Grinderman :: 18 oktober 2010, AB

Midlifecrisissen zijn niet de mooiste dingen om te aanschouwen: oude buikige mannen op motors, in te kleine zwemshortjes op zeiljachten, in ridicule en te dure blitse fietsoutfits… de potsierlijkheid druipt er van af. Maar als het dan toch ridicuul moet worden, doe het dan meteen goed: start de meest vunzige rockband sinds lang. En amuseer je. Zoals Nick Cave.

Dat is wat Grinderman immers is: het hobbyproject van een vijftiger die wel eens iets anders wilde en dus maar samen met wat maten een groepje begon. En als je Nick Cave heet, en die maten Jim Sclavunos, Martyn P. Carey en Warren Ellis zijn, dan heb je geen bandje. Dan heb je het soort rockgroep dat elke ochtend onderling een tienersterretje verdeelt voor de boterhammen; het soort ensemble waarin enkel Cave zelf het zich kan permitteren om geen baard te dragen. Waardoor hij plotsklaps een melkmuil lijkt te hebben.

Anderhalve minuut toch. Zo ongeveer tot het refrein van opener “Mickey Mouse And The Goodbye Man” waarin hij huilt als een wolf, en Grinderman vertrokken is voor wat minstens het optreden van het najaar zal worden. Eentje dat begint met het credo van de midlifecrisislijder: “I woke up this morning and thought ‘what am I doing?'”, waarna tonnen frustratie in vuile riffs, gruizige geluiden en algehele mayhem wordt samengebald tot gemuteerde bluesrock die elk moment twijfelt tussen imploderen en exploderen. Al voel je dat de buik voor het gemak naar ontploffen neigt. Splinterbom “Get It On” wordt al als derde nummer losgelaten en je hoort hoe de percussie van Sclavunos de boel toch nog luchtig houdt.

Maar dit is niet écht licht. Grinderman draait om lawaai. Het soort dat Cave maakte toen zijn groepje nog The Birthday Party heette, of toen The Bad Seeds nog niet konden spelen. Brute muziek, dus, die drijft op ternauwernood tot songs gedwongen piepende gitaarriffs. Het soort dat “Heathen Child” vanavond zo geweldig maakt. Gitarist/violist/alstmaarlawaaimaaktist Ellis spreidt het bedje, Cave gaat gewillig loos op de boxen, zoekt het publiek op en vindt dat.

Je ziet hem er van genieten om nog eens zo dicht bij het publiek te kunnen komen. Met The Bad Seeds kan hij niet om bunkers genre Vorst Nationaal heen, met Grinderman kun je de toeschouwers nog (nét) netjes verdelen in twee avonden AB. Cave speelt zijn typetje zoals alleen hij dat kan. Dreigen, maar toch spelen; afstoten, maar tegelijk flirten. En natuurlijk de hand van dat meisje uit het publiek net dat tikje te lang vasthouden, tot het niet meer leuk is. We gaan toch niet denken dat het om te lachen is, zeker?

Sterk ook hoe Grinderman al zijn bekendste nummers vooraan kan steken, en toch geen moment gaat vervelen. Albumtrack “When My Baby Comes” wordt episch uitgebouwd en krijgt een outro mee die doet denken aan de slepende post-metal van Isis. “Honeybee” is daarna het soort schuimbekkende rock waarop Cave loos kan gaan als een dolle hond. Het is een truc die hij ondertussen tot in de puntjes beheerst. En dan is er “No Pussy Blues”; één bal frustratie, drijvend op een baslijn die ze zelfs de Bende van Nijvel een tikje bedreigend zou vinden, terwijl Cave ongegeneerd het kinkloppend machozwijn mag uithangen. Heerlijk.

Natuurlijk blijft dit een vreemde move; een terugzoeken wat Cave kwijt is geraakt met The Bad Seeds, samen met vier man die ook bij The Bad Seeds zat, maar nooit die heftige begindagen heeft meegemaakt. Alsof een regisseur zijn debuutfilm opnieuw probeert te maken met nieuwe acteurs, en dat nog werkt ook, omdat er die chemie is die veel verteerbaar maakt. Het blijft een midlifecrisis, maar wel de meest nuttige ooit. Nick Cave heeft eindelijk zijn spirit teruggevonden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − 16 =