PUKKELPOP 2010 :: Villagers, vrijdag 20 augustus, Chateau

Grote ontdekkingen van (nog) kleine groepen in de kleinste ruimte van het terrein; het kan moeilijk mooier. Villagers maakt in de Chateau zijn debuut op Belgische bodem en krijgt daar veel liefde voor terug. En een plek in onze eindejaarslijst, en in ons hart. Bleiters, dat zijn wij.

Hoewel Becoming A Jackal aanvankelijk niet noemenswaardig veel indruk heeft gemaakt, zitten we toch in het — naar festivalnormen — ochtendgloren te wachten op de tribune die de organisatie voor de gelegenheid van dit uitverkochte festival buiten de Chateau heeft geïnstalleerd in plaats van erbinnen. Villagers is nog aan het soundchecken en we voelen de tranen al in de ogen prikken. De declamatie waarmee de zevenentwintigjarige Conor O’Brien zijn woorden nog dat tikje belangrijker maakt dan ze op plaat al bleken te zijn, heeft daar veel mee te maken. De trefzekere akoestische gitaarstroken en subtiele piano-ornamenten triggeren dit nog eens extra.

O’Brien weet maar al te goed waarmee hij bezig is. Geen moment van aarzeling in de set, het studiomateriaal al voorzien van een behoorlijke upgrade. De blazers ontbreken dan wel in opener “The Meaning Of The Ritual’, dat houdt O’Brien niet tegen om met behulp van een toetsenist het nummer te begeleiden naar een majestueuze finale met verkniptheid à la Radiohead. Nog maar een manier om het fucked up-gevoel te vergroten. “My love is selfish/How it separates the earth/It takes every shiny stone but leaves the dirt/For the cowards in the corner who just don’t know what they’re worth” was op plaat nooit opgevallen, maar wordt nu als een steen in een netje in het gezicht gesmeten.

En dat is nog maar het eerste nummer. “Home” volgt naadloos, zonder applausonderbreking, zoals op plaat. Geen tijd om te bekomen dus. O’Brien spuwt de woorden er bijna declamerend uit, contrasterend met het “Can you call me when we’re almost halfway”– croonend achtergrondkoortje, barst de beladenheid van de tekst haast uit zijn voegen. “So she goes back under/Swallows the water/Fixes her face like a good little daughter/And follows her family/Who follow a saint and a snake”, klinkt het. We blijven citeren, het is de essentie van deze groep.

Toch gaat Villagers niet gebukt onder zwartgalligheid. O’Brien wikkelt zijn teksten in een melodieus dekentje en lijkt zelf nog het sterkst op een goedlachse Harry Potter zonder bril maar met een, aan zijn kleine lengte aangepaste, akoestische gitaar. Titelsong “Becoming A Jackal” heeft met de hulp van de backing vocals van zijn vier medemuzikanten wat weg van het vrolijkste van The Beatles, hoewel — opgepast, weer een citaat — “So before you take this song as truth/You should wonder what I’m taking from you/How I benefit from you being here/Lending me your ears while I’m selling you my fears” wel anders doet vermoeden.

Afsluiter “Ship Of Promises” is dan weer pure Bright Eyes, periode I’m Wide Awake, It’s Morning. En neen, we citeren niet meer, maar ook deze tekst is de moeite.
Slechts zeven nummers de tijd krijgt Villagers om te overtuigen en te bekeren. Het lukt hem wonderwel. Het applaus en het gejoel worden nummer na nummer groter. De grijns op O’Briens gezicht wordt er niet minder oprecht op.

Alleen tijdens “Pieces” gaat hij door net iets te overladen strijkersarrangementen uit een doosje en pathetisch wolvengehuil lichtjes uit de bocht. Om het meteen weer goed te maken met het intrigerende “I Saw The Dead”, een bevreemdende mix tussen een kerstlied (het geratel van de slee van de Kerstman), een begrafenisstoet (die pianoarpeggio’s — het kan ook zijn dat we te veel naar Six Feet Under hebben gekeken) en een Sophia-nummer.

Dat we een half uur later Kate Nash op ons bord kregen. Ook daar waren we niet goed van. Maar Villagers: te (her)ontdekken op plaat en blindelings mee te pikken bij een volgende livepassage.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × drie =