Aki Takase’s La Planète Quartet :: 4 maart 2011, De Werf

De Werf had het in zijn promotekst over een ‘absolute topbezetting’ en daar was geen letter van gelogen. Dit internationale kwartet bundelt immers een imposante staat van dienst binnen de Europese jazz en vrije improvisatie, waarbij dit concert vooral in het teken van de meer experimentele flank stond.

Dat was wel te verwachten, want hoewel een figuur als Louis Sclavis in het verleden herhaaldelijk albums maakte die zeer toegankelijk waren en/of duidelijk geworteld waren in een populaire traditie, is ook hij een sleutelspeler van de Franse én Europese improvisatie, getuige daarvan ook zijn eerdere samenwerkingen met pianiste Aki Takase. Die Japanse artieste werkte aanvankelijk vooral met Amerikanen als John Zorn en Dave Liebman, maar voegde zich in de jaren tachtig aan de zijde van echtgenoot Alexander von Schlippenbach in Berlijn. Sindsdien is haar naam synoniem geworden voor een originele kijk op musiceren en componeren. Het kwartet werd vervolledigd door Vincent Courtois, de Franse cellist die al ruim een decennium speelt met Sclavis, en de Portugees Carlos Zingaro, een van de weinige violisten binnen de vrije improvisatie. Een splinternieuw kwartet, maar met een pak bagage.

Door de afwezigheid van een ritmisch anker stond het bij voorbaat vast dat het geen swingende bedoening zou worden en de link met jazz vrij vaag zou zijn. Daartegenover stond dan weer dat Takase’s composities vaak toch een sterk ritmisch fundament hadden, al leek dat dan weggestoken achter een front van robuuste complexiteit en eeuwige hoekigheid. Nochtans ging het er aanvankelijk vrij toegankelijk aan toe, met slepende strijkpartijen van Courtois en Zingaro en Sclavis’ warme, ronkende interventies op de klarinet en basklarinet. Takase liet meteen haar typisch ongedurige stijl horen, die snelle notenneukerij achterwege laat voor een hyperexpressieve aanpak, waarbij furieuze uitbarstingen met de linkerhand afgewisseld werden met eenvoudige, haast kinderlijke, afdalende motiefjes.

De composities waren duidelijk afgelijnd, al bleef er voldoende ruimte over voor improvisatie, iets dat vooral Sclavis aangreep om zijn fenomenale beheersing van de klarinet en basklarinet tentoon te spreiden. De man aan het werk zien doet je beseffen dat er wel degelijk nog zoiets bestaat als hors catégorie: van vingervlugge loopjes tot ononderbroken circulaire patronen, forse uitspattingen in het lage register en gegier in het hoge: hij kan het allemaal en doet het met een intensiteit en concentratie die haast bovenmenselijk lijkt. Heel erg straf om de man loos te zien gaan op de basklarinet om vervolgens – in een vingerknip – weer over te schakelen op het centrale thema van een stuk en dat met zwier verder te zetten.

Die strakheid zat er niet altijd in, maar dat was grotendeels te wijten aan een aantal hels moeilijke, verraderlijke stukken, waarbij Takase’s onconventionele ritmes en spielereien patronen opbouwden waarbij de accenten steeds in beweging bleven; de muzikanten zaten daardoor al eens naast elkaar (iets dat vooral Zingaro leek te overkomen), maar het zorgde niettemin voor een ongewone luisterervaring. Zeker toen Takase ritmisch woorden begon uit te kramen en de andere drie haar volgden. Geen idee of het ging om nonsenspoëzie, Japans of Takase’s grappige/meedogenloze molestatie van de Engelse taal, maar het gaf het concert even een relativerende shot humor.

Ondanks de soms erg virtuoze interactie en de mooie collectieve klankkleur waren de mooiste momenten van het concert misschien wel verstopt in de duetten die gespeeld werden, met voorop de stukken van Takase-Sclavis (in de eerste set) en Sclavis-Courtois. Die laatste combinatie opende de tweede set en zorgde voor een hoogtepunt waarbij het de adem inhouden was. Ze voerden eerst een plagerige sparringdans uit, om vervolgens uit te pakken met pure pastorale schoonheid, met Courtois die pizzicato speelde en Sclavis die een hartverscheurende, emotionele achtbaanrit uit z’n basklarinet perste. Het was het mooiste stuk muziek dat we dit jaar mochten horen. Het duet van Takase-Zingaro was net iets minder, maar werd dan weer opgevolgd door een laatste gewaagde hectische compositie, waarbij Takase dirigeerde à la Zorn, die het concert afsloot op een nieuw hoogtepunt.

Er volgde nog een merkwaardig moment in de bisronde, die door Sclavis (ervoor nog de onbewogenheid zelve) aangegrepen werd om een maffe comedyact uit te voeren. Het contrasteerde nogal met het eerder melancholische stuk dat z’n kompanen speelden, maar het verdict was dan al lang klaar: Aki Takase’s La Planète Quartet speelde op een soms intimiderend hoog niveau.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + 7 =