikale gezelle Isobel
Campbell
. Maar de voormalige Screaming Trees-frontman
bleef immer apathisch (hoewel, zagen wij daar meermaals een
zeldzame lach op ‘s mans grimmige gelaat?) en bewees onder
begeleiding van zijn uitmuntende band dat geen daglicht hen kon
verhinderen om ons het meest beklijvende uit hun drie platen voor
te schotelen. Van begin tot eind hield de melancholische americana
en het contrast tussen de doorrookte whiskystem en het frêle, hese
gefluister van Isobel de wei in de ban, met ‘Back Burner’ tot het
ultieme, maar zeker niet enige, kippenvelmoment. Ongetwijfeld een
hoogtepunt van Cactus 2011.

Meer vrouwelijk geweld die avond in het Minnewaterpark,
want ook de Schotse Kate Victoria Tunstall, KT
voor de vrienden, mocht haar doortocht in Brugge maken met onder de
arm een kleine resem hits en een hoop onbekend werk dat hopelijk
ook zou overtuigen. De deuntjes die Tunstall en haar
begeleidingsband produceerden, waren van goede kwaliteit. KT weet
wat beuken op haar gitaar betekent en toont zich bijzonder bad-ass
in vergelijking met het good-girl imago van haar
voorgangers Isobel Campbell, Kate Nash en Lady Linn. Haar verbaal
talent schiet desalniettemin tekort na de idealistische toespraken
van Nash, al roept ze in ‘Other Side of the World’ op geen
langeafstandsrelaties aan te gaan. We nemen er akte van, KT. Verder
ontsnapt haar repertoire niet uit een saaie middelmaat: Tunstall
brengt countrypop met een doorsnee kantje, weet te entertainen maar
kan ondanks de schemering geen intieme sfeer creëren. Of we zin
hebben in haar “horsy”? Ja hoor, laat maar komen, het alom bekende
‘Black Horse and the Cherry Tree’. Brugge wiegde eenstemmig met
haar kont, net als bij afsluiter ‘Suddenly I See’. En zo eindigde
haar optreden zoals die heerlijke chickflick ‘The Devil
Wears Prada’ aanvangt, met een nummer dat heel haar oeuvre kan
samenvatten: catchy, fijn, maar nimmer gewaagd.

Als afsluiter van de eerste dag Cactus had de
organisatie besloten om de volop aanwezige jeugd (vooral koters die
door de licht aangeschoten papa’s op pad werden gestuurd om met
schattige snoetjes onschuldige festivalgangers van hun bierbekers
te beroven) een les in de popgeschiedenis te geven. En hoe kon dat
beter dan met een authentiek stuk bewijsmateriaal: voormalig Roxy
Music-opperhoofd Bryan Ferry bleek nog altijd
very much alive te zijn, zowel als eeuwige dandy, dansend
tussen zijn afro-zangeressen, als onder de vorm van een brok
bewonderenswaardig charisma op het podium. De show mocht dan ietwat
traag op gang komen, het duurde niet lang voor alle aanwezige
generaties stonden mee te zingen – of probeerden mee te neuriën –
terwijl het merendeel herinneringen ophaalde aan hun jeugd. Want
echo’s uit de gloriedagen, dat waren het wel: de beste momenten
waren ontgetwijfeld klassiekers als ‘Love is the drug’ of ‘Avalon’.
Maar ook die heerlijke covers! Van ome Neil’s ‘Like a hurricane’
(wie heeft nu Crazy Horse-solo’s nodig als we hetzelfde met sax
kunnen doen?), Dylan’s ‘Make you feel my love’ of de explosieve
finale: ‘Jealous Guy’ van John Lennon. Kortom, hier en daar roest,
maar genoeg geolied om de eerste van drie festivaldagen in een sexy
schoonheid te laten eindigen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × twee =