PUKKELPOP 2010 :: Chateau, vrijdag 20 augustus

De plek der ontdekkingen, dag twee. De temperaturen stijgen, alsook het aantal mensen dat bij momenten in de Chateau wenst te geraken en daar niet altijd in slaagt, vanwege het bordje “volzet”. Het overkwam u misschien bij Fanfarlo of bij The Tallest Man On Earth. Wij hadden het voor bij Four Tet. Over (het meeste van) de rest leest u hieronder.

Amper op de wei en al een muzikaal hoogtepunt achter de kiezen. In de Chateau doet Villagers in mindere mate wat Florence + The Machine vorig jaar in de Club deed: harten veroveren en daar veel liefde voor terugkrijgen. Conor O’Brien is het soort singer-songwriter wiens teksten je overpent omdat ze zo mooi zijn. De Ier heeft een fatalistische kijk op de liefde en meer bepaald het huwelijk (“My love is selfish and it cares not who it hurts/It will cut you out to satisfy its thirst/For the meaning of a ritual/So habitual and cursed”) die hij muzikaal vertaalt naar de taal die Bright Eyes, Sophia of The Swell Season spreken. Live zet hij de spanning opbouwende laagjes extra in de verf met de hulp van vier uitstekende muzikanten. O’Brien benadrukt elk gezongen woord zodat in een mum van tijd onze keel stropvast zit. Ja,wij zijn bleiters. Bleiters met eindejaarslijstjes steeds bij de hand, waar wij in gotische letters dit optreden in neerschrijven.

Het was dus drummen, maar wij hoorden bij het selecte clubje dat getuige mocht zijn van het optreden van de eclectici van Fanfarlo. Gewapend met een waaier aan instrumenten — onder de aanwezigen onder meer trompet, viool, glockenspiel, melodica, muzikale zaag, mandoline en klarinet — de zalige debuutplaat Reservoir en de haartooi van zanger Simon Balthazar oftewel het meest begeerde kapsel van de indiekids van tegenwoordig, klinkt Fanfarlo harmonieus, even zoet als de softijsjes op de wei en bovenal heerlijk vol. Pareltjes “Harald T. Wilkins Or How To Wait For A Very Long Time”, “Comets” en vooral het geniale “The Walls Are Coming Down” mag u als visitekaartjes van de Londense hipsters aanzien. Conclusie? Een band met evenveel potentieel als het aantal liters zweet dat achteraf van de vloer gedweild kon worden.

Tijd voor jongens en wetenschap. Het Britse allegaartje Everything Everything bestaat namelijk uit alumni muziekwetenschappen. “Maar muziek, dat moet toch emotie zijn?”, denken wij samen met u. Klopt, maar met al die academische harmonieën brengt de band niettemin een aangenaam en beluisterbaar geluid dat helemaal niet moeilijk doet om moeilijk te doen. Zelfs in de sauna die de Chateau op dit uur is, wordt er vlotjes gedanst en gejoeld. Wij verlaten de tent dan ook met twee beloften op korte termijn: zo snel mogelijk iets drinken en het debuut van dit veelbelovende collectief in huis halen.

Na een wat teleurstellende passage in de Botanique eerder dit jaar, waarin ze maar al te vaak het meisje-meisje in zich losliet en als een kippetje aan het giechelen sloeg, had Laura Marling wat goed te maken. De twintigjarige folkchanteuse bezit de maturiteit van iemand die een generatie ouder is en dat valt vooral op in haar teksten. Ze gaan over de innerlijke strijd met allerlei soorten engagement (liefde, huwelijk, God) en ook muzikaal is ze, sinds haar voor de Mercury Prize genomineerde debuut, pijlsnel gegroeid. Gelaagd, subtiel naar een hoogtepunt werkend, of gewoon akoestisch tokkelend, met toch nog steeds de invloed van haar eerste begeleidingsband, Mumford And Sons. Die omlijsting wordt live, in het bijzijn van een celliste en een contrabassist, niet aan het toeval overgelaten. Marling is vandaag goed bij de les. “Rambling Man”, “Devil’s Spoke” en “Ghosts” klinken begeesterd, ook al vloekt ze zichtbaar met de technobeats uit de Coca Cola-tent en een luide E op de Main Stage die haar moeiteloos overstemmen. Jammer ook dat ze liefje Marcus Mumford, toch aanwezig in de coulissen, het podium niet opvraagt. Gemiste kans.

The Tallest Man On Earth is naar eigen zeggen geen firestarter, verwijzend naar The Prodigy dat er van op het hoofdpodium bovenuit probeert te komen. Toch heeft de Zweed vanaf de eerste noten van “The Wild Hunt” iedereen in de Chateau mee. Tijdens het ingetogen “A Thousand Ways” houdt iedereen zelfs gepast zijn bek en zijn we getuige van een prille maar mooie relatie tussen Matsson en zijn Belgische publiek. Hoewel vooral gepuurd wordt uit de uitstekende laatste plaat, passeren ook uitstekende songs als “The Gardner” en “Where Do My Bluebirds Fly”. Vergelijkingen met Dylan zijn gemakkelijk, maar in tijden waarin alles een herhalingsoefening lijkt, snijdt TTMOA als een bloeddorstige Viking door het singer-songwriterlandschap.

En hiermee eindigt onze trip in het Kasteel, deel 2. Wegens gesloten deuren bij Four Tet en geen gegadigden die naar nog eens een fuck-groep wilden gaan kijken. Morgen beter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + 6 =